ECLI:NL:RBMNE:2026:5916

ECLI:NL:RBMNE:2026:5916

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer UTR 25/2731
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Wht, geen recht op compensatie. Geen sprake van vooringenomen handelen. Geen erkende opleiding op grond waarvan recht op kinderopvangtoeslag bestaat.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

Dienst Toeslagen, verweerder

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2731

(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),

en

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Procesverloop

Eiseres heeft op 30 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2016. Nadien heeft zij haar verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2018 en 2019.

De Commissie van Wijzen heeft onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor compensatie voor toeslagjaren 2018 en 2019 en heeft geconcludeerd dat de compensatieregeling niet van toepassing is.

Met het besluit van 21 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen bepaald dat eiseres geen recht heeft op compensatie over de jaren 2018 en 2019.

Met het besluit van 17 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen bepaald dat eiseres wel recht heeft op een compensatie van € 488,- vanwege een onterechte kwalificatie Opzet/Grove schuld (O/GS) over het toeslagjaar 2018. Dat bedrag is aangevuld met € 29.512,- tot € 30.000,- op basis van de Catshuisregeling.

Eiseres heeft tegen de beide besluiten bezwaar gemaakt.

Tijdens een hoorzitting van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen op 13 februari 2025 heeft eiseres haar bezwaren toegelicht.

Met het besluit van 31 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de bezwaren ongegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de Bezwaar Advies Commissie van 14 maart 2025, de beschouwing van 19 augustus 2024 en de aanvullende beschouwing van 20 februari 2025.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met behulp van een beeldverbinding, mr. S.C. Scheermeijer (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres) en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Waar gaat het om?

2. Eiseres heeft op 11 oktober 2018 Kinderopvangtoeslag (KOT) aangevraagd per 24 oktober 2018 vanwege het volgen van een erkende opleiding. De KOT is vervolgens toegekend. Na afloop van 2018 is de KOT gecontinueerd in 2019. Na een intern onderzoek heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat eiseres over het toeslagjaar 2018 tot en met 7 april 2019 geen recht op KOT had, omdat eiseres niet tot de doelgroep behoorde.

Vanaf 8 april 2019 had zij wel recht op KOT, omdat zij vanaf dat moment is gaan werken. De KOT is daarom over het jaar 2018 tot en met 7 april 2019 teruggevorderd. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie Toeslagen (Wht) afgewezen, omdat voor die toeslagjaren 2018 en 2019 geen sprake was van vooringenomen handelen en van hardheid van het toeslagenstelsel.

Wat vindt eiseres?

3. Eiseres voert in beroep aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte aan haar geen compensatie heeft toegekend over de jaren 2018 en 2019. Volgens eiseres is de Dienst Toeslagen ten onrechte ervan uitgegaan dat zij pas vanaf 8 april 2019 tot de doelgroep van KOT zou behoren en in de periode daarvoor niet omdat de opleiding niet zou voldoen aan de gestelde eisen. Eiseres stelt dat haar opleiding wel voldeed aan de gestelde eisen en wijst daarvoor op de email van 6 juni 2019 van de manager studiebegeleiding waarin deze bevestigt dat zij is ingeschreven voor [opleiding 1] bij [opleidingsinstituut] , die over een Croho-code beschikt. Ook uit de uitdraai van het register van de bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) met de door haar gevolgde opleidingen, is te zien dat zij vanaf 1 september 2018 tot en met 1 september 2022 de [opleiding 2] [opleidingsinstituut] heeft gevolgd. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat de vooringenomenheid blijkt uit het feit dat destijds niet goed is gekeken naar haar situatie en naar de informatie die zij heeft overgelegd over haar opleiding. Bovendien is in de wet de DUO aangewezen als authentieke bron dus had van de juistheid daarvan uitgegaan moeten worden.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de compensatie op grond van de Wht heeft mogen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het toetsingskader

5. De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de KOT sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de KOT heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven.

Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op KOT bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.

Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid (of van de hardheid). Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van KOT of tot stopzetting van de voorschotverlening van KOT, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.

In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht zijn verder een aantal voorbeelden gegeven wanneer wel en geen sprake is van hardheid van het stelsel. Ook is hierin gesteld dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.

Geen sprake van vooringenomenheid of hardheid

6. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat ten aanzien van de nihilstelling over toeslagjaar 2018 en de eerste vier maanden van 2019 geen sprake is geweest van vooringenomenheid of van hardheid.

7. De rechtbank volgt niet het standpunt van eiseres dat de informatie die zij over haar opleiding heeft overgelegd onvoldoende is onderzocht en meegewogen en dat daaruit vooringenomenheid zou moeten blijken. Uit het dossier blijkt dat er individueel onderzoek is gedaan door bij eiseres schriftelijk informatie op te vragen over welke erkende opleiding zij volgt. Hierop heeft eiseres op 18 mei 2019 het e-mailbericht van 26 maart 2018 toegestuurd met daarin de bevestiging van de inschrijving voor de [opleiding 3] . Vervolgens is nog meerdere keren in juli 2019 geprobeerd telefonisch nadere informatie bij eiseres op te vragen, maar dat is niet gelukt. Er is daarom ook bij [opleidingsinstituut] navraag gedaan over de opleiding van eiseres. Uit het nadere onderzoek is gebleken dat de door eiseres op dat moment gevolgde opleiding één module betrof van de erkende [opleiding 4] van de [opleidingsinstituut] met de Croho-code [code] . De Dienst Toeslagen heeft gemotiveerd toegelicht dat omdat het een module betreft zonder Croho-code, niet werd voldaan aan de voorwaarde dat het moet gaan om een erkende opleiding op grond waarvan recht op KOT bestaat. De door eiseres in bezwaar en nadien ook in beroep overgelegde e-mail van 6 juni 2019 en de ongedateerde uitdraai van de DUO zijn ook besproken in de hoorzitting van de bezwaaradviescommissie. De conclusie van de Dienst Toeslagen is dat uit die stukken en uit wat eiseres tijdens de hoorzitting heeft verteld, eiseres zich per 6 juni 2019 heeft ingeschreven voor het volgen van de volledige opleiding, ook gelet op de daarin gegeven bedenktijd. Met het daaraan voorafgaand volgen van een losse module werd niet voldaan aan de voorwaarden voor KOT. De rechtbank kan deze motivering volgen. Het gaat er in dit verband om of de Dienst Toeslagen destijds aanleiding had moeten zien om aan de juistheid van de informatie – dat eiseres in de periode vanaf

1 september 2018 slechts een module zonder Croho-code volgde – te twijfelen. Op basis van de door eiseres zelf en de [opleidingsinstituut] verstrekte informatie heeft de Dienst Toeslagen naar het oordeel van de rechtbank echter op goede grond kunnen concluderen dat eiseres op dat moment (nog) geen opleiding met Croho-code volgde en zij dus in de periode van

1 september 2018 tot 7 april 2019 niet tot de doelgroep voor kinderopvangtoeslag behoorde. Van vooringenomen handelen door de Dienst toeslagen of hardheid van het stelsel is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep slaagt niet. Dat betekent dat eiseres geen extra compensatie krijgt voor de toeslagjaren 2018 en 2019. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.S.D. de Weerd, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.W.A. Schimmel

Griffier

  • mr. M.S.D. de Weerd

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand