RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/592456 / HL ZA 25-118
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.C.J. Freijters,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [eiser] (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. W.H.J. Luijer.
1. Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 november 2025- de akte houdende uitlating producties van [eiseres] met producties 20 en 21- de akte van [eiser] .
Daarna is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Kern van de zaak
[eiser] is sinds 2006 eigenaar van een perceel grond met daarop een recreatiewoning (hierna ook te noemen: het chalet) op [eiseres] . Volgens [eiseres] woont [eiser] daar permanent en dat is niet toegestaan op grond van contractuele afspraken en het gemeentelijke bestemmingsplan. Daarom wil zij dat [eiser] de permanente bewoning beëindigt. De rechtbank geeft [eiseres]
grotendeels gelijk. [eiser] mag het chalet niet voor permanente bewoning gebruiken.
[eiseres] heeft een procesbelang
[eiser] heeft aangevoerd dat [eiseres] geen zelfstandig althans onvoldoende belang heeft bij het handhaven van een verbod op permanente bewoning, omdat het eerst en vooral een belang is dat door de nog op te richten Vereniging van Eigenaren (VvE) behartigd moet worden. De rechtbank overweegt dat een partij zonder voldoende belang geen vordering kan instellen. Daarom moet eerst worden gekeken of dit verweer van [eiser] opgaat.
De rechtbank vindt dat [eiseres] bij het uitbaten van haar recreatiepark in beginsel geacht mag worden belang te hebben bij handhaving van de bepalingen die zij, in het kader van haar exploitatie, in haar overeenkomsten en voorwaarden heeft opgenomen. [eiseres] exploiteert geen woonwijk, maar een recreatiepark en handhaving van het door [eiseres] gestelde verbod op permanente bewoning ondersteunt die exploitatie. [eiseres] heeft belang bij de nakoming en handhaving van de door haar gestelde afspraken en mag een schending daarvan ook aan de rechter voorleggen.
Er is afgesproken dat [eiser] niet permanent mag bewonen
Niet in geschil is dat [eiser] geen andere woning heeft en 365 dagen per jaar in zijn recreatiewoning op het park verblijft (vergelijk punt 3.3. van het tussenvonnis). Hij bewoont de recreatiewoning daarmee feitelijk permanent. [eiseres] en [eiser] verschillen van mening over het antwoord op de vraag of permanente bewoning is toegestaan. [eiseres] heeft vorderingen ingesteld met de bedoeling om, kort gezegd, een einde te maken aan de permanente bewoning van de recreatiewoning door [eiser] .
Aan haar vorderingen legt [eiseres] ten grondslag dat met [eiser] is afgesproken dat permanente bewoning niet is toegestaan. In feite vraagt [eiseres] in deze procedure nakoming van die gemaakte afspraak. [eiser] voert gemotiveerd verweer. Volgens [eiser] is dit niet afgesproken. Als het toch uit documenten mocht blijken dat dit zou zijn afgesproken, dan zijn er volgens [eiser] diverse redenen om hieraan voorbij te gaan.
De rechtbank heeft eerst gekeken wat er in de door [eiseres] overgelegde documenten staat over permanente bewoning. Gekeken is naar wat er staat in de akte van levering en de later bij akte door [eiseres] overgelegde aanvullende documenten, te weten de koopovereenkomst die is gesloten tussen partijen en het huishoudelijk reglement.
In de akte van levering staat:
Op pagina 2: RECREATIEF GEBRUIK
Volgens de huidige overheidsbepalingen is / zijn de opgerichte dan wel nog op
te richten recreatieverblijven uitsluitend bestemd voor recreatief gebruik en mag / mogen deze niet voor permanente bewoning worden gebruikt dan wel ingebruik worden gegeven. Een eigenaar of gebruiker, met een aannemelijk hoofdverblijf elders, dient zich te houden aan de terzake door de overheid gegeven en in de toekomst te geven voorschriften. Een eigenaar mag niet zodanig handelen dat zijn handelen ingevolge het bepaalde in de wet (Gemeentelijke basisadministratie) noopt tot inschrijving op een van de adressen van [eiseres] in het persoonsregister van de gemeente waaronder [plaats] valt. Op pagina 6 en 7:II. Met betrekking tot bestaande kettingbedingen, kwalitatieve verplichtingen
en erfdienstbaarheden (welke bij deze voorzover nodig alsnog worden gevestigd), bijzondere verplichtingen en in de plaatsstelling, wordt verwezen naar een akte houdende vaststelling kettingbedingen, kwalitatieve verplichtingen, vestiging erfdienstbaarheden en opsomming bestaande erfdienstbaarheden, bijzondere verplichtingen en in de plaatsstelling op tweeëntwintig april (…), waarin het volgende woordelijk is opgenomen: A. Begrippen (…)
5. eigenaar: een natuurlijk- of rechtspersoon met een aannemelijk hoofdverblijf elders, die van één of meer kavels het eigendomsrecht of beperkt zakelijk genotsrecht heeft.
Op pagina 16:11. Volgens de huidige overheidsbepalingen is / zijn de opgerichte dan wel nog op te richten recreatieverblijven uitsluitend bestemd voor recreatief gebruik en mag / mogen deze niet voor permanente bewoning worden gebruikt dan wel ingebruik worden gegeven. Een eigenaar of gebruiker, met een aannemelijk hoofdverblijf elders, dient zich te houden aan de terzake door de overheid gegeven en in de toekomst te geven voorschriften, waarbij geen juridische of welke andere bijstand door de verkoper zal worden verleend. Een eigenaar
mag niet zodanig handelen dat zijn handelen ingevolge het bepaalde in de wet (Gemeentelijke basisadministratie) noopt tot inschrijving op een van de adressen van [eiseres] in het persoonsregister van de gemeente waaronder [plaats] valt. Op pagina 24:17. Onverminderd het bepaalde in dit reglement is iedere eigenaar of gebruiker
verplicht zich te houden aan de verordeningen van de gemeente waartoe [eiseres] behoort, zoals het bestemmingplan ter plaatse, waarin het verbod op permanente bewoning is verwoord, of andere overheidsvoorschriften. 2.6.2. In de koopovereenkomst van 6 juli 2006 staat:
Artikel 6 3. Aan koper is voor het ondertekenen van deze overeenkomst een boekwerk ter hand gesteld, waarin opgenomen zijn de navolgende stukken: (…) e. huishoudelijk reglement [eiseres] (gedragsregels) [onderstreping door rechtbank] (…) 5. Koper verklaart met de inhoud van de stukken, hiervoor onder lid 3 genoemd, die geacht worden woordelijk in deze overeenkomst te zijn opgenomen en daarvan deel uit te maken, bekend te zijn en accoord te gaan. Deze stukken vormen een onverbrekelijk geheel met deze overeenkomst. [onderstreping door rechtbank] 6. Koper aanvaardt de uit dit boekwerk voortvloeiende lasten en beperkingen uitdrukkelijk. Daarnaast aanvaardt koper uitdrukkelijk die lasten en beperkingen kenbaar uit de openbare registers als hiervoor omschreven, die voor hem uit de feitelijke situatie kenbaar zijn en/of voor hem geen wezenlijk zwaardere belasting betekenen.
In het huishoudelijk reglement 2003 (hierna: huishoudelijk reglement) staat, voor zover relevant:
OPENINGSTIJDEN - Het [eiseres] is gedurende het gehele jaar geopend en toegankelijk voor de gebruikers van het [eiseres] , waarbij geacht wordt dat er gedurende de periode van 1 november tot 1 april geen overnachtingen plaatsvinden. [onderstreping door rechtbank] de faciliteiten van het [eiseres] zijn van 1 november tot 1 april gesloten. - De recreatie-eenheid mag niet voor permanente bewoning worden gebruikt dan wel in gebruik worden gegeven . [onderstreping door rechtbank]
De rechtbank constateert dat de akte van levering een koppeling maakt tussen het verbod op permanente bewoning en de ‘geldende overheidsregels’. [eiser] voert aan dat deze koppeling meebrengt dat hij permanent in het chalet mag blijven wonen, omdat het huidige beleid van de gemeente Wijdemeren is dat permanent wonen in een recreatiewoning wordt gedoogd. Dat houdt verband met het mogelijk in de toekomst van kracht worden van de Instructieregeling voor bewoning recreatiewoningen; daarbij krijgen gemeenten de opdracht van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om bestaande gevallen van (permanente) bewoning van recreatiewoningen toe te staan in het omgevingsplan. [eiseres] betoogt dat de aangekondigde Instructieregeling en het huidige gedoogbeleid van de gemeente niets afdoen aan de afspraak die [eiseres] en [eiser] onderling hebben gemaakt over het verbod op permanente bewoning. Die afspraak volgt niet alleen uit de akte van levering maar staat ook duidelijk in het huishoudelijk reglement, dat deel uitmaakt van de koopovereenkomst en waarmee [eiser] zich bekend en akkoord heeft verklaard. Uit het tweede aandachtsstreepje onder ‘openingstijden’ (zie hierboven in rechtsoverweging 2.6.3.) volgt dat permanente bewoning van de recreatiewoning niet is toegestaan, zonder dat daarbij een koppeling wordt gemaakt met geldende overheidsregels. Volgens [eiseres] houden privaatrechtelijke overeenkomsten, zoals deze afspraak, ongewijzigd stand. Zij doet daarbij een beroep op de Nota van Toelichting bij de Instructieregeling waarin dit met zoveel woorden is bepaald. 2.8. Bij de uitleg van overeenkomsten dient de zogenoemde Haviltex-maatstaf te worden gehanteerd. Dit komt erop neer dat de vraag wat partijen hebben afgesproken niet alleen kan worden beantwoord op grond van een taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst. Voor beantwoording van voornoemde vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1982, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Daarbij kunnen ook de omstandigheden van belang zijn die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de overeenkomst, mede omdat daaruit kan worden afgeleid wat partijen hebben bedoeld.
Vast staat dat de gemeentelijke regels die gelden sinds het sluiten van de koopovereenkomst in 2006, permanente bewoning van recreatiewoningen niet toestaan en dat [eiser] daarmee bekend was en is. Dat staat expliciet in de akte van levering en is ook door [eiser] erkend. Dit betekent echter niet dat het verbod op permanente bewoning onlosmakelijk verband houdt met die overheidsregels en zijn gelding verliest als die overheidsregels wijzigen of de gemeente die regels niet langer handhaaft, zoals [eiser] aanvoert. Het karakter van een recreatiewoning en het in de akte van levering genoemde ‘recreatief gebruik’ brengen ook met zich dat de recreatiewoning niet als permanente woning mag worden gebruikt. Zoals in de akte van levering is bepaald, ook bij de definitie van ‘eigenaar’ (zie hierboven in r.o 2.6.1.), dient [eiser] een ‘aannemelijk hoofdverblijf elders’ te hebben. Daaraan voldoet hij naar de mening van [eiseres] niet door zich enkel in te schrijven op het adres van zijn dochter terwijl hij dat adres helemaal niet of bijna nooit als woonruimte gebruikt. Dat heeft [eiseres] hem ook kenbaar gemaakt. Bovendien bepaalt het huishoudelijk reglement expliciet dat permanente bewoning van de recreatiewoning niet is toegestaan, zonder dat daarbij enige koppeling met of verwijzing wordt gemaakt naar overheidsregels. In dat reglement staat verder dat er gedurende een periode van vijf maanden geen overnachtingen plaatsvinden. Uit die bepalingen kan worden afgeleid dat bewoning van de recreatiewoning gedurende 365 dagen per jaar, zoals [eiser] al sinds 2006 doet, niet is toegestaan. In de koopovereenkomst is bepaald dat het huishoudelijk reglement daarvan onderdeel uitmaakt en [eiser] heeft zich met de inhoud daarvan bekend en akkoord verklaard. Iets anders dan een tussen partijen geldende afspraak tot een verbod op permanente bewoning mocht en mag [eiser] dan ook redelijkerwijs niet verwachten. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] er in de afgelopen paar jaren door zowel de gemeente als door [eiseres] ook herhaaldelijk op is gewezen dat permanente bewoning verboden was. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in hoe een (tijdelijk) gedoogbeleid van de gemeente het tussen partijen afgesproken verbod op permanente bewoning opzij kan zetten. Dat kan een Instructieregeling evenmin, zoals uit de hiervoor genoemde Nota van Toelichting blijkt.
[eiser] voert aan dat er verschillende versies van het huishoudelijk reglement zijn. Ter onderbouwing van dit verweer wijst hij erop dat in het huishoudelijk reglement uit 2021 niet meer is vermeld dat gedurende de periode van 1 november tot 1 april geen overnachtingen plaatsvinden. Door [eiser] is echter niet gesteld en evenmin is gebleken dat in latere huishoudelijke reglementen de meest relevante bepaling ontbreekt dat de recreatie-eenheid niet voor permanente bewoning mag worden gebruikt. [eiser] heeft ook niet gesteld dat het door [eiseres] ingebrachte exemplaar van het huishoudelijk reglement niet overeenkomt met het huishoudelijk reglement dat hij bij de koopovereenkomst heeft ontvangen. Hoewel [eiser] aanvoert dat hij zich niet kan herinneren dat hij toen een exemplaar van een huishoudelijk reglement heeft ontvangen, blijkt de ontvangst ervan en zijn akkoordverklaring daarmee uit de door hem ondertekende koopovereenkomst.
Verder betwist [eiser] dat hij gebonden is aan het huishoudelijk reglement. Volgens [eiser] kan [eiseres] geen rechten aan het huishoudelijk reglement ontlenen, omdat dit reglement bedoeld was om door een nog op te richten VvE te worden vastgesteld. Omdat die VvE nooit is opgericht, is het huishoudelijk reglement nooit vastgesteld, aldus [eiser] . De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Door artikel 6 van de koopovereenkomst is het huishoudelijk reglement rechtstreeks onderdeel gaan uitmaken van de afspraken tussen [eiseres] en [eiser] . Als [eiser] zich daar toen niet in had kunnen vinden, had hij toen bezwaar moeten maken. Dat hij dat gedaan heeft, is niet gesteld of op een andere manier gebleken. [eiseres] is dus met [eiser] overeengekomen dat permanente bewoning niet is toegestaan. Dat [eiseres] “niet thuis” geeft voor zover het gaat om het daadwerkelijk oprichten van een VvE, zoals [eiser] aanvoert, is in dit kader niet relevant en evenmin nader toegelicht. Dit verweer wordt gepasseerd.
De conclusie is dat [eiser] zich moet onthouden van permanente bewoning van zijn chalet.
Wat is permanente bewoning?
Maar wanneer is sprake van permanente bewoning? Daar bestaat geen landelijk eenduidige definitie van en die is ook in het gemeentelijke bestemmingsplan niet te vinden. Wel wordt daarbij aansluiting gezocht bij begrippen als ‘bewoning als hoofdverblijf’ (productie 17 van [eiseres] ). De rechtbank constateert dat in de akte van levering staat dat de ‘eigenaar niet zodanig mag handelen dat zijn handelen ingevolge het bepaalde in de wet (Gemeentelijke basisadministratie) noopt tot inschrijving op een van de adressen van [eiseres] in het persoonsregister van de gemeente’. Ook staat in de akte van levering dat er ‘een aannemelijk hoofdverblijf elders’ moet zijn. In haar vorderingen knoopt [eiseres] zowel aan bij het begrip ‘permanent wonen’ als bij het begrip ‘hoofdverblijf’. Zij vordert in het petitum van de dagvaarding onder I. een verklaring voor recht dat het [eiser] niet is toegestaan permanent in het chalet te wonen en dat hij dient te beschikken over een hoofdverblijf elders. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] desgevraagd toegelicht dat bij de gemaakte contractuele afspraak over een verbod op permanente bewoning en een hoofdverblijf elders hoort, dat deze niet wiskundig, bijvoorbeeld in aantal dagen per jaar dat in de recreatiewoning gewoond kan worden, is uit te leggen. [eiseres] beoogt om na een eventuele toewijzing van de vorderingen in gesprek te komen met [eiser] .
Kenmerkend voor permanent wonen lijkt te zijn dat men op die plek zijn hoofdverblijf heeft. Om vast te stellen of iemand in de recreatiewoning zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beoordeeld of er aanwijzingen zijn die daarop wijzen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat met hoofdverblijf in ieder geval wordt gedoeld op een plek die iemand voor een groot deel van het jaar als zijn woonruimte gebruikt. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het niet hebben van een hoofdverblijf in een andere woning, het ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) of een verblijf dat langer dan zes maanden per jaar duurt. Vast staat dat [eiser] al sinds jaar en dag gedurende 365 dagen per jaar in zijn chalet verblijft, dat als enige woonruimte gebruikt en dat hij geen andere woning heeft die hij - anders dan incidenteel - als woonruimte gebruikt. [eiser] stond ook jarenlang op het adres van de recreatiewoning ingeschreven bij de BRP. Het enkele feit dat hij zich recent op het adres van zijn dochter heeft ingeschreven, doet daar niet aan af. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard de woning van zijn dochter niet als woonruimte te gebruiken. Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, betekent dat aangenomen kan worden dat [eiser] zijn hoofdverblijf aantoonbaar in de recreatiewoning heeft. Daarmee handelt hij dus in strijd met het verbod op permanent wonen.
Een afwijkende afspraak is niet komen vast te staan 2.15. Als er op enig moment een afwijkende afspraak is gemaakt over permanente bewoning, kan dit maken dat het verbod voor [eiser] niet opgaat. [eiser] heeft aangevoerd dat hem bij de aanschaf van het perceel grond in 2006 door de toenmalige directeur van [eiseres] is voorgehouden dat permanente bewoning officieel niet was toegestaan, maar dat het wel was toegestaan om 365 dagen per jaar te recreëren. Dit wordt door [eiseres] uitdrukkelijk betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de huidige directeur van [eiseres] verklaard dat de toenmalige directeur zijn vader is en dat die fel tegen permanente bewoning is. [eiser] heeft zijn verweer op dit punt verder niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
[eiser] mocht er ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij permanent mocht bewonen
Verder heeft [eiser] erop gewezen dat hij al bijna twintig jaar gebruik maakt van het recht om 365 dagen per jaar te recreëren op het chaletpark en dat hij nooit op de permanente bewoning is aangesproken. [eiser] vindt dat hij er daarom op mocht vertrouwen dat hij de recreatiewoning permanent mocht bewonen. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Uit een e-mail van [eiseres] aan [eiser] van 13 januari 2023 blijkt dat [eiser] al sinds in ieder geval 2022 herhaaldelijk is meegedeeld dat hij op basis van gemeentelijke regels en tussen hem en [eiseres] gemaakte afspraken niet permanent mag wonen in de recreatiewoning, dat is geconstateerd dat hij dat toch doet en daar ook is ingeschreven, dat hij een aannemelijk hoofdverblijf elders moet hebben en zijn chalet slechts voor recreatiedoeleinden dient te gebruiken. Deze boodschap is in latere e-mails en brieven door [eiseres] herhaald. De rechtbank sluit niet uit dat er al eerder aanwijzingen zullen zijn geweest dat [eiser] de recreatiewoning bewoonde. Wat daarvan verder zij, [eiseres] hoefde de naleving van het verbod op permanente bewoning ook niet steeds nauwgezet te controleren om een beroep op de overeengekomen bepalingen te kunnen doen. Waar het in deze procedure om gaat, is of er bijzondere omstandigheden zijn die meebrengen dat [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [eiseres] van de bepalingen over permanente bewoning geen naleving zou verlangen. Daarvoor is, naar vaste rechtspraak, alleen stilzitten aan de zijde van [eiseres] onvoldoende. Gesteld noch gebleken is verder dat [eiseres] zelf iets specifieks heeft gedaan of nagelaten waardoor dat vertrouwen is gewekt. De wijze waarop [bedrijf] , een derde, adverteert en of op basis van diens aanbeveling/reclame (dat de chaleteigenaren 365 dagen per jaar op het chalet kunnen recreëren) wel kan worden gemeend dat permanente bewoning is toegestaan, speelt geen rol. Wat [bedrijf] verklaard heeft, is geen uitlating van [eiseres] en kan haar ook niet worden toegerekend. Nu uit de stellingen van [eiser] voortvloeit dat hij altijd permanente bewoning heeft beoogd, kan ook niet worden gezegd dat hij is benadeeld doordat juridische actie door [eiseres] jarenlang is uitgebleven; hij heeft immers evenzovele jaren het door hem beoogde gebruik van de recreatiewoning kunnen maken.
Geen willekeur
[eiser] voert tot slot nog aan dat het hem onduidelijk is waarom [eiseres] het verbod op permanente bewoning juist ten opzichte van hem wenst uit te oefenen. De rechtbank stelt voorop dat, zoals hiervoor is overwogen, [eiseres] in beginsel een belang heeft bij handhaving van de met [eiser] gemaakte afspraken. [eiser] kocht een perceel grond van [eiseres] om daarop een recreatiewoning te plaatsen en heeft geen rechtens te respecteren belangen gesteld die meebrengen dat [eiseres] moet aanvaarden dat hij aan die recreatiewoning, in weerwil van de contractsvoorwaarden, eenzijdig een ander karakter heeft gegeven. Nog los daarvan is door [eiseres] gemotiveerd betwist dat het verbod alleen ten opzichte van [eiser] wordt uitgeoefend. Er zijn meer bewoners aangesproken op het verbod en daarmee zijn inmiddels afspraken gemaakt. Van willekeur is dus geen sprake.
[eiseres] krijgt gelijk
De conclusie is dat [eiser] de recreatiewoning niet permanent mag bewonen. De in het petitum sub I gevorderde verklaring voor recht wordt in zoverre toegewezen. De daarin ook gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] dient te beschikken over een hoofdverblijf elders, zal worden afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is ondanks vragen van de rechtbank door [eiseres] niet duidelijk gemaakt welk belang zij bij die toevoeging heeft, anders dan dat zij meent dat daarmee wat meer duidelijkheid wordt verschaft. De rechtbank is het daar niet mee eens. Dat [eiser] niet permanent in de recreatiewoning mag wonen houdt als vanzelfsprekend in dat hij daar niet zijn hoofdverblijf kan hebben.
[eiseres] heeft in het petitum sub II primair gevorderd dat [eiser] wordt verboden gebruik te maken van zijn chalet, inclusief alle (park) voorzieningen, zo lang hij niet over een hoofdverblijf elders beschikt. Subsidiair wordt een verbod gevorderd om het chalet, inclusief alle (park) voorzieningen, als hoofdverblijf te gebruiken. Aan beide vorderingen koppelt [eiseres] een dwangsom van € 500,- per dag. Voorop gesteld wordt dat [eiser] het chalet recreatief mag gebruiken en daarbij gebruik kan maken van de parkvoorzieningen. Een volledig verbod daartoe zolang [eiser] niet over een hoofdverblijf elders beschikt, zal worden afgewezen omdat dit evident tot executieproblemen zal gaan leiden. Er is namelijk geen vastomlijnde definitie te geven van wat een hoofdverblijf elders is en wanneer daarvan precies sprake is, hoeveel dagen per jaar moet iemand daar dan verblijven? Daarop heeft [eiseres] zelf ook geen antwoord. Alle omstandigheden spelen daarbij een rol. De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat [eiser] op dit moment de recreatiewoning als hoofdverblijf gebruikt en deze daarmee permanent bewoont. Dat zal hem nu worden verboden en in zoverre wordt het subsidiair gevorderde (als hierna in het dictum bepaald) toegewezen. Daarbij overweegt de rechtbank dat aangesloten wordt bij de door De Vechthorst gekozen bewoordingen in haar vordering ‘als hoofdverblijf gebruiken’. Zoals hiervoor is overwogen, en zoals ook voor recht is verklaard, houdt dit in dat het [eiser] is verboden om het chalet permanent te bewonen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] laten weten dat zij zich kan voorstellen dat [eiser] eerst een periode van drie tot zes maanden vrijwillig de mogelijkheid krijgt om te doen wat is toegewezen. De rechtbank bepaalt de termijn waarop het verbod ingaat daarom op zes maanden na betekening van dit vonnis.
De dwangsom wordt toegewezen, maar wel gematigd en gemaximeerd 2.20. De hoogte van de dwangsom die [eiseres] heeft gevorderd is € 500,- per dag. Volgens [eiser] is de dwangsom te hoog. De rechtbank wijst de vordering toe, maar matigt de dwangsom tot € 250,- per dag met een maximum van € 10.000,00.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
Tot slot verweert [eiser] zich tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis. Het belang van [eiser] om in zijn recreatiewoning te mogen verblijven totdat onherroepelijk over dit geschil is beslist, is volgens [eiser] veel zwaarder dan het belang dat [eiseres] heeft bij onmiddellijke uitvoering van een te wijzen vonnis.
Het toetsingskader bij de beoordeling van een uitvoerbaarverklaring bij voorraad is dat de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Uitgangspunt is dat [eiseres] in beginsel belang heeft bij de door haar gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit belang moet slechts wijken voor het belang van [eiser] als daaraan in het licht van alle omstandigheden van het geval meer gewicht toekomt dan aan het belang van [eiseres] . Zoals hiervoor is overwogen, wordt [eiser] een termijn van zes maanden na betekening van dit vonnis gegeven om aan het vonnis te voldoen voordat het verbod ingaat en een dwangsom zal worden verbeurd. Gelet daarop ziet de rechtbank geen grond om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat [eiser] dit vonnis ook moet uitvoeren als hoger beroep wordt ingesteld.
[eiser] moet hoofdelijk de proceskosten betalen
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
121,02
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.656,52
De veroordeling wordt voor wat betreft de proceskosten hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat de heer [eiser] en mevrouw Verlaan niet alleen gezamenlijk maar ook ieder voor zich kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3. De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat het aan [eiser] niet is toegestaan om permanent in het chalet te wonen,
verbiedt [eiser] om, vanaf zes maanden na de dag van betekening van dit vonnis, gebruik te maken van zijn chalet op het terrein van [eiseres] , inclusief alle (park)voorzieningen, als hoofdverblijf,
veroordeelt [eiser] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling als genoemd in 3.2. voldoet tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
veroordeelt de heer [eiser] en mevrouw [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.656,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.