RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
Start People Staffing B.V., gevestigd te Almere, eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2096
(gemachtigde: mr. M. Bockting),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werknemer [naam] heeft genomen.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet tijdig een besluit neemt kan de betrokkene daartegen in
beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog een besluit moet worden genomen. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Een EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Uit de wet en
jurisprudentie volgt dat er door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een ambtshalve te nemen beslissing. Een EZWb-besluit moet uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werknemer worden genomen. De werknemer van eiseres is op 10 februari 2025 ziek uitgevallen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 9 februari 2026 een EZWb-besluit had moeten nemen. Verweerder heeft op 16 februari 2026 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Daarna zijn twee weken verstreken. Verweerder heeft nog steeds geen EZWb-besluit genomen. Het beroep is daarom gegrond.
4. De rechtbank volgt verweerder dus niet in zijn standpunt dat er bij een ambtshalve te
nemen besluit het beroep wegens het ontbreken van een ingebrekestelling niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verweerder stelt terecht dat een bestuurlijke dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb alleen verschuldigd is in gevallen waarin te laat op een aanvraag wordt beslist en dat bij een ambtshalve te nemen beslissing dus geen ingebrekestelling kan worden ingediend. Maar een ingebrekestelling kan wel worden ingediend in aanloop naar een beroep tegen het niet tijdig beslissen als bedoeld in artikel 6:12 van de Awb. Dat artikel spreekt immers niet over een besluit op aanvraag en geldt dus ook in geval van een ambtshalve te nemen besluit.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
6. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het hier gaat om een EZWb in plaats van een WIA-(her)beoordeling, onvoldoende aanleiding om af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten
die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan
eiseres betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: