RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11931276 \ UC EXPL 25-8206
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. S. Booij,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [handelsnaam],
woonachtig in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 oktober 2025, met producties- de conclusie van antwoord, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
De mondelinge behandeling vond plaats op 14 januari 2026. Daarbij was [A] (eigenaar van [eiseres] ) aanwezig met gemachtigde mr. S. Booij. [gedaagde] was ook aanwezig met gemachtigde mr. J.A.M. Drinkenburg. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiseres] heeft aan de firma [bedrijf 1] opdracht gegeven om haar restaurant [horecagelegenheid] te renoveren. [bedrijf 1] heeft daarbij de firma [bedrijf 2] , als onderaannemer, ingeschakeld voor het uitvoeren van diverse installatiewerkzaamheden. [bedrijf 2] heeft op haar beurt een deel van de werkzaamheden uitbesteed aan [gedaagde] . In april 2019 is het project opgeleverd.
[eiseres] vordert in deze procedure € 13.430,12 van [gedaagde] . [eiseres] vindt ten eerste dat [gedaagde] fouten heeft gemaakt bij het installeren van de warmtepomp voor haar horecagelegenheid en daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Ten tweede vindt [eiseres] dat [gedaagde] de installatiefouten ten onrechte niet heeft opgemerkt, althans niet heeft gemeld, toen hij later onderhoud aan de warmtepomp pleegde. Daarmee heeft hij volgens [eiseres] wanprestatie gepleegd. De warmtepomp is volgens [eiseres] door de installatiefouten kapot gegaan. [gedaagde] heeft vervolgens niets gedaan om het op te lossen. De kosten voor het vervangen van de warmtepomp wil [eiseres] op [gedaagde] verhalen.
[gedaagde] erkent dat er installatiefouten zijn gemaakt, maar hij is van mening dat [eiseres] hem daarop niet kan aanspreken omdat hij als onderaannemer geen contractuele verplichting tegenover [eiseres] heeft. Verder heeft hij bij het uitvoeren van het onderhoud altijd als bekwaam vakman gehandeld. Tot slot betwist [gedaagde] dat [eiseres] daadwerkelijk de warmtepompinstallatie heeft laten vervangen en daarvoor het voornoemde bedrag heeft betaald, althans dat de schade de door [eiseres] gestelde omvang heeft.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] en daarom de als gevolg daarvan geleden schade van [eiseres] moet vergoeden. De kantonrechter begroot deze schade van [eiseres] op € 3.500,00.
3. De beoordeling
[gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld tegenover [eiseres] en moet de schade vergoeden
[gedaagde] moet een schadevergoeding betalen aan [eiseres] als hij een onrechtmatige daad heeft gepleegd, die hem kan worden toegerekend en [eiseres] schade heeft geleden die daar het gevolg van is. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] . De installatiefouten van [gedaagde] hebben ertoe geleid dat de warmtepomp van [eiseres] kapot ging en (deels) vervangen moest worden. [gedaagde] heeft niets gedaan om het probleem te helpen oplossen. Daardoor heeft [eiseres] schade geleden die [gedaagde] moet vergoeden. Dit wordt hieronder uitgelegd.
[gedaagde] heeft als onderaannemer van [bedrijf 2] , die op haar beurt weer onderaannemer was van hoofdaannemer [bedrijf 1] , in 2019 voor [eiseres] (de opdrachtgever) werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de installatie van een warmtepomp. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard het grootste deel van de installatiewerkzaamheden te hebben verricht. [bedrijf 2] heeft alleen de laatste dag ook nog een en ander gedaan. Wat precies heeft [gedaagde] niet kunnen toelichten.
Nadien heeft [eiseres] [gedaagde] regelmatig ingeschakeld om reparatie- of onderhoudswerkzaamheden aan de warmtepomp te verrichten. Omdat [gedaagde] na oktober 2022, toen hij constateerde dat de warmtepomp niet meer werkte, niet meer reageerde op de reparatieverzoeken van [eiseres] heeft zij Bosch ingeschakeld om de problemen te onderzoeken en te verhelpen. Uit de beschrijving op de factuur van het onderzoek van Bosch blijkt dat de omstandigheid dat de warmtepompinstallatie uiteindelijk kapot ging, het gevolg was van installatiefouten. In die beschrijving staat het volgende: “Buitenunit- Het product bevat een storing, namelijk de buitenunit en de condensor zijn defect. (…) De oorzaak lijkt te zijn gekomen door diverse installatiefouten door de eerste installateur: er zijn niet voldoende ontluchtpunten aanwezig en tevens zit het vuil filter aan de verkeerde kant gemonteerd, er is hierdoor vervuiling gekomen in de verdamper en deze is hierdoor kapot gevroren. De verdamper, koelleidingen en buitenunit moeten vervangen worden.”
[gedaagde] heeft de conclusie van het onderzoek van Bosch onvoldoende gemotiveerd betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij slechts gezegd dat het kan kloppen dat hij de vuilfilter aan de verkeerde kant heeft gemonteerd en dat het ‘in theorie niet zou moeten kunnen dat de verdamper daardoor vervuild raakt en kapot vriest’. Hiermee heeft hij onvoldoende aangedragen om de conclusie van Bosch niet te volgen. Daarbij is ook van belang dat de medewerker van Bosch meer dan een uur de warmtepomp heeft nagekeken en er (daarom) vanuit mag worden gegaan dat een gedegen onderzoek is gedaan, het tegendeel is in ieder geval niet gebleken.
Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de warmtepomp kapot is gegaan als gevolg van installatiefouten. Nu [gedaagde] zelf heeft verklaard vrijwel de hele installatie te hebben uitgevoerd, en onduidelijk is gebleven welke werkzaamheden hij niet heeft gedaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat de installatiefouten door [gedaagde] zijn gemaakt.
Aangenomen mag worden dat de hoofdovereenkomst (tussen [gedaagde] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ) er toe strekte een goed werkende warmtepompinstallatie bij [eiseres] te realiseren. Dat is niet gebeurd. Kort na de installatie van de warmtepomp waren hier al regelmatig problemen mee. [eiseres] heeft [gedaagde] telkens ingeschakeld om deze problemen op te lossen. Ook moest [gedaagde] het buitendeel van de warmtepomp verplaatsen omdat deze op een ongelukkige plek geplaatst was. Daarna bleef de warmtepomp af en aan storingen hebben, waarna deze in oktober 2022 uiteindelijk helemaal stuk ging en niet meer werkte. Van een probleemloos functioneren van de warmtepomp was, anders dan [gedaagde] aan heeft gevoerd, geen sprake. [gedaagde] is dan ook tekortgeschoten in de nakoming van de onderaanneemovereenkomst.
Vooropgesteld wordt dat een tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen door een onderaannemer ( [gedaagde] ) alleen jegens de (hoofd)aannemer ( [bedrijf 1] dan wel [bedrijf 2] ) een wanprestatie kan betekenen en op zichzelf geen onrechtmatige daad jegens de opdrachtgever ( [eiseres] ) oplevert. De hoofdregel is nu eenmaal dat een overeenkomst alleen de partijen bij die overeenkomst tegenover elkaar bindt. Niettemin kan een wanprestatie van een onderaannemer jegens de (hoofd)aannemer onder omstandigheden worden aangemerkt als een onrechtmatige daad jegens de opdrachtgever. Als sprake is van een overeenkomst van onderaanneming staat het de onderaannemer immers niet vrij om de belangen van de opdrachtgever te verwaarlozen. Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] in dit geval onrechtmatig tegen [eiseres] heeft gehandeld moet de kantonrechter op grond van een arrest van de Hoge Raad rekening houden met de van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de opdrachtgever daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de onderaannemer kenbaar was, de vraag of de opdrachtgever erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de onderaannemer bezwaarlijk was met de belangen van de opdrachtgever rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de opdrachtgever dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt.
Hoewel niet is gebleken dat [gedaagde] ten tijde van de installatie de belangen van [eiseres] zodanig heeft verwaarloosd dat hem over die periode onrechtmatig handelen kan worden verweten, is zijn optreden in en na oktober 2022, in het verlengde van de in opdracht van [bedrijf 2] verrichte werkzaamheden, wel als onrechtmatig aan te merken. Sinds de oplevering van de werkzaamheden onderhield [gedaagde] immers met enige regelmaat de warmtepomp en heeft hij storingen verholpen. Uit de stukken in het dossier en wat [gedaagde] heeft verteld tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [gedaagde] in oktober 2022 langskwam bij [eiseres] om naar de kapotte warmtepomp te kijken en toen installatiefouten aan de warmtepomp heeft geconstateerd. [gedaagde] heeft daarop aan [eiseres] alleen teruggekoppeld dat hij ging doorgeven aan [bedrijf 2] dat de warmtepomp kapot was en is daarna vertrokken. Hij heeft [eiseres] slechts verwezen naar de (hoofd)aannemer(s). Die zijn vervolgens niet overgegaan tot het verhelpen van de problemen. [gedaagde] heeft [eiseres] er niet op gewezen wat (waarschijnlijk) de oorzaak was van het stukgaan van de warmtepomp, hoewel dat [gedaagde] toen wel al bekend was of in ieder geval had moeten zijn. Hij is immers een professioneel installateur van warmtepompen, die het grootste gedeelte van de installatie- en onderhoudswerkzaamheden voor [eiseres] zelf heeft gedaan en de installatiefouten heeft gemaakt (zie ook 3.2 en 3.3). Na het bezoek in oktober 2022 heeft [gedaagde] niet meer gereageerd op de reparatieverzoeken van [eiseres] en heeft hij de door [eiseres] geëxploiteerde horecagelegenheid in het najaar laten zitten met een defecte warmtepomp die hij zelf had geïnstalleerd. Hij heeft ook niet meer nagevraagd bij [eiseres] of het probleem inmiddels verholpen was en is helemaal van de radar verdwenen.
De kantonrechter is op grond van het voorgaande met [eiseres] van oordeel dat [gedaagde] in die periode onzorgvuldig met haar belangen als opdrachtgever is omgegaan en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Dat [gedaagde] , zoals hij heeft aangevoerd, met [bedrijf 2] heeft gebeld toen de warmtepomp kapot bleek en dat deze het verder zou oppakken, dan wel dat hij het in die periode erg druk had en van mening was dat hij geen contractuele relatie met [eiseres] heeft en daarom niet gehouden was op de reparatieverzoeken te reageren, leidt niet tot een andere conclusie.
[gedaagde] moet de als gevolg van zijn onrechtmatig handelen door [eiseres] geleden schade vergoeden.
Omdat [gedaagde] na oktober 2022 van de radar verdween heeft [eiseres] een ander bedrijf ( [bedrijf 3] ) ingeschakeld om een nieuwe warmtepomp te plaatsen. [gedaagde] heeft betwist dat [eiseres] de pomp heeft vervangen en/of [bedrijf 3] heeft betaald, maar op de mondelinge behandeling heeft [A] een betaalbewijs laten zien. [gedaagde] heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.
[gedaagde] heeft daarnaast aangevoerd dat hij niet in verzuim is omdat [eiseres] hem geen ingebrekestelling heeft gestuurd en daarom geen schadevergoeding hoeft te betalen. Als een verbintenis uit onrechtmatige daad (schadevergoeding) niet direct wordt nagekomen, treedt het verzuim echter zonder ingebrekestelling in. [gedaagde] is dus in verzuim. Daar komt bij dat [eiseres] meermaals heeft geprobeerd contact te krijgen met [gedaagde] en [gedaagde] ook heeft aangegeven dat [eiseres] zich tot de (hoofd)aannemer moest richten en dat hij niet gehouden was de problemen op te lossen.
De omvang van de schade
[eiseres] vordert een bedrag van € 13.430,12 aan schadevergoeding. De kantonrechter begroot de schade van [eiseres] op € 3.500,00 en zal dat bedrag toewijzen. Hieronder wordt dit uitgelegd.
Nergens blijkt uit dat de binnen- én buitenunit vervangen moesten worden
[eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat de werkzaamheden waarvoor zij heeft betaald allemaal nodig waren en zij heeft niet onderbouwd dat de nieuwe warmtepomp gelijkwaardig is aan (en niet beter is dan) de oude.
Volgens Bosch moeten de verdamper, koelleidingen en buitenunit vervangen worden, maar vervolgens volgt uit de offerte/factuur van [bedrijf 3] dat zowel de binnen- én buitenunit, én alle onderdelen die daarbij horen, vervangen zijn. [A] heeft hierover op de mondelinge behandeling verklaard dat hij denkt dat tijdens de werkzaamheden aan de binnenunit werd geconstateerd dat ook aan de buitenunit gewerkt moest worden, maar deze stelling heeft hij niet onderbouwd en hier zitten ook geen aanknopingspunten voor in het dossier. Nergens blijkt uit dat en waarom de warmtepomp geheel vernieuwd moest worden. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende gelegenheid heeft gehad dit te onderbouwen en ziet geen aanleiding om [eiseres] alsnog in de gelegenheid te stellen een nadere onderbouwing te geven.
De kantonrechter zal dan ook bepalen dat [gedaagde] niet het volledige bedrag aan [eiseres] hoeft te vergoeden. Omdat in de offerte/factuur van [bedrijf 3] geen uitsplitsing staat van de kosten voor de binnen- en buitenunit, zal de kantonrechter het te vergoeden bedrag begroten.
[eiseres] heeft alleen [gedaagde] aangesproken
De kantonrechter acht verder van belang dat [eiseres] niet de hoofdaannemer ( [bedrijf 1] ), met wie [eiseres] een overeenkomst had, of [bedrijf 2] in een procedure heeft betrokken, hoewel wel voor de hand had gelegen om niet alleen [gedaagde] in een procedure te betrekken. [eiseres] heeft [bedrijf 1] en [bedrijf 2] weliswaar (per e-mail) aansprakelijk gesteld voor de herstelkosten, maar [A] heeft op de mondelinge behandeling ook verklaard dat deze partijen hun handen ervan af trokken en [eiseres] daarom verder geen actie richting hen heeft ondernomen. Daarbij is ook relevant dat Bosch op de factuur van haar onderzoek heeft geschreven dat er onvoldoende ontluchtpunten aanwezig waren, hetgeen vermoedelijk ook is hersteld, en [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat niet hij maar [bedrijf 2] verantwoordelijk was voor het aanleggen van deze ontluchtpunten.
‘Nieuw voor oud’
Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding moet, zoals [eiseres] ter zitting heeft aangevoerd, verder rekening worden gehouden met de aftrek ‘nieuw voor oud’. In de conclusie van antwoord heeft de gemachtigde van [gedaagde] gesteld dat de levensduur van een warmtepomp ongeveer 15 jaar is. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling onderschreven dat de oudste warmtepomp die hij heeft gezien niet ouder dan 17 jaar is. [eiseres] heeft hier niets tegenin gebracht. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de oude warmtepomp in 3 jaar tijd dus voor 20 procent was afgeschreven en [eiseres] daar een nieuwe warmtepomp voor in de plaats heeft gekregen. Dat percentage moet daarom van het gevorderde bedrag worden afgehaald. Verder is, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, niet gesteld of gebleken dat de nieuwe warmtepomp gelijkwaardig is aan (en niet beter is dan) de oude warmtepomp. Er is bijvoorbeeld niets bekend over de kwaliteit, het merk of het type van de nieuwe warmtepomp die [bedrijf 3] in 2023 heeft geïnstalleerd.
De kantonrechter wijst € 3.500,00 aan schadevergoeding toe
Omdat het bedrag dat [eiseres] aan [bedrijf 3] heeft betaald dus niet één op één de schade is die zij daadwerkelijk als gevolg van het handelen van [gedaagde] heeft geleden zal de kantonrechter, rekening houdend met al hetgeen hiervoor is overwogen, de schade van [eiseres] schatten op een bedrag van € 3.500,00. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Wettelijke rente in plaats van wettelijke handelsrente
[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente over de schadevergoeding, maar dit kan niet worden toegewezen. De toe te wijzen schadevergoeding vloeit niet voort uit een handelsovereenkomst maar uit een onrechtmatige daad. De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 15 oktober 2024, zoals is gevorderd.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiseres] vordert vergoeding van € 909,30 aan buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Omdat een lager bedrag aan schadevergoeding wordt toegewezen dan [eiseres] heeft gevorderd zal € 475,00 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat een (veel) lager bedrag wordt toegewezen dan gevorderd ziet de kantonrechter aanleiding om het griffierecht en salaris gemachtigde aan te laten sluiten bij het toegewezen bedrag.
De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.259,21
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 3.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 475,00 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.259,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
61312