RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2026 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1876
Maatschap [verzoekster 1] en [verzoekster 2], te [plaats] , verzoekster,
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om voorlopige voorziening van
2 maart 2026 tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2026.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien de rechtbank kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. In dit geval is het griffierecht € 397,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft verzoekster op 12 maart 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekster het griffierecht uiterlijk binnen twee weken, of als de zitting eerder is, uiterlijk voorafgaande aan de zitting moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk kan verklaren als verzoekster het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Deze brief is volgens de track and trace bezorgd waarbij voor ontvangst is getekend op 14 maart 2026.
5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoekster heeft daar geen reden voor gegeven.
6. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandelen. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
E.H.M. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: