ECLI:NL:RBMNE:2026:593

ECLI:NL:RBMNE:2026:593

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 23-02-2026
Zaaknummer 16/384261-24; 16/008236-25 (gev. ttz); 16/265854-23 (vord. tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Minderjarige, bewezenverklaring van woninginbraak (meermalen gepleegd) en meerdere pogingen hiertoe, drugshandel, vernieling, deelname criminele organisatie en vuurwapenbezit. Strafoplegging: JDET 600 dagen, waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/384261-24; 16/008236-25 (gev. ttz); 16/265854-23 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2007] in [geboorteplaats] (Tunesië),

verblijvende op het adres [adres 1] in [woonplaats] ,

(hierna: [verdachte] ).

1. Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de zitting achter gesloten deuren van 3 februari 2026. Het onderzoek is gesloten op 23 februari 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/384261-24 en 16/008236-25 tenlastegelegde feiten respectievelijk als feit 1 tot en met 6.

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:

feit 1

in de periode van 26 december 2024 tot en met 1 januari 2025 in Lelystad samen met anderen heeft ingebroken in de volgende woningen en daaruit meerdere spullen heeft gestolen:

- [adres 2] en

- [adres 3] en

- [adres 4] en

- [adres 5] ;

feit 2

in de periode van 25 december 2024 tot en met 28 december 2024 in Lelystad samen met anderen heeft geprobeerd om in te breken en om geld en/of goederen te stelen uit de volgende woningen:

- [adres 6] , en

- [adres 7] en

- [adres 8] ;

feit 3

in de periode tussen 1 september 2024 tot en met 20 januari 2025 in Lelystad samen met anderen cocaïne en heroïne heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 4

op 13 december 2024 in Lelystad een raam van [slachtoffer 1] heeft vernield;

feit 5

in de periode van 12 november 2024 tot en met 18 februari 2025 in Lelystad heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die het oogmerk had om woninginbraken, diefstallen met geweld, (gewoonte)witwassen en mensenhandel te plegen.

feit 6

op 8 januari 2025 in Lelystad een vuurwapen en een kogelpatroon voorhanden heeft gehad.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de vier voltooide woninginbraken onder feit 1, de drie pogingen tot woninginbraken onder feit 2 en de vernieling onder feit 4 heeft gepleegd.

Feit 3 vindt de officier van justitie tevens te bewijzen, echter uitsluitend voor de periode van 1 september 2024 tot en met 14 december 2024. De officier van justitie stelt zich daarom op het standpunt dat [verdachte] gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van de periode van 15 december 2024 tot en met 20 januari 2025.

Feit 5 kan volgens de officier van justitie ook worden bewezen, in die zin dat [verdachte] uitsluitend in de periode van 12 november 2024 tot en met 7 januari 2025 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De officier van justitie stelt zich om die reden op het standpunt dat [verdachte] gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van de periode van 8 januari 2025 tot en met 18 februari 2025. Daarnaast vindt de officier van justitie niet te bewijzen dat [verdachte] wetenschap had van het oogmerk van de overige medeverdachten om diefstallen met geweld te plegen, waardoor hij ook van dit deel van de beschuldiging moet worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde voltooide woninginbraken aan de [adres 2] , [adres 3] en [adres 5] . De advocaat verzoekt om [verdachte] ten aanzien van feit 1 gedeeltelijk vrij te spreken, namelijk van de voltooide woninginbraak aan de [adres 4] . Daar zou [verdachte] alleen een tas naar binnen hebben gedragen naar [adres 9] te [plaats] , hetgeen een bijdrage/rol is van medeplichtigheid en niet van het tenlastegelegde medeplegen.

De advocaat verzoekt verder om [verdachte] vrij te spreken van alle tenlastegelegde pogingen tot woninginbraken onder feit 2, omdat hij aan deze inbraken geen significante bijdrage heeft geleverd.

Ten aanzien van feit 3 stelt de advocaat dat slechts de pleegperiode van 21 november 2024 tot en met uiterlijk 14 december 2024 kan worden bewezen. De advocaat verzoekt om [verdachte] gedeeltelijk vrij te spreken van de overige tenlastegelegde periode.

Feit 4 kan volgens de advocaat bewezen worden omdat [verdachte] dit bekent.

De advocaat verzoekt om [verdachte] vrij te spreken van feit 5. De advocaat stelt dat [verdachte] nog niet in beeld was toen de organisatie het oogmerk had op het plegen van diefstallen met geweld en mensenhandel, en dat dit ten aanzien van (gewoonte)witwassen nog lastiger ligt. De advocaat stelt verder dat er niet kan worden gesproken van deelname aan een criminele organisatie, omdat er sprake was van een relatief korte pleegperiode en in die korte periode geen duidelijke structuur van samenwerking was. Als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten woninginbraken, stelt de advocaat dat er sprake is van meerdaadse samenloop met de feiten 1 en 2.

Oordeel van de rechtbank

Gedeeltelijke vrijspraak t.a.v. feit 1

De rechtbank oordeelt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] op 31 december 2024 de inbraak op de [adres 4] heeft gepleegd en zal hem daarvan vrijspreken onder feit 1. Ten aanzien van deze woninginbraak overweegt de rechtbank dat [verdachte] samen met de medeverdachten in één auto is vertrokken vanuit de woning op [adres 9] in [plaats] en vervolgens naar de omgeving van [adres 4] is gereden. [verdachte] heeft over zijn aanwezigheid ten tijde van de woninginbraak verklaard dat hij in de auto was gebleven. Vervolgens is op de beelden, van de heimelijke camera die gericht stond op [adres 9] te [plaats] , te zien dat [verdachte] na de woninginbraak samen met de medeverdachten weer bij deze woning komt aanlopen en hij degene is die een zware tas bij zich draagt. Ook als de rechtbank ervan uit gaat dat in de zwarte tas de buit van de inbraak zat, is het voorgaande naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de bijdrage van [verdachte] aan de inbraak dermate significant is geweest dat er sprake is van medeplegen. Hoogstens zou [verdachte] kunnen worden verweten dat hij medeplichtig is geweest aan deze woninginbraak, maar daarvan is hij niet beschuldigd.

Bewijsmiddelen t.a.v. feit 1

[verdachte] bekent dat hij de overige onder feit 1 tenlastegelegde inbraken op de [adres 2] , [adres 3] en [adres 5] heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van deze inbraken gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 2]

de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 26 december 2024, genummerd 241226-936-270, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] , pagina 604 tot en met 610;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2025, genummerd 2501241340.AMB, betreffende woninginbraken [adres 2] en [adres 7] , pagina 586 tot en met 593;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] [plaats] ) van 30 december 2024, genummerd PL0900-2024409050-6, pagina 611 tot en met 614;

- een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, zijnde een rapport betreffende forensisch DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute (TMFI) van 13 januari 2025, pagina 616 en 617;

Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 3]

de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 29 december 2024, genummerd PL0900-2024410475-8, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] (mede namens [A] en [B] ), pagina 660 tot en met 682;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2025, genummerd 2501291005.AMB, betreffende woninginbraken [adres 3] en [adres 8] , pagina 646 tot en met 654;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 3] [plaats] ) van 29 december 2024, genummerd PL0900-2024410475-10, pagina 683 en 684;

Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 5]

de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 januari 2025, genummerd 250101-136-451, inhoudende de verklaring van aangever [benadeelde 1] , pagina 814 tot en met 831;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2025, genummerd 2503031007.AMB, betreffende woninginbraken 31 december 2024, pagina 752 tot en met 769.

Bewijsmiddelen t.a.v. feit 2

De rechtbank oordeelt dat de onder feit 2 tenlastegelegde pogingen tot woninginbraken zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 6]

In het proces-verbaal van aangifte van 26 december 2024 heeft [aangever 3] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Ik doe aangifte van poging inbraak in mijn woning. Op 26 december 2024, omstreeks 01.45 uur, lag ik te slapen. Ik werd wakker van de deurbel. Ik zag dat de politie voor de deur stond.

De politie vertelde mij dat er geprobeerd was om in te breken. Ik zag dat het keukenraam van mijn woning kapot was. Toen ik naar bed ging, was dit raam nog heel. Ik zag dat de inbrekers niet binnen zijn geweest.

In het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 6] [plaats] ), genummerd PL0900-2024408505-4, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Op 26 december 2024 om 10:30 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 6] , [plaats] . Voorafgaand aan het door mij ingestelde forensische onderzoek, verkreeg ik de volgende informatie: Poging woninginbraak met zichtbare braaksporen en gebroken ruit keukenraam. schoenafdrukken op tuinbank.

Ter plaatse werd ik aangesproken door de zoon en dochter van aangeefster mevrouw [aangever 3] . Zij verklaarden mij dat een buurjongen glasgerinkel gehoord had en lichten zag en daarop de politie gebeld had.

Op 26 december 2024 om 10:30 uur startte ik mijn onderzoek. Ik zag aan de zijkant van de woning een uitzet raam. Ik zag achter dit raam de keuken. Ik zag dat de ruit gebroken was. Ik zag in de sluitnaad van het raam meerder indrukken en krassen. Ik zag dat een deel versplinterd was. Ik herken deze indrukken als zijnde veroorzaakt door het wrikken met een werktuig. Ik zag links van het raam een wit tuinbankje staan. Ik zag op de rechterhoek van het zitgedeelte meerdere afdrukken gezet met modder en zand. Ik zag in de afdrukken een bogen en blokken patroon. Het is vrijwel zeker dat de dader(s) de woning van de voorzijde benaderd hebben. Het is aannemelijk dat de dader(s) over de hek met haag geklommen zijn. Het is vrijwel zeker dat het raam geprobeerd is te openen door wrikken met een werktuig. Het is aannemelijk dat de dader(s) gestopt zijn door ontdekking en via dezelfde weg de tuin verlaten hebben.

In het proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2501231310.AMB, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Gedurende onderzoek Umbra werd middels een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie opgenomen, gevoerd in het voertuig met kenteken [kenteken] . Uit onderzoek naar opgenomen communicatie bleek dat de gebruiker van het voertuig, de verdachte [medeverdachte 1] , veelvuldig met anderen sprak over het plegen van woninginbraken.

Naar aanleiding hiervan is onderzoek gedaan naar de in onderzoek Umbra vanaf 20 december 2024 middels een baken verkregen locatiegegevens van genoemd voertuig. Uit dit onderzoek is gebleken dat het voertuig vermoedelijk betrokken is geweest bij meerdere woninginbraken in december 2024 in Lelystad. In onderhavig proces-verbaal staat beschreven hoe uit feiten en omstandigheden is gebleken dat de volgende verdachten vermoedelijk betrokken zijn bij een woninginbraak op 26 december 2024 op het adres [adres 6] te [plaats] :

- [verdachte] , geboren op [2007] te [geboorteplaats] in Tunesië.

Blijkens de locatiegegevens reed het voertuig naar [plaats] en stopte het ongeveer een kwartier vlakbij de woning van een andere verdachte uit onderzoek Umbra, genaamd [verdachte] , wonende [adres 10] in [woonplaats] . Uit de locatiegegevens van het voertuig was hierna te zien dat deze omstreeks 22.32 uur weer parkeerde bij [straat] . Op de camerabeelden was te zien dat een persoon die ik op de bewegende beelden herkende als [medeverdachte 2] de woning [adres 9] in ging, waarna direct daarna een persoon die ik op de bewegende beelden herkende als [medeverdachte 1] , samen met een persoon met capuchon op dezelfde woning in ging. Ik zag dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en een derde man die ik direct herkende als de in onderzoek Umbra als verdachte aangemerkte [verdachte] op 26 december omstreeks 00:31 uur weer de woning verlieten. Ik heb [verdachte] gedurende onderzoek Umbra wekenlang veelvuldig op de camerabeelden van [straat] gezien, om die reden ben ik bekend geraakt met zijn uiterlijk, zijn postuur en zijn manier van lopen. Om deze reden herkende ik hem direct. Vermoedelijk was [verdachte] de persoon die eerder op de avond met capuchon op naar binnen was gegaan.

Er werd aangifte gedaan ter zake een poging tot woninginbraak op het adres [adres 6] te [plaats] . Verder is door de verbalisanten die de melding kregen het volgende vastgelegd:

“Bij het inrijden van de wijk reed er een [bijnaam 1 verdachte] grijze auto de wijk uit. Mogelijk een Citroen C1 of Peugeot 107 of Toyota Aygo. Misschien dat deze er wat mee te maken heeft gehad.”

Uit de locatiegegevens bleek dat het voertuig [kenteken] (betreft een Toyota Aygo) op 26 december 2024 vanaf omstreeks 01:22 uur stilstond vlakbij de woning waar de poging tot inbraak plaatsvond. Op camerabeelden vanaf de woning [adres 11] waren twee personen te zien op het tijdstip 01:22:20. Globaal gezien kwamen deze personen uit de richting van het geparkeerde voertuig en liepen zij in de richting van de woning waarin gepoogd werd in te breken. Op het tijdstip 01:34:59 waren opnieuw twee personen te zien op de camerabeelden, die globaal gezien vanaf de woning waarin gepoogd werd in te breken kwamen lopen en in de richting van het geparkeerde voertuig liepen.

Het voertuig reed hierna door Lelystad en ging uiteindelijk weer richting [plaats] , mogelijk om [verdachte] thuis te brengen.

Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 7]

In het proces-verbaal van aangifte van 27 december 2024, heeft [aangever 4] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Ik doe aangifte van poging inbraak in mijn vrijstaande woning aan de [adres 7] te [plaats] . Op 26 december 2024, omstreeks 22:00 uur, ging ik in mijn slaapkamer in bed liggen en viel ik in slaap. Omstreeks 23:45 uur, schrok ik plotseling wakker en hoorde ik hard glasgerinkel. Ik voelde overal in mijn bed glas liggen. Ik zag dat het raam kapot was en overal in de slaapkamer glas lag. Ik zag een grote stoeptegel op mijn bed liggen. Ik herkende de tegel niet.

Bewijsmiddelen t.a.v. [adres 8]

In het proces-verbaal van aangifte van 29 december 2024, heeft [aangever 5] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Op 26 december 2024 omstreeks 11:45 uur ben ik samen met mijn gezin in de auto gestapt om richting Voorthuizen te gaan. Ik heb mijn woning goed afgesloten voordat wij vertrokken. Op alle ramen en deuren in de woning zit het systeem bevestigd. Deze heb ik op 26 december 2024 om 11:50 uur erop gezet. Op 28 december 2024 om 02:04:20 uur is mijn alarm systeem afgegaan. Ik zag dit omstreeks 9:17 uur. Ik heb toen mijn oude buurvrouw [C] gebeld, zij is toen richting onze woning gegaan. Hier zag [C] dat er schade was aan de twéé schuifpuien en aan het raam aan de achterzijde van de woning. Om 9:38 uur vertelde [C] mij dat er niks weg was vanuit de woning en dat ze niet binnen zijn geweest.

Op 28 december 2024 kwam ik thuis en zag toen de schade aan mijn woning. De twee schuifpuien aan de achterzijde zijn ontzet hier is een knoest te zien midden in de pui, er is een noest van twéé centimeter breed. De schuifpui wil niet meer goed schuiven en is licht ontzet. Het raam aan de achterzijde is ontzet, de klem is aan de binnenkant gebogen en wilt niet meer goed sluiten. Het houten kozijn is gesplinterd aan de kant van de sluiting is een knoest te zien van twéé centimeter breed.

Bewijsmiddelen t.a.v. alle drie woninginbraken

Op zitting van 3 februari 2026 heeft [verdachte] het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Tijdens de pogingen tot woninginbraken aan de [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] heb ik met anderen in de grijze auto gezeten. Ik wist wat er ging gebeuren. Het plan was dat ik bij de inbraken op de uitkijk zou staan of naar binnen ging, als er een steen naar binnen werd gegooid en er vervolgens geen alarm werd geslagen.

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 2

[verdachte] heeft op zitting bekend dat hij op de pleegdata samen met de medeverdachten in dezelfde auto zat en wist wat er op dat moment zou gebeuren. Er was een duidelijk plan om inbraken te gaan plegen. Door het gooien van een stoeptegel, het kapot maken van een raam of een schuifpui te ontzetten is er naar de uiterlijke verschijningsvormen een begin van uitvoering gemaakt aan de woninginbraken. Het is voor de rechtbank niet relevant wie van de verdachten een stoeptegel bij de woningen naar binnen gooide. De rollen van de verdachten waren in die zin inwisselbaar. [verdachte] is samen met de medeverdachten op pad gegaan en heeft over zijn aandeel bekend dat hij op de uitkijk stond, of naar binnen zou gaan als er geen alarm werd geslagen nadat er een stoeptegel naar binnen werd gegooid. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] hiermee een voldoende significante bijdrage heeft geleverd, waardoor er sprake is van medeplegen. De rechtbank acht daarom bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de pogingen tot woninginbraken bij de [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] in [plaats] .

Bewijsmiddelen t.a.v. feit 3

De rechtbank oordeelt dat het onder 3 tenlastegelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

In het proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2501290922PVB, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Uit onderzoek blijkt dat [verdachte] vermoedelijk de gebruiker van het telefoonnummer

[telefoonnummer] is. Uit de hierbij gegenereerde gegevens blijkt dat er voor dit nummer gebruik wordt gemaakt van een mobiele telefoon voorzien van het IMEI nummer [IMEI nummer] .

Daarnaast blijkt uit onderzoek dat [verdachte] vanaf 20 november 2024 ook nog gebruik maakte van het telefoonnummer [deallijn] (deallijn). Tijdens de communicatie met dit nummer maakte [verdachte] gebruik van zijn eigen telefoon voorzien van IMEI nummer [IMEI nummer] .

In het proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2501271623.PVB, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Deallijn [deallijn]

Over de periode vanaf 27 november 2024 tot en met 20 januari 2025 werd de telecommunicatie onderzocht, gevoerd met de mobiele telefoon voorzien van IMEInummer [IMEI nummer] . Vastgesteld werd dat deze telefoon geregeld voorzien werd van een ander telefoonnummer. Onderstaand een overzicht welke telefoonnummers en in welke periode deze gebruikt werden:

[telefoonnummer] , 21 november 2024 t/m 1 december 2024;

[telefoonnummer] , 1 december 2024 t/m 26 december 2024.

Over de periode vanaf 21 november 2024 werden verkeersgegevens verkregen van het

telefoonnummer [telefoonnummer] , Uit de verkregen gegevens blijkt dat het genoemde telefoonnummer gebruikt werd in een mobiele telefoon voorzien van IMEInummer [IMEI nummer] . Uit onderzoek in het informatiesysteem van de politie naar de tegencontacten bleken meerdere telefoonnummers gekoppeld aan personen die bekend zijn met het gebruik van verdovende middelen.

Over de gehele periode waarin de telecommunicatie van genoemde telefoon werd opgenomen, met uitzondering van de periode vanaf 14 december 2024 tot en met 25 december 2024, blijkt dat er dagelijks telefoongesprekken werden gevoerd waaruit drugshandel blijkt. Uit de inhoud van de opgenomen telecommunicatie blijkt dat de klanten van de deallijn ‘wit en ‘bruin’ bestellen ook wel licht’ en ‘donker’ of ‘koffie’ genoemd, waarbij in de drugshandel normaliter gedoeld wordt op cocaïne en heroïne.

Uit de inhoud van de opgenomen telecommunicatie blijkt dat de deallijn bekend is onder de naam [contactnaam 2 verdachte] . Gedurende de periode waarin de telecommunicatie van de deallijn onderzocht werd, werden de klanten van de deallijn geregeld geïnformeerd over de status van de deallijn of over speciale (promotie)acties. Deze communicatie bestond veelal uit SMS-berichten waarin aangegeven werd dat de deallijn actief is, er een actie loopt of dat er gebruik wordt gemaakt van een nieuw telefoonnummer. Deze SMS-berichten werden telkens verstuurd naar tientallen tegencontacten/klanten. Daarnaast werd ook in telefoongesprekken met klanten veelvuldig aangegeven dat zij spreken met [contactnaam 3 verdachte] / [contactnaam 2 verdachte] , vermoedelijk doelend op de gelijknamige deallijn.

Beheerder/ [bijnaam 1 verdachte]

Uit de inhoud van de opgenomen telecommunicatie gevoerd met de deallijn zijn een aantal

telefoongesprekken gevoerd waarbij de beheerder van de deallijn aangeeft dat hij [contactnaam 2 verdachte] is,

doelend op de deallijn, en zichzelf aanvullend omschrijft als ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’. Op 14 januari 2025 werd door één van de beheerder(s) van de deallijn aangegeven dat ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ opgepakt was.

[verdachte] één van de beheerders van deallijn

Gedurende het onderzoek werd vastgesteld dat verdachte [verdachte] de gebruiker was van een mobiele telefoon die voorzien was van het IMEInummer [IMEI nummer] . Hij gebruikte deze telefoon ook voor de drugshandel, zoals blijkt uit de inhoud van de nader gerelateerde opgenomen telecommunicatie.

Over de periode vanaf 20 november 2024 werd de telecommunicatie onderzocht die gevoerd werd met de (privé)telefoon voorzien van het IMEInummer [IMEI nummer] en het met deze telefoon gebruikte telefoonnummer [deallijn] .

Uit de inhoud van de opgenomen telecommunicatie blijken de eerste dagen enkele

drugsdealgesprekken. De gebruiker van de (privé)telefoon geeft bij meerdere tegencontacten aan dat zij op het andere nummer moeten bellen en zegt dat dit zijn privénummer is.

Op 5 december 2024 te 09:21 uur werd er door de gebruiker van de (privé)telefoon, die nog steeds voorzien was van het telefoonnummer [telefoonnummer] , een telefoongesprek gevoerd waarin hij zich voorstelde als ' [verdachte] , [bijnaam 1 verdachte] ’.

Loopjongen gepakt

Op 13 december 2024 werd door de beheerder van de deallijn in twee telefoongesprekken

aangegeven dat zijn loopjongen (de koerier) was overvallen. Het is goed mogelijk dat deze situatie er toe geleid heeft dat er vanaf 14 december 2024 tot en met 25 december 2024 geen (reguliere) drugsdealgesprekken werden gevoerd. Als op 26 december 2024 de deallijn opnieuw actief wordt

lijkt de mobiele telefoon vooral beheerd te worden door iemand anders dan ervoor.

Aanhoudingen

Op 9 januari 2025 werd door mevrouw [slachtoffer 2] een telefoongesprek gevoerd. Het tegencontact vraagt aan [slachtoffer 2] naar het telefoonnummer van ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’. Hierop zegt [slachtoffer 2] dat die vastzit.

Op 8 januari 2025 werd verdachte [verdachte] aangehouden op verdenking van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Ten tijde van het opmaken en ondertekenen van dit proces-verbaal zat verdachte [verdachte] nog in voorlopige hechtenis.

Resume

Uit de gerelateerde tapgesprekken kan opgemaakt worden dat de eerste drugsdealgesprekken met de dealtelefoon gevoerd werden op het moment dat de dealtelefoon voorzien was van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit vond plaats vanaf 27 november 2024. Uit verkregen historische verkeersgegevens blijkt dat dit telefoonnummer vanaf 21 november 2024 gebruikt werd in de dealtelefoon.

Tevens lijkt naar voren te komen dat [verdachte] , die kennelijk de bijnaam ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ heeft, een telefoon gebruikte waar de ‘oude’ telefoonnummers van de/een deallijn in werden geplaatst. Dit werd mogelijk gedaan om te voorkomen dat de deallijn klanten kwijt zou raken. Zoals klanten die niet geïnformeerd zijn over de simwissel van de deallijn of vergeten zijn om de simwissel van de deallijn hun eigen telefoon op te slaan. Door ook het ‘oude’ dealnummer nog een poosje actief te houden, konden de klanten die contact zochten met het oude dealnummer alsnog/nogmaals geïnformeerd worden over de reeds uitgevoerde simwissel van de deallijn.

In het proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2501230845PVB, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Op [adres 9] staat vanaf 26 juni 2024 een persoon ingeschreven te weten:

- [slachtoffer 2] , geboren op [1957] te [geboorteplaats] .

[slachtoffer 2] is blijkens de politiesystemen geregistreerd als drugsgebruiker. Het is het onderzoeksteam bekend dat dealers vaak gebruik maken van de woning van drugsgebruikers om drugs te koken, verpakken, stashen en/of verhandelen.

Voordat [slachtoffer 2] op [straat] woonde, kwam er bij de politie informatie binnen dat een groep, waar onder andere verdachte [medeverdachte 2] deel van uitmaakte, de woning van [slachtoffer 2] zou gebruiken als adres om goederen onder te brengen. Nu [slachtoffer 2] woonachtig is op [adres 9] is vorenstaande wederom het geval.

Gedurende het onderzoek werd duidelijk dat er door meerdere verdachten gebruik werd gemaakt van de woning op [adres 9] in [plaats] . Tijdens het onderzoek is er op 15 november 2024, een heimelijke camera geplaatst op [straat] met zicht op de woning met nummer [huisnummer] .

[verdachte]

maakt tevens deel uit van de groep rondom [medeverdachte 2] . Op vrijdag 22 november 2024, om 11.25 uur, is op de camerabeelden te zien dat een persoon de woning betreedt. Deze persoon betreft verdachte [verdachte] . Ik herken [verdachte] aan de hand van wekenlange analyse van camerabeelden. Ik herken hem vooral door zijn jonge uiterlijk maar ook aan de hand van zijn gezicht, postuur, manier van lopen en Kleding.

Camerabeelden in combinatie met dealgesprekken

Uit de geïntercepteerde telecommunicatie van de deallijn, in combinatie met de camerabeelden van [adres 9] blijkt dat de bestellingen die gedaan worden op de deallijn, onder andere bezorgd worden vanaf [adres 9] . Tevens blijkt uit vorenstaand gerelateerde geïntercepteerde telecommunicatie de aanwezigheid van [verdachte] op [adres 9] .

Pauze in deallijn

Op zondag 15 december 2024, om 19.48 uur, wordt [verdachte] gebeld door iemand uit de

penitentiaire inrichting. [verdachte] zegt in dit gesprek onder andere dat hij die ding stop gezet heeft, het hete shit is, dat hij een beetje heet is en echt even rustig doet.

Uit analyse van de camerabeelden in combinatie met de deallijn blijkt dat er inderdaad een pauze is. Het patroon wat zich eerder dagelijks herhaalde, dealgesprekken in combinatie met personen die constant de woning in en uit gingen, is tijdelijk niet meer zichtbaar.

Uit vorenstaand gerelateerde kan opgemaakt worden dat:

- [medeverdachte 2] en [verdachte] de deallijn beheerden;

- [adres 9] gebruikt werd als stash/dealwoning.

In het proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2501311514.AMB, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd

Gedurende onderzoek Umbra werd een telefoontap aangesloten op het IMEI [IMEI nummer] . Uit het beluisteren van geïntercepteerde telefoongesprekken en sms-berichten is gebleken dat dit toestel gebruikt werd als deallijn, ten behoeve van de handel in harddrugs. Uit verder onderzoek bleek dat [verdachte] op meerdere momenten de beheerder was van dit telefoontoestel.

In het proces-verbaal met nummer 2501290922.PVB staat beschreven hoe uit feiten en

omstandigheden is gebleken dat [verdachte] als sociale telefoon een toestel gebruikte met IMEI [IMEI nummer] . Het toestel met IMEI [IMEI nummer] zal verder in onderhavig proces-verbaal worden aangeduid als sociale lijn. Het IMEI-nummer [IMEI nummer] zal vanaf nu aangeduid worden als dealtelefoon.

Gezamenlijke reisbewegingen dealtelefoon en sociale telefoon

Hieronder worden een aantal momenten beschreven waarop deze dealtelefoon zeer vermoedelijk dezelfde reisbewegingen maakte als de sociale lijn van [verdachte] . Ten aanzien van de reisbewegingen is het van belang om op te merken dat beide toestellen zich vrijwel uitsluitend in Lelystad bevinden.

19 november 2024

Op 19 november 2024 werd er blijkens de verkregen historische verkeersgegevens door de dealerlijn ( [IMEI nummer] ) voor de eerste keer verbinding gemaakt met een telefoonmast. Deze

telefoonmast bevond zich aan de [adres 12] te [plaats] . Het sociale toestel van [verdachte] had op dat moment al enige tijd verbinding met deze zelfde telefoonmast.

Overkoepelend beeld

Over de gehele periode was het beeld dagelijks vrijwel hetzelfde en zijn er veelvuldig korte verplaatsingen binnen Lelystad zichtbaar. Vanaf 14 december 2024 verandert het patroon definitief en maakt de dealerlijn voor een langere periode nauwelijks meer verbinding met een telefoonmast.

Kijkend naar de diverse verkeersgegevens die verkregen zijn van zowel de dealerlijn als ook de sociale lijn van [verdachte] valt op te maken dat:

- Het eerste moment waarop de dealerlijn contact maakt met een telecom netwerk dit via

dezelfde telefoonmast gebeurt als waar de sociale lijn op dat moment is,

- Er een langdurig patroon te zien is waarbij de sociale lijn en de dealerlijn zich binnen

Lelystad op gelijke wijze verplaatsen en langdurig gezamenlijk verbinding hebben met

dezelfde telefoonmasten;

- Er twee lange reisbewegingen buiten Lelystad te zien zijn naar Amsterdam en Utrecht

waarbij beide toestellen met elkaar samen reizen;

Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen bestaat het zeer sterke vermoeden dat [verdachte]

langere tijd gebruiker is geweest van de dealerlijn.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2502241500. PVB, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Tussen 9 en 12 november 2024 werd er een dealertelefoon gevonden op de Binnendijk te Lelystad. De telefoon werd verloren door een snorfiets bestuurder. Een onbekend persoon heeft de telefoon aangeboden bij Toezicht en Handhaving. Deze zagen een grote hoeveelheid aan druggerelateerde berichten. De telefoon is te herleiden aan een lopende drugslijn. De telefoon betreft een Apple iPhone 11 met telefoon nummer [telefoonnummer] .

Whatsapp useraccount

Uit de whatsapp chats valt op te maken dat het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna [telefoonnummer] )

gebruik maakt van de username [Whatsapp username 1] @s.whatsapp.net en dat de naam ' [contactnaam 1 verdachte] (owner) aan dit user account is gegeven.

Uit het berichtenverkeer blijkt dat het account [contactnaam 1 verdachte] ook de namen [contactnaam 2 verdachte] , [contactnaam 3 verdachte] en [contactnaam 4 verdachte]

gebruikt. Bij het onderzoeksteam is door de opname van telecommunicatie het vermoeden ontstaan dat ‘ [contactnaam 2 verdachte] wordt gebruikt als dealernaam.

Bij het onderzoeksteam was inmiddels bekend dat er in de periode van 21 november 2024 t/m 20 januari 2025 een deallijn actief is geweest, dat bekend is onder de naam [naam deallijn] .

Handel verdovende middelen

In de periode van 27 oktober 2024 tot en met 9 november 2024, valt uit het chatverkeer dat [contactnaam 3 verdachte] heeft met verschillende tegencontacten op te maken dat " [contactnaam 1 verdachte] ' handelt in verdovende middelen. In deze periode zijn er in het chatverkeer aanwijzingen dat de iPhone 11 met telefoonnummer [telefoonnummer] een dealerlijn voor de handel in harddrugs. Er worden termen als ‘wit’, ‘licht’ ‘donker’, 3 voor 25, 7 voor 50 gebruikt. Het is verbalisant ambtshalve bekend dat dit gaat over cocaïne, heroïne en hoeveelheden drugs voor een geldbedrag.

Binnen chatgroep op snapchat:

Op 8-11-2024 werd op de Apple IPhone 11 snapchat geïnstalleerd. Hierbij zijn de volgende

gegevens:

Naam: [fake naam verdachte]

Username: [usernaam fake naam verdachte] .

In de chats is het account zichtbaar als ' [accountnaam fakenaam verdachte] [fake naam verdachte] (owner).

Bijnamen van de gebruiker van dealertelefoon binnen de chats

In de WhatsApp chats gebruikt de beheerder van de dealertelefoon meerdere (bij)namen. Opvallend is dat de naam ' [bijnaam 1 verdachte] ' meerdere keren wordt gebruikt. Ook wordt de bijnaam ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’ gebruikt.

Resumé

Uit onderzoek van de telefoon blijkt dat deze is gebruikt als zogenoemde dealerlijn in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 9 november 2024. Uit de whatsappberichten dat het account ‘ [Whatsapp username 2] .whatsapp.net [contactnaam 1 verdachte] ’ heeft met zijn tegencontacten blijkt dat er wordt gesproken in termen die gerelateerd zijn aan de handel in harddrugs. Ook valt uit de chatberichten op te maken dat de beheerder van de dealerlijn een persoon dan wel personen aanstuurt om de drugs te bezorgen. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van een (elektrische) fiets dan wel fatbike.

Uit de chatberichten van de telefoon zijn er aanwijzingen dat de dealerlijn gebruik maakt van de woning [adres 9] , te [plaats] als plaats vanwaar de jongen(s) worden aangestuurd.

Uit het chatverkeer van de telefoon valt ook op te maken dat de [adres 9] te [plaats] wordt gebruikt als drugswoning. In de chatberichten dat [slachtoffer 2] heeft met de dealerlijn ‘ [Whatsapp username 1] @s-whatsapp.net [contactnaam 1 verdachte] ', stuurt [slachtoffer 2] de berichten ‘dat die jongen zijn geld komt halen’ en ‘dat die jongen van gisteren is er nu ook. Dealer account [Whatsapp username 1] @s.whatsapp.net [contactnaam 1 verdachte] stuurt een bericht naar [slachtoffer 2] : 'Is die jongen al terug

van zijn rondje”.

Vanuit het chatverkeer dat de beheerder van de dealertelefoon heeft met zijn tegencontacten is opgevallen dat de bijnamen ' [bijnaam 1 verdachte] ' en ‘ [bijnaam 2 verdachte] ' worden gebruikt. De WhatsApp accounts

[Whatsapp username 1] @s.whatsapp.net en [Whatsapp username 3] @s.whatsapp.networden aangesproken met de bijnaam ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ of stellen zich voor als ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’. In het chatverkeer dat de beheerder van de dealertelefoon heeft op snapchat stelt het snapchataccount ‘ [fake naam verdachte] ’ zich voor als ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ en wordt hij door een tegencontact aangesproken als ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’.

Uit bovenstaande is er een sterk vermoeden ontstaan dat de Apple iPhone 11 gebruikt wordt als dealertelefoon. Tot slot blijkt uit het chatverkeer op de dealertelefoon dat de beheerder van de dealertelefoon zich voorstelt als “ [contactnaam 1 verdachte] , “ [contactnaam 2 verdachte] , ‘ [contactnaam 4 verdachte] en ‘ [bijnaam 1 verdachte] dan wel wordt aangesproken met de bijnamen ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ en ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’.

Op zitting van 3 februari 2026 heeft [verdachte] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Ik heb gedurende een periode van ongeveer twee weken de deallijn beheerd en bezorgde ook de drugs op de fiets. Ik ben ergens begin/midden december 2024 ermee gestopt. Het kan dus kloppen dat ik tot 14 december 2025 de beheerder van de deallijn was.

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 3

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] het feit op zitting heeft bekend, maar de pleegperiode heeft betwist. Volgens de advocaat zou slechts de pleegperiode van 21 november 2024 tot en met 14 december 2024 kunnen worden bewezen. De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van een langere pleegperiode en overweegt hierover als volgt.

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de sociale (privé)telefoon van [verdachte] en de deallijn vanaf 19 november 2024 dezelfde reisbewegingen maakten. De rechtbank stelt vast dat hieruit kan worden afgeleid dat [verdachte] al sinds deze datum de deallijn beheerde.

Uit onderzoek van een dealertelefoon die op straat in Lelystad is gevonden, blijkt dat deze telefoon als dealerlijn is gebruikt in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 9 november 2024. Uit de chatgesprekken op Whatsapp en het Snapchat account ‘ [fake naam verdachte] ’ op deze telefoon blijkt dat de beheerder zich in deze periode onder andere voorstelt als “ [contactnaam 1 verdachte] , [naam] , ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ dan wel wordt aangesproken met de bijnamen ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ en ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’. Uit de meerdere tapgesprekken in het dossier volgt dat [verdachte] vaker de deallijn aannam met de namen ‘ [contactnaam 1 verdachte] ’ of ‘ [contactnaam 2 verdachte] ’ om de tegenpersoon aan te geven om welke deallijn het ging, waarna hij vaker zijn bijnaam ‘ [bijnaam 1 verdachte] ’ en ‘ [bijnaam 2 verdachte] ’ gebruikte. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat [verdachte] de deallijn in elk geval vanaf 27 oktober 2024 heeft beheerd en toen in cocaïne en heroïne heeft gehandeld.

Partiële vrijspraak pleegperiode

De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken van de ten laste gelegde periode die voorafging aan 27 oktober 2024 omdat de enkele verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij sinds de zomer in 2024 al drugs van [verdachte] zou afnemen, onvoldoende is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen. De rechtbank heeft geen bewijs zoals relevante chatgesprekken via Whatsapp dan wel Snapchat aangetroffen, die [verdachte] voor de datum van 27 oktober 2024 concreet linken aan de drugshandel (als beheerder van de deallijn of als koerier hiervan).

Ook zal de rechtbank [verdachte] partieel vrijspreken van de periode van 15 december 2024 tot en met 20 januari 2025. Uit het dossier volgt dat [verdachte] de deallijn vanaf 15 december 2025 had stopgezet. Naar eigen zeggen van [verdachte] wilde hij even rustig aan doen, omdat het hem kennelijk op dat moment te heet onder de voeten werd. Sindsdien volgt er uit het dossier geen betrokkenheid van [verdachte] meer bij de drugshandel. Sterker nog, in het dossier staat juist dat de deallijn pas vanaf 26 december 2024 weer actief wordt en vanaf dat moment vooral door een ander lijkt te worden beheerd. Overigens is [verdachte] op 8 januari 2025 opgepakt voor het hebben van een vuurwapen, waardoor hij in voorarrest zat en daardoor ook niet meer betrokken kon zijn bij de drugshandel.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank [verdachte] schuldig aan het dealen van cocaïne en heroïne in de periode van 27 oktober 2024 tot en met 14 december 2024.

Bewijsmiddelen t.a.v. feit 4

[verdachte] bekent dat hij de onder feit 4 ten laste gelegde vernieling heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 december 2024, genummerd PL0900-2024395674-2, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , pagina 1886 en 1887;

een de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 17 februari 2025, genummerd 2502101001.PVB, over de bekennende verklaring van [verdachte] , pagina 1873 en 1879.

Bewijsmiddelen t.a.v. feit 5

[verdachte] bekent dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals dit feit hieronder bewezen is verklaard. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. Deze bewijsmiddelen staan in bijlage II van dit vonnis.

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 5

Van deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als de verdachte behoort tot een samenwerkingsverbanden hij een aandeel heeft in gedragingen of gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk. Het samenwerkingsverband moet een zekere duurzaamheid en structuur hebben en minstens tussen twee personen bestaan. Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Uit het dossier volgt dat er meerdere woninginbraken door [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn gepleegd in wisselende samenstellingen. Er kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een samenwerkingsverband tussen de medeverdachten. Uit de inhoud van de OVC-gesprekken volgt dat de organisatie een duurzaam karakter had, omdat de woninginbraken over een langere periode intensief werden besproken en voorbereid. De organisatie had ook een interne structuur. Gebleken is dat [medeverdachte 2] en onder andere [medeverdachte 1] een leidende rol hadden en jongens zoals [verdachte] aanstuurden. Zij kozen de desbetreffende woningen uit, gaven de opdracht om naar specifieke waardevolle spullen te zoeken en droegen [verdachte] vaker op om als eerste bij de woningen naar binnen te klimmen, omdat hij een klein en smal postuur had. Elke betrokkene bij de diefstallen had een eigen rol en taak, die cruciaal was voor het welslagen van de door de organisatie beoogde misdrijven.

Uit het voorgaande blijkt dat deze organisatie het oogmerk had om onder andere bij woningen in te breken. Uit de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten (woninginbraken en pogingen hiertoe) blijkt dat [verdachte] hierbij betrokken was en dus wetenschap had van dit oogmerk.

Verder kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat de organisatie de woning aan [adres 9] te Lelystad gebruikte als rovershol en stashlocatie van onder andere alle gestolen goederen. [adres 9] betrof de woning van een 68-jarige vrouw [slachtoffer 2] ) die drugsverslaafd is. De organisatie heeft misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid en haar daardoor crimineel uitgebuit. Zo hebben de verdachten op 12 november 2024 haar televisie vernield, lag zij een dag later in het ziekenhuis en heeft zij aangegeven dat deze jongens ook een keer haar ribben hadden gekneusd. Hoogstwaarschijnlijk omdat haar woning dus als opslagplek van onder andere gestolen goederen fungeerde en de verdachten dit graag zo wilden houden. De rechtbank concludeert dat [verdachte] ook van de criminele uitbuiting van mevrouw [slachtoffer 2] af wist, omdat uit de beelden van de heimelijke camera die gericht stond op deze woning blijkt dat hij hier vaker over de vloer kwam en soms zelfs verbleef.

[verdachte] heeft verklaard dat deze goederen veelal op korte termijn werden verkocht en dat hij vervolgens telkens een bepaald deel van de opbrengst ontving. Door de verkoop van gestolen goederen werd de herkomst hiervan verhuld en de geldelijke waarde hiervan witgewassen. Gelet op de voornoemde verklaring van [verdachte] is zijn wetenschap hiervan een gegeven feit. Uit de inhoud van de OVC-gesprekken blijkt dat [verdachte] vaak een kleiner aandeel kreeg dan de rest, hetgeen wat zegt over de rolverdeling tussen de groep en de positie van [verdachte] daarin. Ondanks de ondergeschikte rol van [verdachte] kan worden vastgesteld dat hij wel een aandeel heeft gehad in de gedragingen die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Alles overwegende concludeert de rechtbank dat [verdachte] heeft deelgenomen in de periode van 12 november 2024 tot en met 7 januari 2025 aan een criminele organisatie, die het oogmerk had om bij woningen in te breken, gestolen goederen te witwassen en mevrouw [slachtoffer 2] crimineel uit te buiten. Naar oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat [verdachte] wetenschap had van het oogmerk van de overige medeverdachten om diefstallen met geweld te plegen. Van dit deel van de beschuldiging wordt hij om deze reden vrijgesproken.

Partiële vrijspraak pleegperiode

De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken van de periode van 8 januari tot en met 18 februari 2025. Zoals eerder in dit vonnis is benoemd, is [verdachte] op 8 januari 2025 opgepakt, waardoor hij in voorarrest zat en sindsdien dus niet meer heeft kunnen deelnemen aan de voornoemde criminele organisatie.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie van 12 november 2024 tot en met 7 januari 2025.

De rechtbank oordeelt tot slot dat ten aanzien van de woninginbraken en de pogingen hiertoe (feiten 1 en 2) sprake is van meerdaadse samenloop ex artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, in die zin dat de bewezenverklaarde feiten deels een feitencomplex opleveren die zich op dezelfde tijd en plaats afspeelden. Echter loopt de strekking van de betreffende strafbepalingen dusdanig uiteen dat niet kan worden geoordeeld dat [verdachte] van die handelingen in wezen één verwijt wordt gemaakt.

Bewijsmiddelen t.a.v. feit 6

[verdachte] bekent dat hij het onder 6 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2025, genummerd 00-2025008129, betreffende het aantreffen van het wapen, doorgenummerde pagina 30 en 31;

een in de wettelijke vorm opgemaakt (separaat) proces-verbaal van bevindingen van 28 januari 2025, genummerd PL0900-2025008129-15, betreffende de categorisering van het wapen.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :

feit 1

in de periode van 26 december 2024 tot en met 1 januari 2025 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen in een woning, terwijl verdachte en zijn mededaders zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbenden bevonden, meerdere goederen die aan anderen toebehoorden, te weten

- op 26 december 2024 geld, een horloge en een erepenning, toebehorend aan [aangever 1] ( [adres 2] ) en

- in de nacht van 27 op 28 december 2024 meerdere horloges en sieraden, toebehorend aan [aangever 2] en [A] en [B] ( [adres 3] ) en

- in de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 meerdere horloges en sieraden, toebehorend aan [benadeelde 1] ( [adres 5] ) en

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en inklimming;

feit 2

in de periode van 25 december 2024 tot en met 28 december 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om meermalen in een woning, terwijl verdachte en zijn mededaders zich aldaar buiten wil of tegen de wil van de rechthebbenden bevonden, geld en goederen die aan anderen toebehoorden, te weten aan

- [aangever 3] ( [adres 6] , in de nacht van 25 december 2024 op 26 december 2024) en

- [aangever 4] ( [adres 7] , op of omstreeks 26 december 2024) en

- [aangever 5] ( [adres 8] , in de nacht van 27 december 2024 op 28 december 2024) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en het weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, een ruit van die woningen heeft ingegooid en een raamklem, meerdere schuifpuien, een raam en een houten kozijn heeft beschadigd en vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3

in de periode gelegen tussen 27 oktober 2024 tot en met 14 december 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 4

op 13 december 2024 te Lelystad opzettelijk en wederrechtelijk een raam, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield;

feit 5

in de periode van 12 november 2024 tot en met 7 januari 2025 te Lelystad heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- woninginbraken als bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht en

- (gewoonte)witwassen als bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht en

- mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht (variant criminele uitbuiting);

feit 6

op 8 januari 2025 te Lelystad, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Blow, model TR34, kaliber 7.65mmBr zijnde een vuurwapen in de vorm van een gaspistool omgebouwd naar projectiel

schietend, en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de Wet Wapens en Munitie, van categorie III, te weten een scherp kogelpatroon, kaliber 7.65mmBr, voorhanden heeft gehad.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden, meermalen gepleegd;

feit 2

poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden, meermalen gepleegd;

feit 3

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 5

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 6

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 317 dagen, met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast eist de officier van justitie dat aan [verdachte] wordt opgelegd:

- een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-

maatregel) met de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geadviseerd door de Raad in het

advies van 27 januari 2026, echter met uitzondering van het contactverbod met de

slachtoffers. De officier van justitie eist echter wel een contactverbod ten aanzien van

slachtoffer [slachtoffer 1] en ten aanzien van mevrouw [slachtoffer 2] op te leggen.

De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt er rekening mee te houden dat [verdachte] de enige minderjarige is in een groter geheel van oudere en ‘sterkere’ medeverdachten. Primair voert de advocaat aan dat er niet aan alle voorwaarden voor de oplegging van de PIJ-maatregel is voldaan. Qua aard en ernst zouden het namelijk geen feiten zijn waarvoor doorgaans een PIJ-maatregel wordt opgelegd. Evenmin zou deze maatregel in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . Subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet passend is. De advocaat verzoekt om de nodige behandeling vorm te geven in het kader van bijzondere voorwaarden, met een zo lang mogelijke proeftijd zodat de benodigde behandelduur optimaal wordt gebruikt.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank zijn strafblad en persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

[verdachte] heeft enkele maanden deelgenomen aan een criminele organisatie, die zich bezig hield met (woning)inbraken, (gewoonte)witwassen en mensenhandel. In deze periode heeft [verdachte] daadwerkelijk samen met anderen een drietal woninginbraken en een drietal pogingen hiertoe gepleegd. Het levert slachtoffers doorgaans een bijzonder onaangenaam gevoel op om te moeten leven met de wetenschap dat vreemden in hun woning zijn geweest en hun persoonlijke spullen hebben doorzocht. Een woning is bij uitstek namelijk een plek waar men zich veilig hoort te voelen. Het handelen van [verdachte] getuigt dan ook van een grote mate van disrespect voor de persoonlijke eigendommen en levenssfeer van anderen. Daarnaast heeft hij ook een periode in harddrugs gedeald, door beheerder, bestuurder en koerier te zijn van een deallijn. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan vuurwapenbezit en vernieling van een raam. Dit zijn ernstige feiten die een grote, negatieve impact hebben op onze samenleving. De algemene gevoelens van veiligheid worden ook door dergelijk handelen aangetast.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel van de justitiële documentatie betreffende [verdachte] van 12 januari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en opiumdelicten in 2024.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een Pro Justitia rapport van 24 juni 2025,

betreffende een psychologisch en psychiatrisch onderzoek van [verdachte] . Hieruit blijkt dat er bij [verdachte] sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een ouder-kind relatieprobleem en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling (met antisociale en narcistische trekken). Door het laatstgenoemde heeft [verdachte] last van een beperkte gewetensontwikkeling, waardoor hij egocentrische en antisociale denkfouten maakt. Hierdoor lukt het hem niet om zijn eigen behoeften uit of bij te stellen of om pro-sociale oplossingen te zoeken voor zijn problemen (zoals het vragen om hulp).

De deskundigen zien redenen om de door [verdachte] bekende woninginbraken en pogingen hiertoe, en het vuurwapenbezit (licht) verminderd aan [verdachte] toe te rekenen. Ten aanzien van de deelname aan een criminele organisatie en de handel in drugs onthouden de deskundigen zich van een advies over de toerekening, omdat [verdachte] destijds geen openheid van zaken hierover had gegeven.

Het recidiverisico wordt bij onveranderde omstandigheden en zonder interventies als hoog ingeschat, door factoren als de al langdurig bij [verdachte] aanwezige grens- en normoverschrijdende gedragsproblemen, de omgang met criminele leeftijdgenoten, het ontbreken van een pro-sociale dagbesteding, het gebrek aan gezonde copingsvaardigheden en oprecht berouw, het zich onttrekken aan interventies en beperkte veranderbaarheid zonder interventies. De deskundigen zien weinig beschermende factoren die het recidiverisico kunnen inperken. Volgens hen is [verdachte] in enige mate positief gericht op zijn toekomst en heeft hij enige motivatie voor behandeling, afspraken en voorwaarden. De positieve band met zijn ouders is ook een beschermende factor. Om het recidiverisico te verkleinen en in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling is langdurige en intensieve begeleiding en jeugdreclasseringstoezicht vanuit ITB Harde Kern nodig, binnen een strak kader waarin duidelijke afspraken, grenzen en regels worden opgelegd. De deskundigen achten het van belang dat [verdachte] een duurzame deelname aan onderwijs en werk heeft, een zinvolle vrijetijdsbesteding, zich zal houden aan afspraken, zal deelnemen aan psychologische behandeling en ambulante begeleiding, zal omgaan met een pro-sociaal netwerk en inzicht zal geven in zijn contacten. Het advies is om dit binnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan [verdachte] op te leggen. Als de bewezenverklaarde feiten dit niet toelaten, zal behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden moeten worden vormgegeven, met een zo lang mogelijke proeftijd zodat de benodigde optimale behandelduur wordt ondersteund.

Daarnaast heeft de rechtbank ook acht geslagen op het advies van de Raad van 27 januari 2026. Gelet op de ernst van de feiten, het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling is de Raad net als de psycholoog en de psychiater van oordeel dat een strak kader zoals ITB Harde Kern noodzakelijk is. De Raad kan zich vinden in het Pro Justitia rapport opgestelde behandelplan, met de nuancering dat [verdachte] inmiddels bij [instelling] verblijft, en de behandeling en begeleiding dus vanuit die locatie moeten plaatsvinden. De Raad adviseert dit behandelplan net als de psycholoog en de psychiater vorm te geven in een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Daarnaast vindt de Raad dat [verdachte] een duidelijk signaal moet worden gegeven dat dergelijk gedrag niet acceptabel is en adviseert daarom ook een jeugddetentie aan hem op te leggen, die niet langer zal duren dan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De Raad vindt het namelijk belangrijk dat de prille start bij [instelling] , start van zijn dagbesteding, wonen en inzet van behandeling niet onderbroken wordt.

Samen Veilig heeft ook in het advies van 30 januari 2026 geadviseerd om [verdachte] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen onder de eerdergenoemde voorwaarden, omdat behandeling noodzakelijk blijkt te zijn om de scheefgroei in zijn persoonlijkheid terug te dringen en recidive te voorkomen.

[verdachte] heeft op zitting verklaard dat hij op dit moment drie dagen per week naar school gaat en twee dagen per week stage loopt bij [instelling] . Hij hoopt een bijbaan te krijgen bij een lunchroom, hiervoor is hij bezig met de sollicitatie. De behandeling van Inforsa is nog niet gestart. Hij blowt nog af en toe, maar niet dagelijks of wekelijks meer.

Op zitting heeft de raadsonderzoeker aangegeven dat zij contact met [verdachte] heeft gehad toen hij pas 2,5 week bij [instelling] verbleef. Zij vindt het een positieve ontwikkeling dat hij op dit moment naar school gaat en stage loopt, waarvan de eerste berichten positief zijn. De jeugdreclasseerder van SAVE heeft zich hierbij aangesloten. [verdachte] weet zijn hulpvragen daar te stellen en is goed in zijn communicatie.

De hoofdbehandelaar van [instelling] heeft op zitting aangegeven dat [verdachte] het goed doet bij [instelling] . Zijn begeleiders zijn positief over hem. Er is sprake van contactgroei, waardoor er afspraken met hem kunnen worden gemaakt. Hij heeft laten zien dat hij graag naar school wil en dat hij zelfredzaam en oplossingsgericht is. Hij heeft zijn eigen stage bij [instelling] geregeld. Zij stelt zich op het standpunt dat de oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet passend is voor de ontwikkeling van [verdachte] . Zij ziet op dit moment dat hij intrinsiek gemotiveerd is, maar om dit te behouden heeft hij een aanpak nodig waarin positieve feedback centraal staat. Een ‘militante’ bejegening (door middel van een voorwaardelijke PIJ-maatregel) zal dan ook averechts werken omdat het hem verhoogde druk en stress oplevert. [verdachte] heeft sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis nog slechts voor een relatief korte duur behandeling gehad, maar naar inschatting is het huidige positieve verloop hiervan een goede voorspeller voor de toekomst.

De op te leggen straf

Geen PIJ-maatregel

Gelet op de hierboven besproken adviezen wordt de rechtbank voor de vraag gesteld of een voorwaardelijke PIJ-maatregel aan [verdachte] dient te worden opgelegd. Voor het opleggen van een PIJ-maatregel ex artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat:

er bij [verdachte] ten tijde van het begaan van het misdrijf sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;

het feit betreft waarvoor de maatregel wordt opgelegd een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist;

de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] .

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog en de psychiater over dat er bij [verdachte] ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een gedragsstoornis. De rechtbank is ook van oordeel dat er sprake is van feiten waarvoor de PIJ-maatregel kan worden opgelegd. Maar de rechtbank ziet onvoldoende aanleiding en noodzaak om de PIJ-maatregel op te leggen. De oplegging hiervan is namelijk niet in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . Gelet hierop is niet voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de PIJ-maatregel.

Daarnaast acht de rechtbank het niet passend om aan [verdachte] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Ondanks het feit dat [verdachte] nog niet zo lang geschorst is uit de voorlopige hechtenis, ziet de rechtbank in de verbetering en groei bij [verdachte] sinds de schorsing een basis voor een betere toekomst. [verdachte] heeft op zitting overtuigend verteld dat hij intrinsiek gemotiveerd is om aan zijn toekomst te werken en eerlijk durft aan te geven dat hij bijvoorbeeld nog hulp nodig heeft bij het omgaan met verleiding. De rechtbank constateert hiermee dat [verdachte] in staat is om zijn hulpvragen kenbaar te maken en duidelijk is in de communicatie. De rechtbank neemt verder in overweging dat een ‘militante’ bejegening volgens de hoofdbehandelaar niet goed zou aanslaan bij [verdachte] . Naar het oordeel van de rechtbank valt hem bovendien niet te verwijten dat eerdere hulpverlening van Articare is misgelopen, waardoor de nodige behandeling niet eerder van de grond is gekomen en [verdachte] er eerder niet in is geslaagd om zich te houden aan bijzondere voorwaarden. De mogelijkheden van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden zijn daarom nog niet uitgeput. Dit tezamen brengt de rechtbank tot de conclusie dat er aanleiding is om [verdachte] geen voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, maar de voorwaarden die nodig zijn om [verdachte] verder te helpen op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf.

Oplegging jeugddetentie

De rechtbank houdt er bij het bepalen van de hoogte van de straf in strafverzwarende zin rekening mee dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een reeks van ernstige strafbare feiten, terwijl hij kort daarvoor nog was veroordeeld en nota bene in een proeftijd liep. Het is heel zorgelijk dat [verdachte] zich op zo jonge leeftijd schuldig heeft gemaakt aan deze reeks ernstige strafbare feiten die doorgaans met zware criminaliteit in verband worden gebracht. Anderzijds heeft de rechtbank oog voor de ondergeschikte rol van [verdachte] in de groep met wie hij meerdere van de feiten heeft gepleegd. In strafverminderende zin houdt de rechtbank er dan ook rekening mee dat [verdachte] een kwetsbare jongen is, die omwille van het snelle geld in deze criminele wereld is meegezogen door sterkere spelers die daarop hebben ingespeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten alle bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan [verdachte] worden toegerekend. Anders dan ten tijde van de gesprekken van [verdachte] met de psychiater en de psycholoog van het NIFP, heeft [verdachte] inmiddels inzicht gegeven in zijn handelen bij feiten 3 en 5 (de handel in drugs en de deelname aan een criminele organisatie), waardoor de redenering van de deskundigen over verminderde toerekening volgens de rechtbank ook voor die feiten op gaat. Dit weegt in strafverminderende zin mee.

In het kader van vergelding en normbevestiging van alle bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een forse jeugddetentie passend. De rechtbank acht het van belang dat het behandelplan, dat door de Raad op grond van het Pro Justitia rapport is geadviseerd, per direct in actie wordt gezet zodat [verdachte] zijn positieve lijn kan voortzetten. De rechtbank zal [verdachte] daarom veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank zal het onvoorwaardelijke strafgedeelte van de jeugddetentie gelijk stellen aan de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht, zodat hij niet opnieuw in detentie terechtkomt waardoor zijn positieve ontwikkeling wordt doorkruist.

Gelet op dit alles acht de rechtbank een jeugddetentie van 600 dagen, waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die zijn geadviseerd door de Raad, met uitzondering van het contactverbod met de slachtoffers zodat de optie van mediation mogelijk blijft. De rechtbank zal [verdachte] tot slot wel een contactverbod opleggen met slachtoffer [slachtoffer 1] en met mevrouw [slachtoffer 2] .

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op het hoge recidiverisico dat [verdachte] wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en omdat de rechtbank het van belang acht dat de behandeling van [verdachte] direct zal starten, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden en het toezicht hierop dadelijk uitvoerbaar verklaren.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist in de zaak met parketnummer 16/008236-25 de onttrekking aan het verkeer van het onder [verdachte] inbeslaggenomen vuurwapen en het kogelpatroon. In de zaak met parketnummer 16/384261-24 eist de officier van justitie om de onder [verdachte] inbeslaggenomen hoeveelheid aan verdovende middelen, twee valse kentekenplaten en een stroomstootwapen te onttrekken aan het verkeer.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder [verdachte] inbeslaggenomen voorwerpen. De advocaat verzoekt de rechtbank om ook een beslissing te nemen ten aanzien van een zwarte iPhone die onder [verdachte] in beslag is genomen.

Oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de volgende in beslag genomen voorwerpen onttrekken aan het verkeer:

een aantal stuks verdovende middelen;

twee kentekenplaten;

een stroomstootwapen;

een pistool.

Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door [verdachte] begane feiten aangetroffen. Met behulp van de verdovende middelen en het pistool zijn de onder 3 en 6 bewezen verklaarde feiten begaan. De kentekenplaten en het stroomstootwapen zijn voorwerpen die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.

Teruggave aan [verdachte]

Na afloop van de zitting heeft de officier van justitie de rechtbank laten weten dat het Openbaar Ministerie reeds had toegezegd dat de telefoon retour naar [verdachte] zou gaan. De officier van justitie heeft aangegeven ervoor te zorgen dat dit daadwerkelijk plaatsvindt. De rechtbank gelast ten overvloede de teruggave aan [verdachte] van de zwarte iPhone.

7. Vorderingen benadeelde partijen

Vorderingen van de benadeelde partijen

Vordering van [benadeelde 1]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 12.945,00 voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 11.945,00 voor vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

Goude ketting met naam Rawan + armband: € 1.436,00;

Goude ketting met naam Jannah + armband: € 1.451,00;

Goude ketting met naam Habiba + armband: € 1.418,00;

Michael Kors horloge + Fossil horloge: €400,00 + €150,00 = € 550,00;

Twee gouden ringen: € 1.950,00;

Twee Michael Kors armbanden: € 500,00;

Swarovski armband: € 150,00;

Drie paar gouden oorbellen: € 745,00;

Laminaat schade + keuken schade: € 550,00 + € 2.000,00 = € 2.550,00;

Cash geld + spaarpot: € 950,00 + € 245,00 = €1.195,00.

Vordering van [benadeelde 2]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 7.857,00 voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 7.407,00 voor vergoeding van materiële schade en € 450,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

Door verzekeraar niet vergoede schade weggenomen sieraden: € 6.557,00;

Door verzekeraar niet vergoede schade weggenomen contanten: € 850,00.

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Vordering van [slachtoffer 1]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.001,00 voor feit 4, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De benadeelde partij heeft in zijn verzoek tot schadevergoeding aangegeven zich wegens een verhuizing niet meer te herinneren wat zijn materiële schade was, maar dat het in ieder geval om een kapotte voorruit ging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie eist ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] dat de materiële schadeposten worden toegewezen, maar dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie eist dat de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige deel niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] eist de officier van justitie dat deze integraal wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie eist dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, omdat uit jurisprudentie volgt dat een vernieling onvoldoende basis biedt voor het aannemen van het bestaan van immateriële schade.

Tot slot eist de officier van justitie dat [verdachte] en zijn mededaders samen aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding aan benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , omdat hij feit 1 samen met mededaders heeft gepleegd (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk).

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Primair omdat deze te laat zou zijn ingediend en de verdediging daardoor onvoldoende tijd heeft gehad om zich op deze vordering voor te bereiden, en subsidiair wegens onvoldoende onderbouwing.

De advocaat verzoekt om benadeelde partij [benadeelde 2] primair niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de advocaat om slechts € 450,00 toe te wijzen ter vergoeding van immateriële schade en het bedrag ter vergoeding van materiële schade flink te matigen.

De advocaat verzoekt om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing.

Oordeel van de rechtbank

Vordering van [benadeelde 1]

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de weggenomen horloges en sieraden (nummers 1 tot en met 8) is slechts onderbouwd met één kassabon van de Swarovski en drie handgeschreven bonnen in de Arabische taal (volgens de benadeelde zijn dit de facturen). De benadeelde partij heeft aangegeven dat de bijbehorende kassabonnen zijn meegenomen door de verdachten, waardoor hij zelf een schatting heeft moeten maken van de waarde van deze schadeposten.

Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat er inderdaad een hoeveelheid aan horloges en sieraden is gestolen van de benadeelde partij. Een vergoeding van materiële schade staat in rechtstreeks verband met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij heeft daarom recht op een vergoeding hiervoor. Nu er geen concrete onderbouwing is gegeven van de aanschafwaarde van de weggenomen horloges en sieraden, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Gelet op de geschatte bedragen die door de benadeelde partij zijn gekoppeld aan de weggenomen horloges en sieraden, stelt de rechtbank de waarde hiervan vast op € 8.000,00. Aangezien er naast [verdachte] nog drie medeverdachten verantwoordelijk zijn voor deze schade, acht de rechtbank het passend om [verdachte] te veroordelen voor een bedrag van € 1.000,00, gelet op zijn rol en aandeel in de winst hiervan ten opzichte van de medeverdachten.

Daarnaast wordt er onder materiële schade tevens kosten voor de schade aan het laminaat en de keuken, en contant geld gevorderd. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit deel van de vordering niet is onderbouwd.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad. Uit jurisprudentie blijkt dat het nadelige gevolg, dat uitsluitend bestaat uit verlies van persoonlijke spullen, geen reden is om aan te nemen dat er sprake is van een aantasting in de persoon. Een woninginbraak kan theoretisch gezien dermate ingrijpende gevolgen hebben waardoor de aantasting in de persoon kan worden aangenomen, maar daarvoor is vereist dat vaststellingen over die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Het laatstgenoemde is hier ook niet het geval. Kortom, de Hoge Raad stelt hoge maatstaven voor het toekennen van immateriële schade ten gevolge van een woninginbraak, waar in dit geval niet aan is voldaan. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.

Beslissing

De rechtbank zal de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toewijzen tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade.

De rechtbank veroordeelt [verdachte] tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering.

De rechtbank veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt [verdachte] de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 1.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2024 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank bepaalt dat bij niet betaling geen gijzeling zal worden toegepast.

De rechtbank bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Vordering van [benadeelde 2]

De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van de woninginbraak aan de [adres 4] te [plaats] onder feit 1. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank verklaart daarom de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Vordering van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van materiële schade niet onderbouwd.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige gebaseerd is op het verkrijgen van een vergoeding van immateriële schade op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW, omdat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon zou zijn aangetast.

De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van zijn vordering slechts gesteld dat [verdachte] bij een groep hoort die hem al langere tijd pest, waardoor hij psychisch achteruit is gegaan. Gelet op bovengenoemd juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Hij heeft immers geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Bovendien volgt reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting (vernieling van een voorruit) en de gevolgen daarvan dat er geen sprake is van een aantasting ‘op andere wijze’. De rechtbank zal de vordering daarom in zijn geheel afwijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De rechtbank in Lelystad heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16/265854-23 op 14 mei 2024 een jeugddetentie van 42 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaren.

Vordering van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit, hetgeen in principe aanleiding is om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie te eisen. Echter wil de officier van justitie het plan van aanpak van de Raad hiermee niet doorkruisen. Daarom eist de officier van justitie dat de voorwaardelijke jeugddetentie van 42 dagen zal worden omgezet in een werkstraf van 84 uur.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen, gelet op de lange duur dat [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie en zal in plaats van de voorwaardelijke jeugddetentie van 42 dagen daarom een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 84 uren gelasten.

9. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en de beslissing op het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

10. De beslissing

straf

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;

- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 600 (zeshonderd) dagen;

- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 280 (tweehonderdtachtig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :

- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :

3. zal verblijven bij [instelling] of een soortgelijke instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, waarbij [verdachte] zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld, te bepalen door de jeugdreclassering. Het verblijf duurt zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;

4. zich zal houden aan het locatiegebod, te weten dat hij zich dient te bevinden op het adres de [adres 1] te [woonplaats] , zolang de jeugdreclasseerder dit noodzakelijk acht. Daarnaast zal [verdachte] zich houden aan het locatieverbod waarbij hij zich niet binnen de gemeentegrenzen van Lelystad zal bevinden, tenzij dit nodig is voor bezoek aan de rechtbank in Lelystad voor de behandeling van zijn strafzaak en/of dit nodig is voor familiebezoek, uitsluitend op het adres de [adres 13] te [plaats] en voor zover hij gebracht en gehaald wordt door [instelling] .

Als de jeugdreclasseerder het noodzakelijk acht om, voor een doelmatige uitvoering van het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden, de periode, tijd of locatie aan te passen dan zal zij hierover overleggen met het Openbaar Ministerie.

[verdachte] zal zich ter controle van het locatiegebod en verbod onder elektronische toezicht stellen van de gecertificeerde instelling, te weten Samen Veilig Midden-Nederland, zolang de jeugdreclasseerder dit noodzakelijk acht;

5. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten:

o [medeverdachte 2] (geboren [2004] te [geboorteplaats] ),

o [medeverdachte 1] (geboren [2004] te [geboorteplaats] ),

o [medeverdachte 3] (geboren [2004] te [geboorteplaats] ),

o [medeverdachte 4] (geboren [2006] te [geboorteplaats] ),

o [medeverdachte 5] (geboren [2006] te [geboorteplaats] ) en

o [medeverdachte 6] (geboren [2007] te [geboorteplaats] ),

zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk acht;

6. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

o [slachtoffer 2] , geboren op [1957] ;

o [slachtoffer 1] , geboren op [1974] ,

zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk acht;

7. een positieve dagbesteding zal hebben in de vorm van werk, naar goedkeuring van de jeugdreclasseerder;

8. een positieve vrijetijdsbesteding zal hebben in de vorm van sport of hobby, naar goedkeuring van de jeugdreclasseerder;

- waarbij de gecertificeerde instelling, te weten Samen Veilig Midden-Nederland, opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

beslag t.a.v. parketnummer 16/384261-24

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

beslag t.a.v. parketnummer 16/008236-24

- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:

1 STK Pistool (omschrijving: PL0900-2025008129-3464329);

- gelast de teruggave aan [verdachte] van het volgende voorwerp:

1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025008129-3464317, iPhone, zwart);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1)

- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 1.000,00, bestaande uit een vergoeding van materiële schade;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1)

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 4)

vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/265854-23

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Lelystad bij vonnis van 14 mei 2024 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe;

- gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 84 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 42 dagen vervangende hechtenis;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. H.C. Piet en S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R.V. Joerawan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.

De voorzitter, jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 16/384261-24

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 26 december 2024 tot en met 1 januari 2025 te Lelystad,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende(n) bevonden, een of meer goederen die geheel of ten dele aan een of meer anderen toebehoorden, te weten

- op of omstreeks 26 december 2024 geld, een horloge en/of een erepenning, toebehorend aan [aangever 1] ( [adres 2] ) en/of

- in de nacht van 27 op 28 december 2024 een of meer horloges en/of sieraden, toebehorend aan [aangever 2] en/of [A] en/of [B] ( [adres 3] ) en/of

- op of omstreeks 31 december 2024 een of meer sieraden, zonnebrillen, horloges, riemen, een Fatbike V8, een handtas en/of geld, toebehorend aan [benadeelde 2] ( [adres 4] ) en/of

- in de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 een of meer horloges en/of sieraden, toebehorend aan [benadeelde 1] ( [adres 5] ) en/of

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 2

hij in of omstreeks de periode van 25 december 2024 tot en met 28 december 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich aldaar buiten wil of tegen de wil van de rechthebbende(n) bevonden, geld en/of goederen die geheel of ten dele aan een of meer anderen toebehoorden, te weten aan

- [aangever 3] ( [adres 6] , in de nacht van 25 december 2024 op 26 december 2024) en/of

- [aangever 4] ( [adres 7] , op of omstreeks 26 december 2024) en/of

- [aangever 5] ( [adres 8] , in de nacht van 27 december 2024 op 28 december 2024) en/of weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een ruit van die woningen heeft ingeslagen en/of ingegooid en/of een deur van die woningen heeft geforceerd en/of opengebroken en/of een raamklem, een of meer schuifpuien, een raam en/of een houten kozijn heeft beschadigd en/of vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3

hij in of omstreeks de periode gelegen tussen 1 september 2024 tot en met 20 januari 2025 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 4

hij op of omstreeks 13 december 2024 te Lelystad, opzettelijk en wederrechtelijk een raam, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

feit 5

hij in of omstreeks de periode van 12 november 2024 tot en met 18 februari 2025 te Lelystad

heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)

- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [medeverdachte 4] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- woninginbraken als bedoeld in artikel 311 Wetboek van Strafrecht en/of

- diefstal met geweld als bedoeld in artikel 312 Wetboek van Strafrecht en/of

- ( gewoonte)witwassen als bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht en/of

- mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht (variant criminele uitbuiting);

in de zaak met parketnummer 16/008236-25

hij op of omstreeks 8 januari 2025 te Lelystad, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Blow, model TR34, kaliber 7.65mmBr zijnde een vuurwapen in de vorm van een gaspistool omgebouwd naar projectiel

schietend, en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de Wet Wapens en Munitie, van categorie III, te weten een scherp kogelpatroon, kaliber 7.65mmBr, voorhanden heeft gehad.

Bijlage II: De bewijsmiddelen t.a.v. feit 5

- een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, zijnde een rapport betreffende forensisch DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute (TMFI) van 13 januari 2025, pagina 616 en 617;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?