RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7762
(gemachtigde: W.F.A. Hopman),
en
(gemachtigden: A. Leyenhorst en M. Van der Linden).
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een ontheffing voor een werkvoertuig van de buurman van eiser en over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiseres. Eiseres is het niet eens met die verlening en met die afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiseres ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbende bij de aan haar buurman verleende ontheffing voor zijn werkvoertuig. Ook komt de rechtbank tot de conclusie dat onvoldoende gemotiveerd is dat geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft het college op 14 februari 2025 verzocht om handhavend op te treden tegen het parkeren van een bergvoertuig (het werkvoertuig) op het parkeerterrein achter haar woning. Het college heeft dit handhavingsverzoek met het besluit van 8 augustus 2025 afgewezen omdat er geen overtreding van enig wettelijk voorschrift is geconstateerd. Eiseres heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Op 21 augustus 2025 is aan de gebruiker van het werkvoertuig door het college een ontheffing verleend voor alle onderdelen van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ten behoeve van dat betreffende voertuig. Eiseres heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 17 november 2025 heeft het college beslist op zowel de bezwaren van eisers tegen de verleende ontheffing als tegen de afwijzing van haar handhavingsverzoek. Het college is bij de afwijzing van het verzoek om handhaving gebleven. Het bezwaar tegen de aan haar buurman verleende ontheffing heeft het college niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres niet als belanghebbende bij dat besluit kan worden aangemerkt.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De RVV-ontheffing
Wat zijn de standpunten en waar gaat het geschil over?
3. Het college stelt zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt dat eiseres geen belanghebbende is dit besluit. Het gestelde belang van eiseres zou zijn gelegen in het parkeren van het werkvoertuig op het parkeerterrein aan de [straat] , gelegen achter de woning van eiseres. Maar het college stelt in het bestreden besluit dat het parkeren op dat parkeerterrein bij de woning geen onderdeel uitmaakt van de ontheffing. Het voertuig mag daar volgens het college namelijk ook zonder de ontheffing gewoon staan. Van de uitoefening van de ontheffing op andere plaatsen ondervindt eiseres geen feitelijke gevolgen. Een persoonlijk belang ontbreekt daarom volgens het college.
4. Tijdens de zitting heeft het college dit standpunt nader verduidelijkt. Daarbij heeft het college er op gewezen dat in het dossier uitsluitend een uitdraai van de ontheffing zit. Op die uitdraai staat weliswaar dat het gaat om een vrijstelling van onderdelen van het RVV, maar dat is niet wat feitelijk bedoeld is. Met de vrijstelling wordt eigenlijk een ontheffing van artikel 3.42, vijfde lid, van de Verordening Fysieke Leefomgeving Huizen 2022 (VFL) gegeven. Dat betekent dat het in afwijking van artikel 3.42, eerste lid, van de VFL wel is toegestaan om dat voertuig te parkeren op door het college op grond van dat artikel aangewezen plaatsen. Dit staat niet op die manier op de uitdraai van de vrijstelling, omdat deze optie niet in het administratieve systeem van de handhavers staat. Daarom is in dat systeem gekozen voor een RVV-vrijstelling. In de notities bij dat systeem staat wél een nadere uitleg over de bedoeling van de ontheffing.
5. Op de zitting is ook na aanvullende vragen van de rechtbank over artikel 3.42 van de VFL niet duidelijk geworden of op het moment van het verlenen van de ontheffing al gebieden waren aangewezen waarbinnen het verboden was om grotere voertuigen te parkeren. Maar de rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat de gehele bebouwde kom, waaronder de [straat] , inmiddels wel als zodanig is aangewezen. Verder constateert de rechtbank dat het college beoogd heeft om een ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.42, vijfde lid, van de VFL, zodat met het voertuig binnen de aangewezen gebieden mag worden geparkeerd. Dat betekent dat met de ontheffing kennelijk beoogd is om te bewerkstelligen dat het werkvoertuig van de buurman op de [straat] kan staan.
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wel belanghebbende is bij die verleende ontheffing aan de buurman, omdat de effecten van de ontheffing (het parkeren achter haar huis) haar persoonlijke belangen schaden. Deze belangen onderscheiden zich volgens eiseres duidelijk van willekeurige derden of mensen die niet in de directe omgeving wonen.
De beoordeling door de rechtbank
7. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het zijn van belanghebbende van belang is of de betrokkene rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de situatie. Daarbij geldt dat de feitelijke gevolgen van enige betekenis moeten zijn. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, is de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen van belang. Ook moet het belang van betrokkene zich in voldoende mate onderscheiden van dat van andere omwonenden.
8. De rechtbank is van oordeel dat het college niet kan worden gevolgd in het standpunt dat eiseres geen belanghebbende is bij de verleende ontheffing aan haar buurman. Omdat het college heeft aangegeven dat met de ontheffing bedoeld is om het voor de buurman mogelijk te maken om – in weerwil van de VFL – zijn werkvoertuig achter de woningen te parkeren, ondervindt eiseres daarvan immers gevolgen van enige betekenis. Het werkvoertuig staat regelmatig in de directe omgeving achter haar woning geparkeerd, zij heeft daar (deels) uitzicht op en moet er langs lopen als zij haar woning aan de achterzijde verlaat. Eiseres onderscheidt zich daarom naar het oordeel van de rechtbank voldoende van anderen in de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijk gevolgen. Niet valt in te zien waarom eiseres onder deze omstandigheden geen bijzonder, individueel belang heeft bij een bezwaar tegen de verleende ontheffing. Het college heeft eiseres daarom ten onrechte niet aangemerkt als belanghebbende bij de aan de buurman verleende ontheffing.
9. Het college heeft het bezwaar van eiseres ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. Aan het eind van deze uitspraak zal de rechtbank uitleggen welke gevolgen dit heeft.
Het verzoek om handhaving Heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar de vraag of sprake was van een overtreding?
10. Eisers stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een overtreding, althans dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de door haar onderbouwd gestelde overtreding(en). Volgens haar is sprake van een overtreding van artikel 3.43 van de VFL omdat het voertuig wordt geparkeerd op een manier waardoor haar uitzicht op hinderlijke wijze wordt belemmerd of op andere wijze hinder veroorzaakt. Daarnaast levert parkeren van het werkvoertuig op deze wijze verkeersonveilige situaties op. Daardoor is tevens sprake van een overtreding van artikel 5 van de WVW 1994.
Welke artikelen worden volgens eiseres overtreden?
11. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar standpunt dat er tevens sprake is van een overtreding van artikel 3.42 van de VFL op zitting heeft laten vallen. Om die reden zal de rechtbank zich hier verder niet over uitlaten. Wel stelt eiseres dat sprake is van overtreding van artikel 3.43 van de VFL en artikel 5 van de WVW 1994.
12. Uit artikel 3.43, eerste lid, van de VFL volgt dat het niet is toegestaan een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
13. In artikel 5 van de WVW 1994 is bepaald dat het een ieder is verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
Wat vindt de rechtbank?
14. De rechtbank overweegt dat het volgens vaste rechtspraak aan de verzoeker om handhaving is om het bestuursorgaan enig aanknopingspunt te bieden voor onderzoek naar de vraag of degene jegens wie om handhaving wordt verzocht een overtreding begaat of heeft begaan. Het is vervolgens aan het bestuursorgaan om te onderzoeken of sprake was van een overtreding. Handhaving is een bevoegdheid maar ook de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Een handhavingsverzoek behoeft dan ook niet het bewijs te bevatten dat tot handhaving dient te worden overgegaan.
15. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in haar handhavingsverzoek aanknopingspunten heeft geboden aan het college voor onderzoek naar de vraag of sprake is van een overtreding. Vast staat dat eiseres concreet heeft aangegeven over welk voertuig het gaat, waar deze geparkeerd staat en welke regelgeving daarbij volgens haar wordt overtreden. Zo wijst zij in haar handhavingsverzoek op artikel 3.43 van de VFL en benoemt zij de belemmering van haar uitzicht en de risico’s voor de verkeersveiligheid. Ook heeft zij bij het verzoek diverse foto’s gevoegd om de situatie nader toe te lichten. Op deze foto’s is het werkvoertuig te zien die deels over het trottoir en buiten het parkeervak geparkeerd is. Dit betekent dat het college gehouden was om (nader) onderzoek te doen naar de door eiseres gestelde overtredingen.
16. Voor zover eiseres stelt dat sprake is van een overtreding van artikel 3.43 van de VFL omdat haar uitzicht op hinderlijke wijze wordt belemmerd door het werkvoertuig overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting heeft het college toegelicht dat artikel 3.43 van de VFL met name bedoeld is voor situaties waarbij een groot (werk)voertuig het gehele uitzicht vanuit de woonkamer van iemand belemmert. Uit het dossier en wat op de zitting is besproken volgt dat het werkvoertuig alleen is te zien vanuit haar werkkamer aan de achterzijde van de woning op de eerste verdieping. Eiseres ziet vanaf die kamer slechts een deel van het dak van het werkvoertuig. De rest van het voertuig gaat schuil achter haar eigen schuur en schutting. Het werkvoertuig blokkeert dus slechts een deel van het uitzicht van eiseres op het achtergelegen parkeerterrein en dan ook alleen bezien vanaf de eerste verdieping aan de achterzijde. De rechtbank is van oordeel dat het college zich gelet hierop op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit op zichzelf niet maakt dat sprake is van een overtreding van artikel 3.43 van de VFL. Het college heeft er daarbij terecht op gewezen dat er geen absoluut recht bestaat op een vrij uitzicht vanaf de eerste verdieping aan de achterzijde van een woning.
17. Eiseres heeft er verder op gewezen dat ook sprake is van een overtreding van artikel 3.43 van de VFL omdat haar als bewoner ’anderszins hinder of overlast is aangedaan’ in de zin van dat artikel. Daarbij wijst zij met name op het aspect van de (on)veiligheid door het parkeren van het voertuig.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is het college het standpunt dat ook in zoverre niet van een overtreding van artikel 3.43 van de VFL sprake is, onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.
19. Het college heeft in de beslissing op bezwaar toegelicht dat de verkeersveiligheid niet in het geding is. Volgens de bezwaarschriftencommissie staat het werkvoertuig meestal geparkeerd in de hoek van het parkeerterrein en blijft er voldoende ruimte over voor ander verkeer. De rechtbank is van oordeel dat het college met deze argumentatie miskent dat het de buurman vrij staat om het werkvoertuig op elke parkeerplek te parkeren bij de [straat] . Dat hij dit meestal in de hoek doet – wat overigens door eiseres wordt ontkend – betekent dus op zichzelf niet dat nader onderzoek naar de verkeersveiligheid niet noodzakelijk was. Verder is door het college ook op geen enkele wijze onderbouwd dat er voldoende ruimte is als het werkvoertuig op het parkeerterrein parkeert en dat de verkeersveiligheid dus niet in het geding is. Zo blijkt uit het dossier niet dat er verkeerskundig onderzoek is gedaan naar de ruimte voor ander verkeer en de ruimte op het trottoir. Het college heeft op zitting nog wel gezegd dat de situatie is bekeken door verkeersdeskundigen en dat daar een intern overleg over heeft plaatsgevonden, maar daarvan zijn geen stukken aan de rechtbank overgelegd. De rechtbank kan dit standpunt daarom ook niet controleren.
20. Ten aanzien van de gestelde overtreding van artikel 5 van de WVW 1994, constateert de rechtbank dat het college zich enkel op het standpunt heeft gesteld dat van een dergelijke overtreding geen sprake is. Dit standpunt is daarmee in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet nader gemotiveerd.
21. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank dan ook in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel tot stand is gekomen.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is gelet op wat hiervoor is overwogen gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het primair aan het college is om in het kader van de heroverweging een standpunt in te nemen over de vraag of zich ten aanzien van het werkvoertuig op het parkeerterrein een overtreding voordoet en daar nader onderzoek naar te doen met inachtneming van deze uitspraak. Ten aanzien van de verleende ontheffing zal het college het bezwaar van eiseres inhoudelijk moeten beoordelen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om binnen zes weken een nieuw besluit op de bezwaren te nemen, rekening houdend met deze uitspraak.
23. Omdat eiseres gelijk krijgt, moet het college het griffierecht vergoeden dat zij heeft betaald. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op om opnieuw op de bezwaren van eiseres te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.