[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres over de compensatie als ex-partner van een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.
2. Eiseres heeft op 30 juli 2025 gevraagd om compensatie vanuit de ex-toeslagpartnerregeling uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Met het besluit van 28 augustus 2025 heeft Dienst Toeslagen eiseres een compensatie van € 10.000,- toegekend.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 3 maart 2026 heeft Dienst Toeslagen het besluit van 28 augustus 2025 gehandhaafd.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
8. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of eiseres procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep. Volgens vaste rechtspraak wordt voldoende procesbelang aangenomen als het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de betrokkene feitelijk betekenis kan hebben.
9. Eiseres stelt dat het bestreden besluit onrechtmatig is, omdat het is genomen zonder dat eiseres beschikte over de onderliggende stukken uit de integrale beoordeling van de aanvrager (van de kinderopvangtoeslag). Eiseres wenst met deze procedure te bereiken dat zij aan de hand van de bedoelde stukken de juistheid van de juridische en feitelijke grondslag van het bestreden besluit kan toetsen.
10. Bij een aanvraag op grond van de ex-toeslagpartnerregeling toetst de Dienst Toeslagen of wordt voldaan aan de voorwaarden van deze regeling. Dienst Toeslagen heeft vastgesteld dat eiseres in 2009 toeslagpartner was van iemand die als gedupeerde is aangemerkt en dat zij ouder was van het kind waarvoor de kinderopvangtoeslag in dat toeslagjaar was aangevraagd. Eiseres was geen toeslagpartner meer op de datum waarop de compensatie op grond van de Catshuisregeling aan de aanvrager van de kinderopvangtoeslag is uitbetaald. Dienst Toeslagen heeft geconcludeerd dat eiseres aan de voorwaarden voldoet, dat ze is gedupeerd als ex-toeslagpartner en haar daarom een bedrag van € 10.000,- toegekend. De compensatie op grond van de ex-toeslagpartnerregeling is een vast (forfaitair) bedrag. Het is niet mogelijk om een hoger compensatiebedrag toe te kennen. Door de wetgever is bewust gekozen voor een vast bedrag, om snel en efficiënt herstel te bieden aan de ex-toeslagpartners. Eiseres kan met dit beroep geen andere uitkomst van het besluit bereiken dan zij heeft bereikt, namelijk toekenning van het maximale compensatiebedrag. Eiseres heeft dan ook geen belang bij inzage in dan wel overlegging van de stukken uit een ander dossier.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.