RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen
Unique Staffing B.V., gevestigd te Almere, eiseres
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1324
(gemachtigde: mr. Bockting),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (gemachtigde: L. Walraven) verweerder.
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet tijdig een besluit op de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (hierna: EZWb) van haar (ex-)werkneemster mevrouw [naam] heeft genomen.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet tijdig een besluit neemt kan de betrokkene daartegen in
beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog een besluit moet worden genomen. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Een EZWb is een ambtshalve beslissing van verweerder. Uit de wet en
jurisprudentie volgt dat er door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een ambtshalve te nemen beslissing. Een EZWb-besluit moet uiterlijk in week 52 van de ziekte van de (ex-)werknemer worden genomen. De werkneemster van eiseres is op 29 januari 2025 ziek uitgevallen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 28 januari 2026 een EZWb-besluit moest nemen. Verweerder heeft op 23 januari 2026 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Dat was voor afloop van de beslistermijn en dus te vroeg. Daarom is geen sprake van een rechtsgeldige ingebrekestelling. Het beroep is dus niet-ontvankelijk.
Conclusie
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: