Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 614567 HA RK 26-134
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 25 augustus 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker),
1. De procedure
Verzoeker heeft op 10 juli 2026 mr. R.M. Maliepaard gewraakt. Mr. Maliepaard (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer C/16/612146/ FO RK 26-718 (hierna: de hoofdzaak).
Het wrakingsverzoek is op 11 augustus 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer.
Bij de zitting waren aanwezig:
Verzoeker
De rechter
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Aan het begin van de zitting van 10 juli 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) omdat dit volgens hem een frauduleuze instelling is. Uit de ongemotiveerde afwijzing van dat bezwaar, de omstandigheid dat de rechter geen onderzoek wilde doen naar wat er vijf jaar geleden tussen hem en zijn ex-partner is voorgevallen en haar voornemen om het advies van de Raad te volgen zonder hem om een reactie te vragen, leidt verzoeker af dat de rechter vooringenomen is.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter geeft aan dat er in dit soort zaken op grond van de wet aan de Raad om advies wordt gevraagd en dat een vertegenwoordiger van de Raad om die reden bij de zitting aanwezig was. Op de zitting heeft de rechter het verzoek van de dochter van verzoeker – waarmee deze zaak is gestart – voorgelegd aan verzoeker en de moeder en uitgevraagd hoe zij daarover denken. Omdat het verzoek vrij verstrekkend was, heeft de rechter gevraagd aan de Raad hoe zij daarover denkt. Volgens de Raad was nader onderzoek niet zinvol omdat de huidige informatie in lijn was met het eerdere dossier. De rechter heeft dit voorgehouden aan de ouders, te beginnen bij verzoeker. Toen verzoeker aangaf dat hij vindt dat de rechter nader onderzoek moet doen naar de Raad zelf omdat het volgens hem een frauduleuze instelling is, heeft de rechter aangegeven dat zij dat niet ging doen. De rechter schrijft in haar reactie dat ze vermoedt dat verzoeker vindt dat uit deze weigering vooringenomenheid blijkt, maar dat betwist zij. De rechter heeft nooit aangegeven dat zij het advies van de Raad zou gaan volgen. Een eventuele beslissing op het verzoek van de dochter kon zij immers pas nemen nadat zij van beide ouders een reactie had ontvangen op het advies van de Raad. De rechter vindt dat zij zich in de zaak open heeft opgesteld, beide kanten heeft aangehoord, en dat van vooringenomenheid dus geen sprake is.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
De wrakingskamer is van oordeel dat de omstandigheden die door verzoeker zijn aangevoerd geen aanwijzingen vormen voor het oordeel dat sprake is van (schijn van) vooringenomenheid.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit het feit dat de Raad was uitgenodigd voor de zitting en dat er een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig was geen vooringenomenheid blijkt. De rechter merkt in dit kader terecht op dat de mogelijkheid van advisering door de Raad in dit soort familierechtzaken in de wet is opgenomen en dat het uitnodigen van de Raad de vaste werkwijze is binnen de rechtbank. Het gaat hier om een procedure die gestart is door een brief van de minderjarige dochter van verzoeker. Haar verzoeken over de omgangsregeling staan daarin centraal. Dat verzoeker wil dat onderzoek wordt gedaan naar wat er in het verleden is gebeurd en de betrokkenheid van de jeugdzorgketen daarbij, maakt daarom geen onderdeel uit van de zaak. Een weigering om aan de wens van verzoeker tegemoet te komen kan daarom geen grond voor wraking opleveren.
De wrakingkamer is verder van oordeel dat uit de houding en vraagstelling van de rechter op de zitting geen vooringenomenheid blijkt. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de rechter aan de Raad vraagt wat zij van de verzoeken van de dochter vindt. De Raad geeft aan dat het beeld dat de dochter schetst in lijn is met wat al bekend was. Vervolgens vraagt de rechter aan de Raad of er gelet op de verregaande verzoeken van de dochter aanleiding bestaat om een nieuw onderzoek te doen naar de situatie. De Raad reageert daar negatief op. Uit het verdere verloop van de zitting blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer – anders dan verzoeker stelt – niet dat de rechter dit advies zonder meer zal gaan volgen. Zij vraagt naderhand namelijk om een reactie van verzoeker op dit advies. In die lijn van vraagstelling wraakt verzoeker vervolgens de rechter. De rechter heeft in haar reactie nog aangegeven dat zij daarna voornemens was om de moeder om een reactie te vragen, en dat zij daarna wilde overgaan tot het nemen van een beslissing. Zover is het door de wraking ter zitting dus niet gekomen.
Ook uit het overige dat verzoeker heeft aangevoerd blijken geen concrete aanknopingspunten om te concluderen dat sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 614567 HA RK 26-134 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
Deze beslissing is genomen door mr. D. Wachter, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.