ECLI:NL:RBMNE:2026:5887

ECLI:NL:RBMNE:2026:5887

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer UTR 25/2016
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Wht, beroep is niet-ontvankelijk, lichte toets is ingehaald door de integrale beoordeling, geen procesbelang, geen proceskostenvergoeding

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht.

Samenvatting

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2016

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),

en

(mr. drs. [gemachtigde] )

1. Eiseres heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wet herstel toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen heeft besloten dat eiseres niet kan worden aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en dus geen aanspraak maakt op het compensatiebedrag van € 30.000,- uit de Catshuisregeling. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij deze procedure. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot het oordeel komt dat het beroep niet-ontvankelijk is en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag, omdat zij meent dat zij een gedupeerde is van de toeslagenaffaire. De Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 12 januari 2023 vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op toekenning van het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde. Dienst Toeslagen heeft voorafgaand aan de zitting meegedeeld niet bij de zitting aanwezig te zijn.

Na behandeling op zitting is de uitspraaktermijn verlengd. De rechtbank heeft in de verlengde termijn geen uitspraak kunnen doen. Op 24 juni 2026 is partijen gevraagd of zij er bezwaar tegen hebben dat het beroep door een andere rechter zal worden behandeld, waarbij de rechtbank een nieuwe mondelinge behandeling niet nodig achtte. Geen van de partijen heeft laten weten hier bezwaar tegen te hebben, daarom heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet opnieuw behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

3. Eiseres heeft voor de jaren 2009 tot en met 2011 kinderopvangtoeslag ontvangen. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is later naar beneden bijgesteld. Dienst Toeslagen heeft na een eerste onderzoek (de zogenoemde lichte toets) vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, vierde lid, van de Wht en dat eiseres daarom geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wht. De Dienst Toeslagen legt daaraan ten grondslag dat eiseres geen gedupeerde is. Weliswaar is de kinderopvangtoeslag van eiseres in de jaren 2009 tot en met 2011 naar beneden bijgesteld, maar dat was naar aanleiding van door eiseres zelf aangeleverde informatie dan wel een wijziging in het toetsingsinkomen.

Heeft eiseres procesbelang?

4. De rechtbank moet eerst ambtshalve beoordelen of eiseres voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit.

5. Op grond van vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat eiseres met het indienen van een beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijk betekenis kan hebben. Dus of eiseres met het indienen van het beroep er beter van kan worden. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

6. Dit beroep gaat over de zogenaamde ‘lichte toets’. Deze toets wordt gevolgd door een integrale beoordeling, waarin uitgebreider wordt gekeken of iemand gedupeerde is. In dit geval heeft die integrale beoordeling al plaatsgevonden. In een besluit van 26 juni 2025 is vastgesteld dat eiseres geen gedupeerde is en geen recht heeft op een vergoeding.

7. Met dit besluit is de ‘lichte toets’ in wezen ingehaald door de latere integrale beoordeling. Dit betekent dat eiseres met het beroep tegen de afwijzing van de lichte toets niet meer kan bereiken dat zij alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt. Daarvoor zou het namelijk nodig zijn dat de uitkomst van de integrale beoordeling wordt dat eiseres gedupeerde is. De uitkomst van de integrale beoordeling bepaalt of eiser uiteindelijk wel of niet als gedupeerde kan worden aangemerkt. Om alsnog als een gedupeerde te kunnen worden aangemerkt en daarmee aanspraak te kunnen maken op tenminste de € 30.000,- moet eiseres haar gronden in de procedure over de integrale beoordeling aanvoeren. Dit staat ook in uitspraken van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de raad van State (de Afdeling), van 26 februari 2026.

8. Eiseres voert desondanks aan dat zij meent nog wel procesbelang te hebben bij een beoordeling van het besluit over de “lichte toets”. Zij stelt hierover dat zij het besluit van 26 juni 2025 niet heeft ontvangen. Eiseres was er tot de dag voor de zitting niet van op de hoogte was dat er al een definitieve beschikking was genomen en heeft daarom niet tijdig bezwaar kunnen maken tegen integrale herbeoordeling. Dat betekent dat deze procedure de enige procedure is om inhoudelijk aan de orde te stellen of eiseres gedupeerde is en dus aanspraak maakt op het compensatiebedrag van € 30.000,- uit de Catshuisregeling.

9. De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling eenduidig volgt, dat eiseres geen procesbelang heeft bij deze procedure. Dat eiseres nog geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 26 juni 2025, maakt het oordeel niet anders. Eiseres kan immers met dit beroep nooit bereiken dat zij alsnog als gedupeerde wordt aangemerkt. Daarnaast staat er voor eiseres nog een rechtsmiddel open. Eiseres kan bezwaar maken tegen de beslissing van 26 juni 2025 en daarin onderbouwen waarom zij te laat bezwaar maakt. Bij een verschoonbaar te laat ingediend bezwaar kan zij haar inhoudelijke gronden tegen het besluit aanvoeren.

10. Het voorgaande betekent dat eiseres geen procesbelang heeft bij dit beroep. Aan de inhoudelijke beroepsgronden komt de rechtbank daarom niet toe.

Griffierecht en proceskosten

11. Eiseres voert onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 18 februari 2026 aan, dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding van haar proceskosten en griffierecht.

12. De rechtbank overweegt dat de ‘lichte toets’ is ingehaald door een besluit (met een zelfde strekking) in de procedure van de integrale beoordeling. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld en dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergoeding van haar proceskosten en griffierecht. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 mei 2026 en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 januari 2026.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.W. Veenendaal

Griffier

  • mr. L.M. Janssens-Kleijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand