Stichting 1575, uit Oudewater, verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater (het college), verweerder
(gemachtigde: S. de Rijke).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Beheer Zwembad Oudewater (SBZO) (vergunninghoudster), uit Oudewater.
Inleiding
1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning die het college met het besluit van 29 mei 2026 aan vergunninghoudster heeft verleend voor ‘het nieuwbouwen van een zwembad nabij [locatie] , Oudewater’. De vergunning is verleend voor de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit.
2. Verzoekster is het niet eens met de bouw van het zwembad en heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen zodat de omgevingsvergunning wordt geschorst.
3. Het verzoek is behandeld op de zitting van 22 juli 2026. Namens verzoekster was daarbij [A] , bestuurder, aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. de Rijke, bijgestaan door [B] , juridisch adviseur bij de gemeente Oudewater en [C] , projectleider bij de gemeente Oudewater. Voor vergunninghoudster is [D] , voorzitter, verschenen.
4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
6. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
7. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek in de bezwaarfase de kans dat het bezwaarschrift van verzoekster leidt tot herroeping van de omgevingsvergunning.
9. Om een voorlopig oordeel daarover te kunnen geven moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoekster belanghebbende is in bezwaar. Alleen belanghebbenden kunnen bezwaar maken tegen een besluit. Als verzoekster geen belanghebbende is, dan komt het college niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar van verzoekster. Het bezwaar van verzoekster zal in dat geval niet kunnen leiden tot herroeping van de omgevingsvergunning. Er is dan geen ruimte voor de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
10. De voorzieningenrechter overweegt dat om te kunnen bepalen of het belang van verzoekster rechtstreeks is betrokken bij de verleende omgevingsvergunning, naast de statutaire doelstellingen van verzoekster, van belang is of verzoekster feitelijke werkzaamheden heeft verricht met het oog op de behartiging van haar doelstellingen. Uit de statuten volgt dat verzoekster onder meer tot doelstelling heeft het verbeteren en beschermen van het woon- en leefklimaat in Oudewater en haar buitengebied, met inbegrip van ruimtelijke ordening, milieubescherming en stedelijke ontwikkeling en het behartigen van de collectieve belangen van inwoners en andere betrokkenen bij beleids- en
besluitvormingsprocessen die impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van Oudewater waaronder begrepen het buitengebied van Oudewater. Gelet op deze ruim geformuleerde doelstelling wordt grotere betekenis gehecht aan de aard en omvang van de feitelijke werkzaamheden.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er bij verzoekster onvoldoende sprake is van feitelijke werkzaamheden met het oog op behartiging van haar doelstellingen. Uit de website en Facebookpagina van de stichting blijkt niet of nauwelijks van feitelijke werkzaamheden. De voorzieningenrechter heeft verzoekster daarom, voorafgaand aan de zitting, per brief van 14 juli 2026 verzocht een nadere toelichting te geven over de feitelijke werkzaamheden die de stichting ter uitvoering van haar statutaire doelstelling heeft verricht in de periode tussen 15 mei 2025 (de datum van oprichting) en 25 juni 2026 (het indienen van het bezwaarschrift tegen de verleende vergunning) en deze toelichting te onderbouwen met stukken. Op 17 juli 2026 heeft verzoekster een activiteitenoverzicht overgelegd met daarbij een aantal onderbouwende stukken. De voorzieningenrechter constateert dat op basis van deze overgelegde stukken maar drie activiteiten van na de oprichting van de stichting kunnen worden vastgesteld. Het gaat daarbij om:
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze activiteiten te gering zijn om te kunnen spreken van voldoende feitelijke werkzaamheden om als belanghebbende te worden aangemerkt. Weliswaar bestaat de stichting pas een jaar, maar deze periode is voldoende om in een substantiëlere vorm activiteiten te verrichten. Dat, zoals door verzoekster op de zitting nog is naar voren gebracht, ook inwoners van Oudewater met zorgen of bezwaren over projecten binnen Oudewater bij de stichting aankloppen om hun belangen te behartigen, is daarvoor onvoldoende. Het gaat namelijk om de vraag wat de stichting zelf aan werkzaamheden heeft verricht.
13. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard zal worden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal het bezwaar van verzoekster daarom niet leiden tot herroeping van de verleende omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: