RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/917
(gemachtigde: mr. C.C. Haanappel)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. S.N. Westmaas)
Procesverloop
Eiser heeft gewerkt als [functie] in de zorg. Eiser heeft over de periode van
1 januari 2025 tot en met 31 mei 2025 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Eiser heeft zich op 23 mei 2025 ziekgemeld en een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aangevraagd.
Eiser heeft op 18 augustus 2025 bij het Uwv een fysiek spreekuur van een arts bezocht. De arts heeft psychisch en lichamelijk onderzoek bij eiser verricht. Bij besluit van 29 augustus 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiser per datum van ziekmelden niet arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk. Daarom heeft het Uwv bij het primaire besluit eiser geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW-uitkering) toegekend.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het Uwv heeft bij besluit van 2 januari 2026 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het bezwaar te laat heeft ingediend zonder verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser heeft op 27 januari 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. Naar aanleiding van het ingestelde beroep heeft het Uwv de rechtbank verzocht om de zaak aan te houden, omdat volgens het Uwv toch sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft de zaak toen aangehouden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 26 maart 2026 op basis van dossierstudie gerapporteerd dat eiser arbeidsgeschikt is voor het eigen werk in volle omvang. Met het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van
2 januari 2026 vervangen en het bezwaar van eiser alsnog inhoudelijk beoordeeld. Het Uwv heeft hierbij het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing van de ZW-uitkering in stand gelaten. Bij brief van 29 april 2026 heeft eiser aan de rechtbank kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met dit besluit. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit. Eiser heeft hiertegen nieuwe beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder hebben aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Horen tijdens de bezwaarprocedure
2. Eiser voert aan dat hij niet is gehoord over zijn bezwaren die gericht zijn tegen het bestreden besluit. De telefonische hoorzitting die heeft plaatsgevonden op 29 december 2025 ging enkel over de afwijzing van de toeslag op de ZW-uitkering en niet over de afwijzing van de ZW-uitkering.
3. Verweerder stelt dat op 29 december 2025 een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat in eerste instantie niet duidelijk was tegen welk besluit eiser bezwaar had gemaakt.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het verslag van de telefonische hoorzitting van 29 december 2025 blijkt dat tijdens de hoorzitting is gesproken over het bezwaar dat eiser had ingediend tegen de terugvordering van het voorschot op zijn ZW-uitkering. Uit het hoorverslag blijkt verder dat niet is gesproken over eventuele bezwaargronden tegen de afwijzing van de ZW-uitkering, omdat verweerder ten tijde van de hoorzitting nog in de veronderstelling was dat eiser geen bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit is eiser ook niet gehoord over zijn bezwaren tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Het recht van eiser om te worden gehoord, is een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Voordat op het bezwaar wordt beslist, moet eiser in de gelegenheid worden gesteld door het bestuursorgaan om te worden gehoord. Eiser is niet gehoord over zijn bezwaren tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een ZW-uitkering. Nu ten onrechte is afgezien van een hoorzitting, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
5. De vraag is vervolgens welke consequenties moeten worden verbonden aan de schending van de hoorplicht. Eiser is in deze beroepsprocedure alsnog in de gelegenheid gesteld om alles naar voren te brengen wat hij op de hoorzitting naar voren had willen brengen en om op de zitting van de rechtbank te verschijnen. Eiser is daarom niet benadeeld door het gebrek in de bezwaarfase. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek aan het bestreden besluit te passeren. De rechtbank zal hierna aan de hand van de overige beroepsgronden beoordelen of het bestreden besluit in stand kan blijven.
De medische beoordeling: zorgvuldigheid
6. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
7. Eiser voert aan dat de beslissing op bezwaar onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij enkel telefonisch is gehoord over zijn bezwaren. In dit gesprek is niet gesproken over de medische klachten en de daarop gerichte bezwaren. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift zijn klachten beschreven, maar is niet medisch onderzocht en er zijn voorafgaand aan de herbeoordeling geen vragen aan hem gesteld over zijn gezondheidssituatie. Er kan daarom niet worden gesteld dat het medische toestandsbeeld op basis van het dossier voldoende duidelijk was. Hierbij speelt volgens eiser ook mee dat hij alleen door een arts en niet door een verzekeringsarts is gezien op het primaire spreekuur. Er had volgens eiser in bezwaar een fysiek spreekuur moeten plaatsvinden met een geregistreerde verzekeringsarts, omdat eiser de medische grondslag van het primaire besluit heeft betwist.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat na heropening van het dossier de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding heeft gezien voor een aanvullend lichamelijk en/of psychisch onderzoek, omdat het medisch toestandsbeeld op basis van het dossier voldoende duidelijk werd geacht en er in het dossier en het bezwaarschrift geen aanwijzingen waren die nader onderzoek noodzakelijk maakten. De datum in geding is
23 mei 2025 en op 18 augustus 2025 heeft het spreekuur bij de arts plaatsgevonden. De door eiser aangevoerde bezwaren zijn in de beoordeling betrokken. Daarbij heeft eiser ook in de beroepsfase nog de mogelijkheid om zijn medische gronden nader te onderbouwen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig uitgevoerd. Eiser heeft in de primaire fase op 18 augustus 2025 een fysiek spreekuur van een arts bezocht. De arts heeft dossierstudie verricht en heeft eiser tijdens een fysiek spreekuur psychisch en lichamelijk onderzocht. Wat betreft de beroepsgrond dat eiser in deze fase niet is gezien door een geregistreerde verzekeringsarts wijst de rechtbank op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Daaruit volgt dat sprake is van een voldoende zorgvuldige handelwijze, indien het onderzoek van de arts is getoetst, akkoord bevonden en medeondertekend door een geregistreerde verzekeringsarts. In dit geval is het rapport van de arts in de primaire fase getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts. In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie verricht en heeft er geen spreekuur plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd dat hij voldoende medische informatie had om een zorgvuldig oordeel te vormen over de belastbaarheid van eiser en dat een spreekuur niets aan zijn beoordeling zou toevoegen. De rechtbank overweegt verder dat de klachten van eiser, die hij heeft opgenomen in zijn bezwaarschrift, zijn betrokken in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 maart 2026. De medische beperkingen van eiser zijn naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld op basis van zorgvuldig onderzoek door de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De medische beoordeling: inhoudelijk
10. Eiser voert aan dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen en dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geschikt is voor zijn eigen werk. Hij ervaart forse psychische klachten, die zich vertalen in lichamelijk klachten zoals gewichtsverlies en duizeligheid. Eiser weegt nog maar 48 kilogram en is zowel mentaal als fysiek uitgeput. Het lukt eiser al lange tijd niet om arbeid te verrichten, maar ook niet om goed voor zichzelf te zorgen. Verder voert hij aan dat zijn psychische klachten zijn onderschat en dat hier onvoldoende rekening mee wordt gehouden. Eiser heeft een arbeidsrapportage ingebracht, waaruit volgens eiser blijkt dat hij momenteel door de arbeidsonderzoeker en psycholoog van HetWerktNu niet in staat wordt geacht duurzaam te participeren in arbeid. Volgens eiser blijkt uit het rapport dat zijn klachten, zoals duizeligheids- en psychische klachten, al langere tijd spelen en dat dit ook de klachten zijn die hij reeds in het primaire spreekuur met de arts heeft benoemd. Door deze klachten kan hij zijn werk als [functie] niet op verantwoorde wijze uitvoeren. Eiser wijst op het door hem ingebrachte huisartsjournaal van
4 en 9 maart 2026 en op het verslag van de POH van 5 mei 2026.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepsgronden van eiser grotendeels overeenkomen met de gronden die eiser in bezwaar heeft aangevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 26 maart 2026 onder meer toegelicht dat de klachten van eiser al bestonden toen eiser nog werkzaam was als [functie] . Eiser heeft met deze klachten dus ook zijn eigen werk verricht. Daarnaast is er vanaf de datum in geding geen nieuwe behandeling gestart. De ervaren duizeligheidsklachten vormen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen contra-indicatie voor het eigen werk, onder ander omdat de bewegingen waar eiser last van heeft niet evident aan de orde zijn in het eigen werk, er tijdens dit werk geen sprake is van zwaardere fysieke inspanning, de in mei 2025 gemeten bloeddruk bij de huisarts goed was en eiser zelfstandig rijdend naar het primaire spreekuur toekwam. Ten aanzien van de gestelde concentratieproblemen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat geen sprake is van een medisch objectiveerbare onderbouwing waaruit een cognitieve stoornis blijkt. Ook biedt de aard van de onderliggende medische problematiek geen aanknopingspunten voor het aannemen van een dergelijke stoornis. Het eigen werk van eiser is volgens de verzekeringsarts te doen met de mate van belastbaarheid van eiser. Met betrekking tot de ingebrachte arbeidsrapportage stelt verweerder dat dit rapport geen gegevens verstrekt over de gezondheidssituatie van eiser op de datum in geding. Daarnaast is het onderzoek verricht binnen een ander wettelijk kader, namelijk in het kader van de Wet Werk en Bijstand.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat eiser arbeidsgeschikt is voor het eigen werk. De rechtbank kan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed volgen. Dat eiser het niet eens is met het oordeel van de verzekeringsartsen kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat de medische beoordeling onjuist is. Het is de specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen om op basis van de beschikbare medische informatie de objectiveerbare beperkingen en de belastbaarheid vast te stellen. De eigen opvatting en klachtenbeleving van eiser is daarbij niet doorslaggevend. Het huisartsenjournaal van 4 en 9 maart 2026 en het verslag van de POH van 5 mei 2026 dat eiser heeft overgelegd maken dit oordeel niet anders, omdat de rechtbank daarin geen aanknopingspunten heeft gezien dat de primaire arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep in zoverre belangrijke informatie hebben gemist, althans geen informatie die niet al blijkt uit de overige dossierstukken. De rechtbank volgt verder het standpunt van verweerder met betrekking tot de door eiser ingebrachte arbeidsrapportage. Dit rapport is in juni 2026 opgesteld om een beeld te krijgen van de arbeids- en/of re-integratiemogelijkheden van eiser. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep tegen het besluit van 2 januari 2026 is niet-ontvankelijk. Eiser heeft immers geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit omdat het Uwv dit besluit heeft vervangen door het bestreden besluit.
14. Ten aanzien van het bestreden besluit concludeert de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de oordelen die daaruit voortvloeien juist zijn. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft besloten geen ZW-uitkering aan eiser toe te kennen. Dit betekent dat het besluit wel klopt en het besluit niet hoeft te worden vernietigd vanwege het onder 5 geconstateerde gebrek.
15. Verweerder heeft het besluit van 2 januari 2026 naar aanleiding van het beroep vervangen door het bestreden besluit. Eiser heeft om die reden wel terecht beroep ingesteld tegen het besluit van 2 januari 2026. Daarnaast is er sprake van een gebrek in het bestreden besluit. Verweerder moet daarom aan eiser het griffierecht en de proceskosten die eiser in beroep heeft gemaakt vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 januari 2026 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- bepaalt verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.