ECLI:NL:RBMNE:2026:589

ECLI:NL:RBMNE:2026:589

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 11-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 11832130 \ MC EXPL 25-4465
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

betaling facturen wervings fee. Uitleg bepalingen uit de overeenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 11832130 \ MC EXPL 25-4465

Vonnis van 11 februari 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: mr. E.A.S. van Spanje,

tegen

[gedaagde] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. L.O. Molendijk en mr. C.M. Valens.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 augustus 2025 met producties 1 tot en met 8;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;- de brief van 23 oktober 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling op 13 januari 2025 is bepaald;

- de akte van [eiseres] met producties 9 en 10;

- de akte van [eiseres] met producties 11 en 12.

De zaak is op 13 januari 2026 bij de kantonrechter besproken. Namens [eiseres] zijn de heer [A] en de heer [B] – beiden directeur van [eiseres] – verschenen. Zij werden bijgestaan door mr. Van Spanje. Namens [gedaagde] is mevrouw [C] – HR director – verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. Molendijk en mr. Valens. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.

De kantonrechter heeft besloten dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan

2. De kern van de zaak

Partijen hebben een wervingsovereenkomst gesloten. Op de wervingsovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing. [eiseres] heeft de opdracht gekregen om vier medewerkers Support Customer Service (hierna: medewerker SCS) te werven. Partijen zijn daarvoor een ‘werving fee’ van € 2.000,00 (exclusief btw) per (geschikt bevonden en aangenomen) kandidaat overeengekomen. [eiseres] heeft aan [gedaagde] verschillende kandidaten voorgedragen. [gedaagde] heeft uiteindelijk vier kandidaten geschikt bevonden en die vier kandidaten een arbeidsovereenkomst aangeboden. [eiseres] heeft voor de geworven en geschikt bevonden kandidaten aan [gedaagde] vier facturen van in totaal € 8.000,00 (exclusief btw) gezonden. [gedaagde] heeft de facturen niet volledig betaald. [eiseres] wil dat [gedaagde] de resterende facturen, met rente en kosten, alsnog betaalt. [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vordering. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de resterende facturen, met rente en kosten, aan [eiseres] moet betalen.

3. De beoordeling

[gedaagde] moet de ‘werving fee’ van in totaal € 7.260,00 (inclusief btw) betalen

De uitleg van de no cure no pay regeling in artikel 1.2. van de wervingsovereenkomst

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de uitleg van de no cure no pay regeling in artikel 1.2. van de wervingsovereenkomst.

[eiseres] meent dat [gedaagde] de resterende facturen moet betalen. Zij heeft de opdracht voltooid door vier personen te leveren. Deze vier personen waren de heer [D] (hierna: [D] ), de heer [E] (hierna: [E] ), de heer [F] (hierna: [F] ) en de heer [G] (hierna: [G] ). [gedaagde] heeft deze vier personen geschikt bevonden en hen allen een arbeidsovereenkomst aangeboden. [D] / [E] / [F] en [G] zijn ook daadwerkelijk in dienst getreden bij [eiseres] . [gedaagde] is daarom de overeengekomen ‘werving fee’ van € 2.000,00 (exclusief btw) per kandidaat verschuldigd, dus in totaal € 8.000,00 (exclusief btw). Na dagvaarding heeft [gedaagde] één factuur betaald, zodat [gedaagde] nog een bedrag van € 6.000,00 (exclusief btw) moet betalen, aldus [eiseres]

[gedaagde] meent dat zij de overige facturen niet hoeft te betalen. Partijen hebben namelijk afgesproken dat de opdracht op basis van ‘no cure no pay’ zou plaatsvinden (artikel 1.2. van de wervingsovereenkomst). Volgens [gedaagde] was de bedoeling dat zij pas een betalingsverplichting zou aangaan als de kandidaat door haar geschikt zou zijn bevonden en bij haar in dienst zou zijn gebleven. Daar is geen sprake van. Van [D] , [E] en [F] zijn hun arbeidsovereenkomsten in de proeftijd beëindigd. Er is dus geen sprake van ‘cure’ in de zin van de ‘no cure no pay regeling’ in artikel 1.2. van de wervingsovereenkomst, waarvoor betaald moet worden. Daarom hoeft zij de overige facturen niet te betalen, aldus [gedaagde] .

De kantonrechter is het met [eiseres] eens dat [eiseres] aan de door [gedaagde] verstrekte opdracht heeft voldaan en daarom moet [gedaagde] de ‘werving fee’ aan [eiseres] betalen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

In artikel 1.2. van de wervingsovereenkomst (hierna: artikel 1.2.) is het volgende bepaald:

1.2. [eiseres] werkt op basis van ‘no cure, no pay’ zodat de Opdrachtgever pas een betalingsverplichting aangaat wanneer een kandidaat geschikt is bevonden en een arbeidsovereenkomst krijgt.

[gedaagde] heeft aan [eiseres] de opdracht verstrekt om vier kandidaten te werven voor de functie van medewerker SCS. [eiseres] heeft meerdere kandidaten bij [gedaagde] aangeleverd, waarvan [D] / [E] / [F] en [G] door [gedaagde] geschikt zijn bevonden om het gesprek aan te gaan. Na die gesprekken heeft [gedaagde] alle vier kennelijk geschikt bevonden en hen een arbeidsovereenkomst aangeboden. Alle vier zijn ook op respectievelijk 15 augustus 2024 ( [D] en [E] ) en 1 oktober 2024 ( [F] en [G] ) bij [gedaagde] in dienst getreden. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] , door het vinden van [D] / [E] / [F] en [G] als kandidaten voor de functie, [gedaagde] hen vervolgens een arbeidsovereenkomst heeft aangeboden en zij ook in dienst zijn getreden bij [gedaagde] , daarmee heeft voldaan aan de door [gedaagde] verstrekte opdracht. Aldus is de opdracht ook voltooid en is aan de vereisten voor betaling, zoals is vermeld in artikel 1.2., voldaan. Dat een voorwaarde voor (het ontstaan van) de betalingsverplichting is dat de aangenomen en in dienst getreden kandidaten gedurende de proeftijd ook daadwerkelijk in dienst moeten blijven, is niet in artikel 1.2. vermeld. Wel kan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd van belang zijn voor een eventueel beroep op de garantiebepaling in artikel 6 van de algemene voorwaarden (hierna meer onder 3.12. en volgende).

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, voldaan is aan artikel 1.2. [gedaagde] is in beginsel dan ook gehouden om de ‘werving fee’ voor [D] / [E] / [F] en [G] te betalen.

De garantiebepaling in artikel 6 van de algemene voorwaarden is van toepassing

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of de garantiebepaling in artikel 6 van de algemene voorwaarden (hierna: artikel 6) van toepassing is. [eiseres] meent dat artikel 6 niet van toepassing is, omdat partijen een afwijkende prijsafspraak hebben gemaakt. In dat geval vervalt de garantiebepaling (slotzin van artikel 6), aldus [eiseres] [gedaagde] meent dat de garantiebepaling wel van toepassing is. Er is namelijk geen sprake van afwijkende prijsafspraken.

De kantonrechter is van oordeel dat de garantiebepaling van toepassing is en wel om het volgende.

Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat zij een afwijkende prijsafspraak met [gedaagde] heeft gemaakt door niet de standaard ‘werving fee’ van 20% van het bruto jaarsalaris van de betreffende kandidaat te hanteren, maar een ‘fixed werving fee’ van € 2.000,00 per geworven en geschikt bevonden kandidaat, echter dat blijkt nergens uit. In de door [eiseres] in het geding gebrachte stukken (de wervingsovereenkomst, de toepasselijke algemene voorwaarden en de e-mailcorrespondentie tussen partijen) is daarover niets vermeld. In de stukken is ook niet terug te vinden dat de hoogte van de ‘standaard werving fee’ de genoemde 20% van het bruto jaarsalaris van de kandidaat is, dat de ‘fixed werving fee’ van € 2.000,00 per geworven en geschikt bevonden kandidaat een afwijkende prijsafspraak is en dat door [eiseres] in haar emailcorrespondentie die afwijkende prijsafspraak ook zo aan [gedaagde] is gecommuniceerd. Dat [eiseres] dat laatste wel heeft gedaan in haar e-mail van 8 mei 2024 en [gedaagde] aldus op de hoogte was dat er een afwijkende prijsafspraak was gemaakt, zoals [eiseres] stelt, volgt de kantonrechter niet (zie productie 10 van [eiseres] ). Uit de enkele bewoordingen in haar email van 8 mei 2024 van ‘Ik heb het met een flat-fee geprobeerd extra aantrekkelijk te maken voor je (…)’ kan niet zondermeer worden afgeleid dat daarmee een afwijkende prijsafspraak is gemaakt. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om dit expliciet aan [gedaagde] te melden. Immers, een afwijkende prijsafspraak heeft tot gevolg dat er geen beroep meer op de garantiebepaling gemaakt kan worden. Dat heeft [eiseres] niet gedaan.

De kantonrechter stelt vast dat niet vast is komen te staan dat partijen een afwijkende prijsafspraak hebben gemaakt. Artikel 6 is daarom van toepassing.

De gevolgen van de toepassing van artikel 6 voor de betaling van de facturen

Vaststaat dat artikel 6 (de garantiebepaling) van toepassing is. In artikel 6 is het volgende bepaald:

[eiseres] zal uitermate zorgvuldig te werk gaan bij het selecteren van kandidaten en

zich van de geschiktheid proberen te verzekeren, maar geeft omtrent de uiteindelijke

geschiktheid geen garanties. De opdrachtgever krijgt een garantieregeling binnen de

eerste maand vanaf de eerste werkdag van de kandidaat. Onder de garantieregeling

wordt verstaan dat, indien de kandidaat binnen de garantieperiode niet naar behoren

functioneert of stopt, [eiseres] binnen dezelfde fee een nieuwe kandidaat zal

werven en selecteren. Indien de opdrachtgever aanspraak wil maken op deze

garantieregeling moet dit verzoek binnen 30 kalenderdagen na de startdatum van de

kandidaat schriftelijk en onderbouwd bij [eiseres] zijn ingediend. Na deze periode

vervalt het recht op garantie van de opdrachtgever. De bewijslast betreffende tijdige

indiening van het verzoek rust bij de opdrachtgever. Indien een verzoek tot garantie

wordt ingediend en/of gehonoreerd, kan de opdrachtgever niettemin geen beroep

doen op opschorting van de betalingsverplichting of op verrekening. Deze

garantieregeling geldt niet indien het niet functioneren of het stoppen van de

kandidaat aan de opdrachtgever verwijtbaar is, zulks ter beoordeling door [eiseres] .

Als binnen een periode van drie maanden de functie door opdrachtgever wordt

ingetrokken dan wel wordt vervuld met een kandidaat anders dan via [eiseres]

wordt dit honorarium uitdrukkelijk niet gecrediteerd. Bij afwijkende fee afspraken vervalt de garantieregeling in zijn geheel.

Hierna zal per geworven kandidaat beoordeeld worden wat dit voor gevolgen heeft voor de verschuldigdheid van de ‘werving fee’.

Kandidaat [G]

Vaststaat dat [G] in dienst is getreden bij [gedaagde] en dat [gedaagde] geen beroep op artikel 6 heeft gedaan. [gedaagde] is de factuur voor het werven van [G] dan ook verschuldigd aan [eiseres] Na dagvaarding heeft [gedaagde] deze factuur betaald. [eiseres] heeft op de zitting erkend dat de factuur is betaald. Deze factuur hoeft dan ook geen verdere bespreking meer.

Kandidaat [F]

Anders dan [gedaagde] stelt, blijkt uit de e-mail van 6 november 2024 niet dat [gedaagde] voor [F] een beroep op artikel 6 heeft gedaan. Voor zover de e-mail van 6 november 2024 al opgevat zou moeten worden als een beroep op artikel 6 is [gedaagde] te laat met dit beroep. Immers, [F] was op 1 oktober 2024 in dienst getreden. Het verzoek had binnen 30 kalenderdagen na de startdatum van 1 oktober 2024 bij [eiseres] ingediend moeten worden. [gedaagde] heeft pas op 6 november 2024 de e-mail gezonden. Dat is te laat. De garantiebepaling is daarom niet tijdig ingeroepen. [gedaagde] moet de ‘werving fee’ voor [F] van € 2.000,00 (exclusief btw) betalen.

De kandidaten [D] en [E]

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het beroep op de garantiebepaling in artikel 6 voor de kandidaten [D] en [E] tijdig bij [eiseres] heeft ingediend. [gedaagde] heeft namelijk op 3 september 2024 daarover een e-mail naar [eiseres] gezonden (zie productie 8 van [eiseres] ). Dat is binnen de termijn van 30 kalenderdagen na de startdatum van [D] en [E] op 15 augustus 2024. Het van toepassing zijn van de garantieregeling heeft echter niet tot gevolg dat [gedaagde] de ‘werving fee’ voor [D] en [E] niet hoeft te betalen. De betalingsverplichting van [gedaagde] voor de ‘werving fee’ voor [D] en [E] blijft bestaan. De garantieregeling houdt slechts in dat [eiseres] voor [D] en [E] twee nieuwe kandidaten zou zoeken, zonder dat [eiseres] daarvoor opnieuw kosten bij [gedaagde] in rekening zou brengen. Bovendien volgt uit artikel 6 dat verrekening en/of opschorting van de betalingsverplichting is uitgesloten. Daar komt bij dat wat [gedaagde] in haar e-mail van 3 september 2024 heeft gevraagd – dat [G] en [F] die op 1 oktober 2024 zouden starten in de plaats moesten treden van [D] en [E] – niet kan en ook niet valt onder de garantieregeling, waar [gedaagde] een beroep op heeft gedaan. Op basis van de garantieregeling moest [eiseres] op zoek gaan naar twee nieuwe kandidaten voor [D] en [E] , waarvoor [eiseres] geen extra kosten in rekening bij [gedaagde] mocht brengen. [gedaagde] heeft dus recht op twee nieuwe kandidaten. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij van [gedaagde] opdracht had gekregen om vier medewerkers SCS te werven. [eiseres] heeft toen diverse kandidaten aan [gedaagde] voorgedragen. Uiteindelijk heeft [gedaagde] van de voorgedragen kandidaten [D] / [E] / [F] en [G] geschikt bevonden en hen ook een arbeidsovereenkomst aangeboden. [eiseres] heeft de Cv’s van [D] / [E] / [F] en [G] respectievelijk op 11 juli 2024, 16 juli 2024, 30 juli 2024 en 16 augustus 2024 naar [gedaagde] gezonden (zie productie 11 van [eiseres] ). [G] en [F] zijn dus geen nieuwe kandidaten, maar waren al geworven vóórdat [gedaagde] op 3 september 2024 het beroep op de garantieregeling had ingediend, namelijk op respectievelijk 30 juli 2024 en 16 augustus 2024 (zie productie 11 van [eiseres] ).

De slotsom is dat [gedaagde] de ‘werving fee’ voor [D] en [E] van in totaal € 4.000,00 (exclusief btw) moet betalen.

De conclusie ten aanzien van de hoofdsom

Het voorgaande leidt er toe dat [gedaagde] het bedrag van € 6.000,00 (exclusief btw) aan [eiseres] moet betalen. Dit bedrag wordt verhoogd met 21% btw. Dit betekent dat het bedrag van € 7.260,00 wordt toegewezen. [gedaagde] moet het bedrag van € 7.260,00 (inclusief btw) aan [eiseres] betalen.

[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente over de hoofdsom betalen

[gedaagde] heeft de ‘werving fees’ niet betaald en is in verzuim komen te verkeren. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 4 april 2025 tot volledige betaling, waarbij rekening wordt gehouden met tussentijdse betalingen.

[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen

[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 859,00. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden, te weten € 859,00. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

119,40

- griffierecht

543,00

- salaris gemachtigde

678,00

(2 punten × € 339,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.475,40

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 7.260,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 8.000,00 vanaf 4 april 2025 tot de voldoening, waarbij rekening gehouden moet worden met tussentijdse betalingen,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 859,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.475,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

HHt/37278

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?