uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.A. Dayala),
en
Dienst Toeslagen,
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] )
Inleiding
3. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen, bijgestaan door mr. [gemachtigde 2] .
Beoordelingskader
De hersteloperatie toeslagen
6. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire zijn verschillende herstelregelingen tot stand gekomen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst Toeslagen toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de dienst.
7. De procedure bij de herstelregelingen houdt in dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In deze eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000, - van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet.
8. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de Compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen.
Wat is het toetsingskader?
9. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
10. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.
11. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.
Beoordeling door de rechtbank
Toeslagjaar 2012
Institutionele vooringenomenheid
12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er sprake is van institutioneel vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Eiseres voert aan dat de kinderopvangtoeslag over het jaar 2012 is verlaagd op basis van de gegevens van het Uwv zonder voorafgaande uitvraag bij eiseres, wat in beginsel een vooringenomen handeling betrof. Dit wordt door de Dienst Toeslagen ook erkend. Dat de verlaging achteraf correct is geweest, doet niets af aan het feit dat de besluitvorming mede was gebaseerd op niet-geverifieerde gegevens. Naar aanleiding van een herzieningsverzoek van eiseres is de kinderopvangtoeslag bijgesteld wegens een onjuist gehanteerd uurtarief. Dit feit toont al aan dat de initiële beoordeling wel degelijk gebreken vertoonde.
13. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat het gebruiken van informatie uit de UWV-viewer niet per definitie aangemerkt kan worden institutioneel vooringenomen handelen. De Dienst Toeslagen mag namelijk in beginsel uitgaan van de juistheid van de in de UWV-viewer opgenomen gegevens over de gewerkte uren. Dit wordt alleen anders indien er concrete aanknopingspunten zijn die aanleiding geven om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Eiseres heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt blijken dat de gegevens in de viewer onjuist zijn. Dat maakt dat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid. Indien institutionele vooringenomenheid alsnog wordt aangenomen, stelt de Dienst Toeslagen zich op het standpunt dat dit niet tot compensatie kan leiden, omdat er geen sprake is van schade als gevolg van het institutioneel handelen. De Dienst Toeslagen wijst er in dit verband op dat het voorschot van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 is gewijzigd als gevolg van een wijzigingsverzoek van eiseres zelf en van de gewijzigde wettelijke berekeningssystematiek op grond van artikel 8a, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang uit artikel 1.7, vierde lid, Wet kinderopvang.
14. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen, omdat eiseres voorafgaand aan de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag niet in de gelegenheid is gesteld om (met vraagbrieven) aannemelijk te maken dat ze aanspraak had op een hoger bedrag. Een voorwaarde voor het toekennen van compensatie is echter dat de gedupeerde schade heeft geleden als gevolg van het vooringenomen handelen. In dit geval is de kinderopvangtoeslag echter niet lager vastgesteld vanwege het vooringenomen handelen, maar vanwege de per 1 januari 2012 ingevoerde arbeidskoppeling in artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag. En zoals de Dienst Toeslagen terecht naar voren heeft gebracht, heeft eiseres destijds gekregen waar ze op grond van dat artikel recht op had. Eiseres heeft dus voor 2012 geen recht op compensatie, omdat ze geen schade heeft geleden door de institutionele vooringenomenheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheid van het stelsel
15. Ten aanzien van de hardheidsregeling betoogt eiseres dat de Dienst Toeslagen ten onrechte uitsluitend de formele terugvordering als maatstaf hanteert. De neerwaartse bijstellingen gedurende het toeslagjaar, gecombineerd met de financiële situatie van eiseres als alleenstaande moeder met twee kinderen, vormen bijzondere omstandigheden die het stelsel onevenredig hard voor eiseres hebben laten uitwerken.
15. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 2.1 van de Wht voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule wordt dus alleen toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Het is hierbij niet van doorslaggevend belang of het gaat om een situatie die door de wetgever is of kan zijn voorzien. Het moet gaan om omstandigheden zoals serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Bovendien moeten deze omstandigheden actueel zijn en samenhangen met de gevolgen van een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Het gaat namelijk niet om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok. Degene die een beroep doet op de hardheidsclausule dient inzichtelijk te maken waar de bijzonderheid of de schrijnende kanten van zijn of haar situatie uit blijkt en dient dit zo concreet mogelijk te onderbouwen. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt er namelijk een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel.
15. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat er geen recht op compensatie bestaat op grond van de hardheid van het wettelijke stelsel, nu niet is voldaan aan de voorwaarde dat de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld dan wel volledig is teruggevorderd. Voor zover al sprake zou zijn van hardheid, leidt dit evenmin tot compensatie aangezien de verlaging of terugvordering minder dan € 1.500, - bedraagt.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat sprake is van een bijzondere situatie. De rechtbank begrijpt dat eiseres een moeilijke periode heeft doorgemaakt en dat zij in een lastige financiële situatie zat, maar dat is onvoldoende om de hardheidsclausule toe te passen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat er sprake is van actuele omstandigheden die maken dat sprake is van een bijzondere of schrijnende situatie. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen terecht opgemerkt dat de terugvordering over het jaar 2012 minder bedroeg dan € 1.500, -. Gelet op het bepaalde in artikel 2.1, vierde lid, van de Wht komt een aanvrager niet voor compensatie van schade wegens hardheid in aanmerking als in het desbetreffende berekeningsjaar minder dan € 1.500, - aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Evenmin is sprake van een situatie waarin de kinderopvangtoeslag tot nihil is bijgesteld. Om die reden kan dus niet worden gesproken van een onbillijkheid van overwegende aard. De beroepsgrond slaagt niet.
Toeslagjaar 2015
Institutionele vooringenomenheid
19. Over het toeslagjaar 2015 voert eiseres ook aan dat er sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat in de stukken geen einddatum van de kinderopvang is genoemd. De Dienst Toeslagen heeft in het systeem staan dat eiseres kinderopvang afneemt vanaf 15 september 2012 tot en met 31 december 9999. Ook voert eiseres aan dat zij de brief van 14 juni 2016, met het verzoek om aanvullende bewijsstukken over te leggen, nooit heeft ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft dit niet nader onderzocht noch gemotiveerd weerlegd. Het feit dat eiseres vervolgens wel tijdig het antwoordformulier heeft ingestuurd, getuigt van de medewerking die eiseres steeds heeft verleend maar kan niet worden uitgelegd als bewijs dat de brief om aanvullende stukken over te leggen tijdig en correct door haar ontvangen.
19. De Dienst toeslagen heeft toegelicht dat de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2015 tweemaal neerwaarts is bijgesteld. Aanvankelijk kreeg eiseres een voorschot toegekend van € 23.714, -. Dit voorschot is op 21 februari 2025 verlaagd naar € 19.255, - en op 29 december 2015 naar € 19.805, -. Uit het antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2015 en de jaaropgaven van eiseres blijkt dat in het toeslagjaar 2015 de totale opvangkosten € 17.344,40 bedroegen. Gelet op het voorgaande heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat eiseres voor dit toeslagjaar 2015 geen recht heeft op compensatie. Immers blijkt dat eiseres een hoger voorschot heeft gekregen, dan waar zij achteraf recht op had. Het verschil is echter nooit teruggevorderd. Daarmee heeft eiseres dus geen schade als bedoeld in artikel 2.1., eerste lid, van de Wht geleden. Bij de afwezigheid van schade wordt niet toegekomen aan de vraag of de neerwaartse bijstellingen het gevolg waren van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Ten aanzien van de einddatum 31 december 9999 merkt de Dienst Toeslagen op dat dit door een menselijke (tik)fout in het systeem terecht is gekomen.
19. De rechtbank is het met de Dienst Toeslagen eens dat in het geval van eiseres geen sprake is van schade als bedoeld in artikel 2.1. van de Wht. Er is immers geen uitgekeerde kinderopvangtoeslag teruggevorderd van eiseres. Nu eiseres geen schade heeft geleden als gevolg van de neerwaartse bijstellingen van de kinderopvangtoeslag, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of er sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Een onjuiste einddatum in het systeem of het al dan niet ontvangen hebben van de brief over nader over te leggen gegevens behoeft om die reden ook geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheidsregeling
22. Wat betreft het toeslagjaar 2015 stelt de Dienst Toeslagen dat de hardheidsregeling geen toepassing vindt omdat het uitgekeerde voorschot van €19.805,- hoger was dan de gemaakte opvangkosten van € 17.344,40. Eiseres bestrijdt dit standpunt. Volgens eiseres heeft de Dienst Toeslagen bij de beoordeling van de compensatie voor 2015 en 2016 onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat zij als alleenstaande ouder in een financieel uiterst kwetsbare positie verkeerde en dat onduidelijkheid in de communicatie voor haar disproportionele gevolgen heeft gehad.
23. Een essentiële voorwaarde om voor een compensatie op grond van de Wht in aanmerking te komen is dat de aanvrager gedupeerd is door de institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of de hardheid waarmee toepassing werd gegeven aan de wet. Als op grond van de hardheidsclausule van deze essentiële voorwaarde wordt afgeweken, wordt de reikwijdte van de wet in betekenende mate gewijzigd.
24. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat op grond van de hardheidsclausule niet kan worden afgeweken van artikel 2.1 van de Wht, als er geen schade is geleden in de zin van het eerste lid van die bepaling. De rechtbank heeft al vastgesteld dat eiseres over het toeslagjaar 2015 geen schade heeft geleden als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De Dienst Toeslagen betoogt om die reden terecht dat er geen aanleiding bestaat om hardheidsclausule toe te passen.
Toeslagjaar 2016
25. Op de zitting heeft eiseres kenbaar gemaakt de beroepsgronden voor het toeslagjaar 2016 zich beperken tot de vraag of er sprake is van de kwalificatie opzet/grove schuld. De rechtbank zal de overige beroepsgronden voor het toeslagjaar 2016 niet betrekken bij haar beoordeling.
O/GS kwalificatie
26. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft gesteld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. Eiseres bestrijdt dit op twee gronden. Ten eerste heeft eiseres tijdens de hoorzitting van 19 september 2025 uitdrukkelijk verklaard dat zij destijds heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, maar hierop nimmer een reactie heeft ontvangen. De Dienst Toeslagen heeft tijdens diezelfde hoorzitting erkend dat zij ter plekke niet kon nagaan of een dergelijke regeling was getroffen of geweigerd. Ten tweede blijkt uit de betalingsoverzichten dat de verrekeningen hebben plaatsvonden van twee betalingen van € 199,- gevolgd door een herinnering en een betaling van € 398,-. Dit duidt op een standaard betalingsarrangement zonder enige individuele toetsing aan de persoonlijke draagkracht van eiseres.
27. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat uit het onderzoek van het Landelijk incassocentrum (LIC) is gebleken dat er geen sprake was van een O/GS-kwalificatie. Met andere woorden zijn in de systemen geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat een schriftelijk verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is ingediend dan wel dat een dergelijk verzoek is geweigerd. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of een ouder concrete aanwijzingen of aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de uitkomst van het onderzoek van het LIC. De Dienst-Toeslagen stelt dat een niet-onderbouwde stelling dat eiseres uitdrukkelijk heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling, maar hierop nimmer een reactie heeft ontvangen, een onvoldoende concrete aanwijzing vormt om aan de uitkomst ‘geen O/GS-kwalificatie’ te twijfelen.
28. De rechtbank oordeelt als volgt. De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), de daarop berustende bepalingen op grond de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke (minnelijke) schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
29. De Dienst Toeslagen mag in beginsel afgaan op de uitkomsten van het onderzoek van het LIC, zolang er geen concrete aanknopingspunten bestaan die aanleiding geven om te twijfelen aan de volledigheid of juistheid daarvan. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de Dienst Toeslagen had moeten concluderen dat er concrete aanwijzingen waren die aanleiding gaven tot twijfel aan de juistheid van het onderzoek van het LIC. De enkele stelling van eiseres dat zij destijds heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling is daarvoor niet toereikend. Ook het feit dat verrekeningen zouden duiden op een standaard betalingsarrangement maken het nog niet aannemelijk dat een persoonlijke betalingsregeling zou zijn geweigerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
30. Eiseres voert aan dat het besluit onzorgvuldig is genomen, niet deugdelijk is gemotiveerd en er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden.
31. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen of ondeugdelijk is gemotiveerd. Zo heeft de Dienst Toeslagen in de bezwaarfase met een beschouwing gereageerd op de door eiseres ingediende bezwaargronden, waarin voor de jaren 2012, 2015 en 2016 uiteen is gezet waarom voor deze jaren volgens de Dienst Toeslagen geen recht bestaat op compensatie. Verder heeft de Dienst Toeslagen in het bestreden besluit voor de motivering verwezen naar het BAC-advies en dit BAC-advies ook volledig gevolgd. Bij de toepassing van de bepalingen voor het toekennen van compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht heeft de Dienst Toeslagen geen beleidsruimte. Het gaat om zogenoemde gebonden beschikkingsbevoegdheden. Om die reden is een afweging van belangen bij de toepassing van die bepalingen niet aan de orde. Deze beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.