RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/611415 / FA RK 26-970
Voorlopige voorzieningen
Beschikking van 28 juli 2026
in de zaak van:
[de man] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. D.R.M. Linders,
tegen
[de vrouw] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Gruiters.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de man (met bijlagen), binnengekomen op 11 mei 2026;
het bericht van de vrouw van 9 juni 2026;
de brief van de man van 10 juni 2026;
het verweerschrift van de vrouw (met bijlagen 1 tot en met 22) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 8 juli 2026;
het verweerschrift van de man (met bijlagen 13 tot en met 16) op de zelfstandige verzoeken van de vrouw en aanvullende verzoeken van 9 juli 2026;
het bericht van de vrouw van 10 juli 2026.
De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig: partijen met hun advocaten.
2. Waar deze procedure over gaat
De ouders zijn met elkaar getrouwd.
De ouders hebben samen vier kinderen:
[meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] .
De ouders willen scheiden. De man vraagt de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
De man verzoekt – na aanvulling van zijn verzoeken – de rechtbank om:
primair:
I. een voorlopige zorgregeling vast te stellen, waarbij de man in de even weken van vrijdag 18:00 uur tot en met zondag 18:00 uur voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zorgt
subsidiair:
II. een zodanige regeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren dan wel een raadsonderzoek te gelasten, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming antwoord geeft op de vraag welke zorgregeling tussen de man en de kinderen in het belang van de kinderen is;
III. te bepalen dat:
- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] in [plaats] , gedurende de tijd dat de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn;
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] in [plaats] , gedurende de tijd dat de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw zijn.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en wil dat de verzoeken van de man worden afgewezen. Zij verzoekt de rechtbank – bij wijze van zelfstandige verzoeken – om:
te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning in [plaats] voor de duur van het geding;
te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verweerschrift met zelfstandig verzoek een bedrag van € 326,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
De man verzoekt de rechtbank om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel de verzoeken af te wijzen en de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op een zo laag mogelijk bedrag vast te stellen, met ingang van de datum van de beschikking in deze voorlopige voorzieningen.
De vrouw heeft naar aanleiding van het verweerschrift van de man nog een voorwaardelijk verzoek ingediend voor een partneralimentatie van € 753,- per maand.
3. De beoordeling
De zorg voor de kinderen en de woning
De rechtbank overweegt dat de ouders, als blijk van vertrouwen naar elkaar, hun verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en het gebruik van de echtelijke woning tijdens de zitting hebben ingetrokken. Dit betekent dat op deze verzoeken geen inhoudelijke beoordeling en beslissing van de rechtbank meer nodig is.
Afspraak over het contactherstel
De rechtbank neemt dus geen beslissing over de zorgregeling, maar de ouders hebben tijdens de zitting wel afspraken gemaakt over het contact tussen de man en de kinderen. Beide ouders hebben uitgesproken dat het belangrijk is om toe te werken naar contactherstel tussen de man en de kinderen, waarbij de ouders het ook eens zijn geworden over de eerste stap die daarin genomen moet worden. Iedereen is het erover eens dat de kinderen in de gelegenheid gesteld moeten worden om contact te hebben met de man als dit op een veilige en verantwoorde manier kan plaatsvinden. Op de zitting is daarom afgesproken dat de man, indien nodig met behulp van zijn advocaat, contact zal opnemen met het Buurtteam met het verzoek om het contactherstel tussen de man en de kinderen te begeleiden. Hierbij vindt de rechtbank het belangrijk dat er wordt gekeken naar ieder kind op individueel niveau. De kinderen hebben namelijk ieder voor zich andere behoeften in het contact met de man. De rechtbank merkt op dat [meerderjarige] inmiddels meerderjarig is, maar ook voor hem is het belangrijk dat het contact met de man wordt hersteld. De man kan in zijn hulpvraag aan het Buurtteam ook [meerderjarige] betrekken. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zullen meewerken en dat zij de aanwijzingen van het Buurtteam zullen opvolgen. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd zich, ondanks de weerstand van de kinderen, in te zetten voor datgene wat door het Buurtteam van haar wordt gevraagd om het contact tussen de man en de kinderen mogelijk te maken en ondersteunen.
Verder hebben de ouders op de zitting afgesproken dat de vrouw de man per e-mail zal laten weten welke zaken belangrijk zijn in het leven van de kinderen. De ouders zijn het met elkaar eens dat het contactherstel tussen de man en de kinderen de meeste kans van slagen heeft als de man tijdens de contactmomenten voldoende bij de kinderen kan aansluiten. Daarvoor is nodig dat de man op de hoogte is van wat er speelt in het leven van de kinderen. Dit geeft de man namelijk handvatten voor de contactmomenten. De man heeft tijdens de zitting ingestemd met een effectieve communicatie via e-mail met de vrouw, als dat nodig of handig is door middel van een nieuw e-mailadres. De rechtbank vindt het positief dat de ouders deze afspraken samen hebben kunnen maken. Deze afspraken komen niet in de beslissing van deze beschikking te staan, maar het zijn wel geldende afspraken tussen partijen. De rechtbank vertrouwt erop dat de ouders deze afspraken ook nakomen in het belang van de kinderen.
De kinderalimentatie
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot het wijzigen van de kinderalimentatie afwijzen. Dit betekent dat de man een bedrag van € 210,- per kind per maand aan de vrouw moet blijven betalen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn.
Juridisch kader
De ouders zijn overeengekomen dat de man gedurende de echtscheidingsprocedure met ingang van 1 april 2026 een kinderalimentatie betaalt aan de vrouw ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 210,- per kind per maand. De man is deze overeenkomst ook nagekomen. Tussen de ouders is een geschil ontstaan over de kinderalimentatie die de man betaalt.
Artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) regelt onder welke voorwaarden een dergelijke overeenkomst gewijzigd kan worden. Een alimentatieovereenkomst kan op grond van artikel 1:401 lid 1 BW worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of op grond van artikel 1:401 lid 5 BW als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
Met een wijziging van omstandigheden wordt bedoeld dat de omstandigheden waar partijen bij het sluiten van de overeenkomst van uit zijn gegaan op een later moment zijn veranderd. Bovendien moet die wijziging meebrengen dat de overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij geldt dat de rechter vrij is te beoordelen of en zo ja aan welke omstandigheden hij bij zijn beslissing over het verzoek tot wijziging betekenis wil toekennen.
Onder een grove miskenning van de wettelijke maatstaven wordt verstaan dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en de bijdrage die partijen zijn overeengekomen. Daarbij is van belang dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven, omdat niet ten nadele van het kind daarvan mag worden afgeweken. Ook niet als die afwijking bewust is geweest. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank bij de beoordeling van een wijzigingsverzoek zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven (behoefte en draagkracht) zonder gebonden te zijn aan wat partijen in de alimentatieovereenkomst hebben afgesproken.
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat zij eerder akkoord is gegaan met de overeengekomen kinderalimentatie onder de voorwaarde dat de man geen voorlopige voorzieningenprocedure zou starten. Daarnaast beroept de vrouw zich op beide gronden uit de wet, zoals hiervoor genoemd.
Het voorbehoud
De vrouw stelt dat zij eerder akkoord is gegaan met een kinderalimentatie van € 210,- per kind per maand, onder het voorbehoud dat de man geen voorlopige voorzieningen aan de rechtbank zou vragen. Nu de man ten aanzien van de zorgregeling de rechtbank om voorlopige voorzieningen vraagt, is de vrouw van mening dat de kinderalimentatie ook opnieuw moet worden beoordeeld.
De rechtbank volgt deze stelling van de vrouw niet. De wet kent twee gronden voor wijziging van overeengekomen kinderalimentatie. Het voorbehoud dat de vrouw noemt maakt dit niet anders. Dit betekent dat de rechtbank in dit voorbehoud alleen geen aanleiding ziet om de kinderalimentatie opnieuw te berekenen, als aan de wettelijke gronden niet is voldaan.
Geen wijziging van omstandigheden
De rechtbank vindt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de overeenkomst niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De vrouw geeft niet concreet aan wat er is gewijzigd en waarom deze wijziging relevant is voor de hoogte van de kinderalimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een wijziging van omstandigheden waardoor de kinderalimentatie opnieuw zou moeten worden berekend.
Geen grove miskenning van de wettelijke maatstaven
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Bij de totstandkoming van de alimentatieovereenkomst zijn de ouders bijgestaan door hun advocaten. Bij de berekening is uitgegaan van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de beide ouders. Het bedrag dat is afgesproken sluit aan bij de berekening die beide partijen hebben overgelegd, behalve voor wat betreft het woonbudget. (Het verschil van inzicht ten aanzien van de onregelmatigheidstoeslag van de vrouw is te klein om een grove miskenning of significant verschil op te leveren). De vrouw betoogt dat niet met het woonbudget moet worden gerekend maar met daadwerkelijke kosten. De man betwist dat. De rechtbank overweegt dat het hanteren van een woonbudget in de alimentatieberekening aansluit bij de landelijk gehanteerde alimentatienormen. Los van het antwoord op de vraag of er verdedigbare argumenten zijn om in een individueel geval met werkelijke woonlasten te rekenen in plaats van met dit woonbudget, maakt het feit dat het woonbudget is gehanteerd bij de berekening van de overeengekomen kinderalimentatie niet dat de wettelijke maatstaven grovelijk zijn miskend.
Conclusie
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat zich geen wettelijke gronden voordoen voor wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie. Dit betekent dat de afspraken tussen partijen over de kinderalimentatie in stand blijven. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
De partneralimentatie
Het verzoek van de vrouw met betrekking tot de partneralimentatie zal de rechtbank afwijzen, omdat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
De vrouw heeft in een aanvullend bericht gevraagd om een partneralimentatie van € 753,- per maand. Zij heeft daarbij geen stellingen ingenomen over haar behoefte en/of de draagkracht van de man. Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij op basis van de hof-norm een beperkte behoefte heeft van € 89,- per maand. Het is voor de rechtbank onduidelijk hoe de vrouw dit heeft berekend. Op de vrouw rust de verplichting haar verzoek te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.
4. De beslissing
wijst de verzoeken van de vrouw af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. F.C. Burgers, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. E.M. Satumalaij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!