ECLI:NL:RBMNE:2026:5864

ECLI:NL:RBMNE:2026:5864

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer UTR 26/3089
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Voorlopige voorziening over crisisopvang is gezien de omstandigheden in deze zaak toegewezen.

Uitspraak

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Buwalda Alilouch).

Inleiding

1. Verzoekster heeft voor haarzelf en haar zoons [A] en [B] op 26 maart 2025 een aanvraag gedaan voor opvang.

2. Verweerder heeft met het besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit 1) de aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo afgewezen, omdat verzoekster volgens verweerder niet beperkt is in haar zelfredzaamheid en zij haar leven en dat van haar zonen vorm kan geven. Er is volgens verweerder sprake van een huisvestingsprobleem.

3. Tijdens de zitting is toegelicht dat verweerder met een besluit van 16 april 2026 ook de aanvraag voor crisisopvang heeft afgewezen. Dit besluit is weliswaar ingetrokken/ gewijzigd met het besluit van 20 april 2026 (het bestreden besluit 2), maar hiermee is alsnog crisisopvang geweigerd. Het gezin van verzoekster voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden, omdat er niet aantoonbaar sprake zou zijn van een binding van twee jaar of langer met de gemeente Almere. Ook zou onvoldoende zijn gebleken dat verzoekster geen andere opvangmogelijkheden binnen haar netwerk heeft.

4. Als noodoplossing heeft verzoekster met haar twee zonen van het Rode Kruis onderdak gekregen van 21 april 2026 tot 5 mei 2026 in het [hotel] in [plaats] . Tijdens de zitting is meegedeeld dat verzoekster en haar zoons eventueel (in afwachting van deze uitspraak) wel tot en met 11 mei 2026 in dit hotel kunnen blijven, maar niet veel langer.

5. Verzoekster heeft zowel bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit 1 als tegen het bestreden besluit 2 en hangende beide bezwaarprocedures een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorlopige voorziening over de opvang op grond van de Wmo is geregistreerd onder kenmerk UTR 26/3014 en over de crisisopvang onder kenmerk UTR 26/3089.

6. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster en haar gemachtigde deelgenomen, evenals de gemachtigde van verweerder. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechter op verzoek van verzoekster met haar zoon [B] , geboren [2009] , gesproken. Een samenvatting van dit gesprek is met partijen gedeeld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dat gaat over de crisisopvang met kenmerk UTR 26/3089 toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Omvang van het geding

8. Het is tussen partijen niet in geschil dat verzoekster een melding heeft gedaan en heeft gevraagd om (nood)opvang voor het hele gezin met beide zonen. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat onder ‘het gezin’ alleen de ouder(s) met minderjarige kinderen vallen. Dit betekent volgens verweerder dat de noodopvang geen betrekking kan hebben op verzoekster haar meerderjarige zoon [A] (geboren [2005] ). Dit is echter niet schriftelijk vastgelegd en daarover is in het bestreden besluit ook niets overwogen. De voorzieningenrechter gaat er daarom in het kader van deze spoedprocedure voorlopig vanuit dat de voorlopige voorziening betrekking heeft op verzoekster en haar beide zonen.

Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij deze procedure?

9. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet daarom eerst kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.

10. Als spoedeisend belang heeft verzoekster in eerste instantie genoemd dat zij met haar zoons op 5 mei 2026 op straat komt, omdat de opvang van het Rode Kruis dan zou eindigen. Dit is onderbouwd met een e-mail van 24 april 2026 van het Rode Kruis. Tijdens de zitting is toegelicht dat het Rode Kruis de opvang (vanwege deze procedure) nog korte tijd kan verlengen. Daarnaast is aangevoerd dat als daadwerkelijk sprake is van dakloosheid het risico bestaat dat de jongste zoon ( [B] ) elders geplaatst wordt. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat er geen spoedeisend belang is aangezien verzoekster en haar zonen onderdak hebben en niet uitgesloten is dat het Rode Kruis deze opvang nog langer zal verlengen.

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat er een reëel risico bestaat op dakloosheid op zeer korte termijn van verzoekster en haar zonen. Voldoende aannemelijk is dat de opvang door het Rode Kruis van tijdelijke aard is, wat ook blijkt uit de brief van het Rode Kruis.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat verblijf in de crisisopvang volgens verweerder gebaseerd is op buitenwettelijk begunstigend beleid dat tot op heden niet op schrift is gesteld. Dit beleid is bedoeld voor gezinnen die door onvoorziene omstandigheden dakloos worden. In het bestreden besluit 2 zijn 7 criteria opgenomen waar allemaal aan voldaan moet worden. Er moet sprake zijn van dakloosheid buiten eigen schuld om, een binding van twee jaar of langer met de gemeente Almere, een legale verblijfstatus, medewerking aan een transparant onderzoek, bereidheid tot hulpverlening, onvoldoende financiële middelen en er mogen geen andere opvangmogelijkheden zijn. Volgens verweerder heeft verzoekster geen binding met de gemeente Almere van twee jaar of langer en er zou onvoldoende zijn gebleken dat er geen andere opvangmogelijkheden zijn binnen het eigen netwerk.

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder het beleid waar hij zich op baseert tot op heden niet op schrift heeft gesteld. Daar komt bij dat het bestreden besluit 2 niet of nauwelijks een motivering bevat. Zo is niet verduidelijkt waarom aangenomen kan worden dat verzoekster nog langer opvang kan krijgen binnen het eigen netwerk. Dit terwijl verzoekster al vanaf begin februari 2026 heeft meegedeeld dat de mogelijkheden in het eigen netwerk zijn uitgeput en de opvang eindig is. Zij kon uiteindelijk op 21 april 2026 nergens meer terecht en heeft toen met haar kinderen van het Rode Kruis opvang gekregen in een hotel. Dit om acute dakloosheid te voorkomen. Dat verzoekster geen inzicht zou willen geven in haar netwerk is door verweerder ter zitting gesteld, maar blijkt niet uit de in deze procedure overgelegde processtukken.

Ook blijft onduidelijk waarom verzoekster geen binding met de gemeente Almere zou hebben en waar een dergelijke binding aan moet voldoen. Tijdens de zitting heeft verweerder meegedeeld dat van de inschrijving in de basisregistratie personen (brp) wordt uitgegaan, omdat dit het meest objectieve bewijsstuk zou zijn. Dit laatste is echter niet vermeld in het bestreden besluit. Bovendien sluit dit niet uit dat een binding met de gemeente Almere ook op andere manieren aannemelijk gemaakt kan worden. Verzoekster heeft verschillende stukken overgelegd onder andere van organisaties die in Almere gevestigd zijn. Zo is er een brief van stichting Buitengewoon Almere van april 2026 waarin staat dat verzoekster al vanaf 21 oktober 2021 cliënt is van de voedselbank. Ook is er een brief van 28 april 2026 van stichting My Story, gevestigd te Almere, waarin staat dat verzoekster en haar kinderen sinds 1 februari 2024 bij de stichting onder begeleiding zijn. Daarnaast is er betrokkenheid van de Raad voor de Kinderbescherming geweest. In het rapport hierover van 3 november 2020 staat dat verzoekster en haar kinderen op dat moment feitelijk verblijf hadden op een adres in [plaats] . Verder is er een OTS rapportage van het Leger des Heils aanwezig van 11 oktober 2021, waarin eveneens een adres in [plaats] is vermeld van verzoekster en haar kinderen. Daarbij heeft verzoekster meegedeeld dat haar jongste zoon op dit moment in Almere op school zit en haar oudste zoon ook naar school is gegaan in Almere. Er zou gebruik zijn gemaakt van leerlingenvervoer.

14. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder, in het licht van de uitgebreide argumenten en stukken van verzoekster, de twee afwijsgronden met het bestreden besluit 2, het verweerschrift en de verklaring ter zitting onvoldoende heeft gemotiveerd. Tijdens de zitting is meegedeeld dat mogelijk ook andere afwijsgronden kunnen worden tegengeworpen, maar deze missen op dit moment in het geheel een motivering. Nu een deugdelijke motivering ontbreekt is er sprake van een motiveringsgebrek waarvan op dit moment niet kan worden beoordeeld of deze in bezwaar volledig hersteld kan worden.

De belangenafweging

15. De voorzieningenrechter stelt vast dat de uitkomst van de bezwaarprocedure gelet op het hiervoor overwogene onzeker is. Om deze reden zal de voorzieningenrechter op basis van een belangenafweging beoordelen of het treffen van een voorlopige voorziening geboden is. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter de volgende omstandigheden. Aan de kant van verweerder speelt het belang van een strikte toepassing van het buitenwettelijk beleid gelet op de vele aanvragen en maar beperkte plekken. De drie woningen die als noodopvang dienen zitten vol. Aan de zijde van verzoekster speelt het belang dat zij niet met haar zonen op straat komt te staan. Verzoekster verblijft op dit moment met haar kinderen weliswaar in een hotel op basis van een door het Rode Kruis getroffen noodoplossing, maar aannemelijk is dat dit 11 mei 2026 eindigt en er is niet gebleken van een andere (tijdelijke) oplossing binnen het netwerk van verzoekster. Daarmee komen verzoekster en haar kinderen of gezamenlijk op straat te staan of wordt het gezin uit elkaar gehaald aangezien Veilig Thuis al heeft aangekondigd bij dakloosheid in te grijpen ten aanzien van de minderjarige [B] . Deze gevolgen zijn zo groot dat deze opwegen tegen de door verweerder gestelde belangen. Om deze redenen valt de belangenafweging in het voordeel van verzoekster uit.

Conclusie

16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek met kenmerk UTR 26/3089 dat gaat over de crisisopvang toe.

17. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit 2 van 20 april 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

18. Daarnaast treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verweerder verzoekster en haar zonen [A] en [B] met ingang van 11 mei 2026 tot zes weken na het bekendmaken van de beslissing op bezwaar hierover crisisopvang moet bieden. De ingangsdatum van 11 mei 2026 sluit aan bij de mededeling dat verzoekster tot deze datum bij het Rode Kruis kan verblijven. Hiermee heeft verweerder gelegenheid crisisopvang te regelen en kan een goede overgang plaatsvinden.

19. De voorzieningenrechter bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 1.868,-.

20. De voorzieningenrechter heeft apart een uitspraak gedaan over de gevraagde voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen de afgewezen opvang op grond van de Wmo (met kenmerk: UTR 26/3014).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 20 april 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder met ingang van 11 mei 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar verzoekster en haar zonen [A] en [B] crisisopvang moet bieden;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. van den Broek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand