RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5745
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 5 juni 2026, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 11 maart 2026 om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft op 11 maart 2026 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet verweerder binnen vier weken beslissen op het Woo-verzoek. Verweerder heeft de ontvangst van het Woo-verzoek bij brief van 13 maart 2026 bevestigd en de beslistermijn verdaagd met twee weken op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk 22 april 2026 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 12 mei 2026 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiser heeft op 5 juni 2026 beroep ingesteld.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 23 juni 2026 aan dat de behandeling van het Woo-verzoek meer tijd vergt. De documenten moesten worden geïnventariseerd en beoordeeld. De zienswijzeprocedure is gestart op 9 juni 2026 en is inmiddels volledig doorlopen. Verweerder streeft ernaar het besluit uiterlijk 3 juli 2026 te kunnen nemen.
6. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is de door verweerder verzochte beslistermijn verstreken. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Verder zijn er geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
de griffier is verhinderd deze uitspaak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.