ECLI:NL:RBMNE:2026:5946

ECLI:NL:RBMNE:2026:5946

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer UTR 26/1268
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

BNT WOO verzoek

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] , verweerder(gemachtigde: J. de Vaal-Vink).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 11 februari 2026 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie van 21 december 2025 op grond van de Wet open overheid (Woo).

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op het Woo-verzoek is verstreken. Eiser heeft op 21 december 2025 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. Eiser heeft verweerder op 22 januari 2026 in gebreke gesteld. Meer dan twee weken later, bij de brief van 11 februari 2026, heeft eiser een beroepschrift ingediend.

4. Het beroep is dan ook gegrond.

Verweerder moet alsnog een besluit nemen

5. Omdat verweerder nog geen volledig (nieuw) besluit heeft genomen op het Woo-verzoek, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).

6. Verweerder stelt in het verweerschrift dat hij kampt met een hoge werkdruk en achterstanden door het grote aantal Woo-verzoeken. De verzoeken zijn vaak ingewikkeld en er zijn vaak veel documenten bij betrokken. Verweerder is bezig maatregelen te nemen om termijnoverschrijding van toekomstige verzoeken te voorkomen. Tegelijkertijd zet verweerder alles op alles om lopende Woo-verzoeken, zoals die van eiser, zo snel mogelijk af te ronden. Meerdere medewerkers werken tegelijkertijd aan het Woo-verzoek, waardoor de inventarisatie en beoordeling van documenten sneller kan worden voltooid. Verweerder streeft ernaar binnen drie maanden na de datum van het verweerschrift een besluit te kunnen nemen op het Woo-verzoek van eiser. Daarbij licht verweerder toe dat eerst de relevante documenten worden geïnventariseerd. Daarna wordt per passage getoetst aan de weigeringsgronden van de Woo. Verweerder verwacht dat in deze procedure een aantal derde-belanghebbenden de gelegenheid moet krijgen om een zienswijze in te dienen. Niet valt uit te sluiten dat een aantal belanghebbenden bedenkingen zullen hebben tegen openbaarmaking. Verweerder moet eventuele bedenkingen beoordelen en verwerken in het uiteindelijke Woo-besluit. Verweerder vindt dat drie maanden een realistische termijn, gelet op de zorgvuldige beoordeling van de bij dit Woo-verzoek betrokken belangen en de behandeling van de andere Woo-verzoeken.

7. De rechtbank overweegt over de nadere beslistermijn als volgt.

Verweerder heeft wel globaal de stappen genoemd die hij moet zetten bij de beoordeling van een Woo-verzoek, maar hij heeft onvoldoende toegelicht wat hij al heeft gedaan en wat er nog precies moet gebeuren bij de beoordeling van het Woo-verzoek van eiser. Verweerder heeft bijvoorbeeld niet concreet toegelicht wat de inventarisatie van documenten tot nu toe heeft opgeleverd. Het is de rechtbank niet duidelijk om hoeveel stukken het (naar verwachting) gaat. De algemene toelichting dat er veel Woo-verzoeken zijn die complex en omvangrijk zijn, geeft geen inzicht of het Woo-verzoek van eiser ook complex en omvangrijk is. Verder heeft verweerder niet concreet toegelicht hoeveel tijd hij voor iedere stap verwacht nodig te hebben. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanleiding om de door verweerder gevraagde beslistermijn van drie maanden op te leggen.

De rechtbank begrijpt uit de toelichting van verweerder echter wel dat hij op dit moment kampt met veel complexe en omvangrijke Woo-verzoeken en dat hij maatregelen neemt om hiermee om te gaan. Gelet daarop, ziet de rechtbank wel aanleiding om af te wijken van de standaard beslistermijn van twee weken en een langere beslistermijn aan verweerder te gunnen. Uit de toelichting van verweerder, leidt de rechtbank af dat op het moment van het verweerschrift van 9 april 2026 met de inventarisatie was begonnen maar dat deze toen nog niet was afgerond. De rechtbank gaat ervan uit dat die inventarisatie inmiddels wel zal zijn afgerond en dat verweerder inmiddels ook de beoordeling van de documenten aan de hand van de weigeringsgronden van de Woo grotendeels zal hebben voltooid. De verwachting is dat derden nog een zienswijze zullen moeten kunnen indienen Vervolgens moet verweerder die zienswijzen nog beoordelen. Tot slot moet het besluit worden genomen. Dit alles overziend, acht de rechtbank een nadere beslistermijn van zes weken passend.

8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Proceskosten en griffierecht

9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is verder niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Helmich

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand