[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: B.F.W.J. van Boxtel).
Inleiding
Feiten
6. De auto met kenteken [kenteken] stond op 14 januari om 22:35 uur en 17 februari 2023 omstreeks 22:20 uur stil aan de St.- Janshovenstraat te Utrecht. Tijdens een controle op voornoemde data en tijdstippen is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
7. Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan eiser twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd van € 76,91 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 4,01 en € 72,90 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd, omdat er door eiser geen of te weinig parkeerbelasting is betaald. In geschil is uitsluitend of de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven in de kosten (ramingen) die onderliggend zijn aan de bepaling van de hoogte van de naheffingsaanslag en of deze kosten niet te hoog zijn.
9. Eiser kan zich niet verenigen met de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag en stelt -kort gezegd- aan de orde dat niet controleerbaar is of de opbrengstlimiet in de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 gemeente Utrecht (de Verordening) is overschreden. Daarnaast heeft eiser nog een aantal andere met het voorgaande verband houdende beroepsgronden aangevoerd.
10. De rechtbank stelt vast dat één of meer eisers met behulp van dezelfde gemachtigde dezelfde verordening reeds zonder succes hebben aangevochten bij deze rechtbank. Op vragen van de rechtbank heeft de gemachtigde verklaard dat hij tegen deze uitspraken (vooralsnog) geen hoger beroep heeft ingesteld. In al deze zaken zijn telkens min of meer dezelfde beroepsgronden aangevoerd.
11. Ook in deze zaak worden opnieuw vrijwel identieke beroepsgronden als in de eerdergenoemde procedures aangevoerd. De rechtbank heeft ter zitting aan de gemachtigde uitdrukkelijk gevraagd of hij nieuwe/aanvullende beroepsgronden heeft, die niet eerder in andere zaken naar voren zijn gebracht, of dat er beroepsgronden zijn waarvan het oordeel in de eerder genoemde procedures gemotiveerd in twijfel wordt getrokken. De gemachtigde heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Aangezien de beroepsgronden vrijwel identiek zijn aan de eerdere procedures bij deze rechtbank en de rechtbank in deze zaken al uitvoerig is ingegaan op deze beroepsgronden, zal de rechtbank volstaan met verwijzing naar deze uitspraken, waarin de beroepen ongegrond zijn verklaard, in het bijzonder naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2728.
Conclusie en gevolgen
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.