Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 615318 HA RK 26-145
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 25 augustus 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker),
1. De procedure
Verzoeker heeft op 23 juli 2026 mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. Mr. Pinckaers (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 12113138 UC EXPL 26-1648 (hierna: de hoofdzaak).
Het wrakingsverzoek is op 11 augustus 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer.Bij de zitting waren aanwezig:
Verzoeker (via videoverbinding);
De rechter;
Mr. E.M.C.D. Engelen (als toehoorder namens de Cooperatieve Rabobank U.A.)
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
Op 3 augustus 2026 heeft de rechter een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
Op 9 augustus 2026 heeft verzoeker hierop gereageerd en daarbij een aanvullende wrakingsgrond geformuleerd.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Volgens verzoeker is er gelet op het verloop van de zitting op 21 juli 2026 sprake van de objectief gerechtvaardigde vrees dat zijn zaak niet onbevangen en met inachtneming van hoor en wederhoor wordt behandeld. De reden hiervoor is dat de rechter op de zitting volgens verzoeker geen kenbare beslissing heeft genomen op zijn primaire verzoek om een nadere akte met producties en eiswijziging – die een vordering tot veroordeling van verzoeker in de werkelijke proceskosten inhield – van de wederpartij buiten beschouwing te laten omdat de akte te laat was ingediend volgens het toepasselijke procesreglement dat voorschrijft dat nadere processtukken tot 10 dagen voor de zitting kunnen worden ingediend. Ook op zijn subsidiaire verzoek om aanhouding en een schriftelijke reactietermijn is volgens verzoeker niet beslist. Daardoor blijft het voor verzoeker ook na het sluiten van de mondelinge behandeling door de rechter onduidelijk of de stukken die volgens hem te laat zijn ingediend feitelijk bij de beoordeling van de zaak zullen worden betrokken. Het lijkt er voor verzoeker nu op dat de rechter deze stukken bij haar beslissing zal betrekken zonder dat zijn recht op hoor en wederhoor is gewaarborgd omdat hij niet meer kon reageren op de eiswijziging
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Aan het eind van de zitting heeft de rechter besloten om de behandeling te sluiten en een termijn voor vonnis te bepalen. Dat is een procesbeslissing die naar zijn aard geen grond kan zijn voor wraking. Hoor en wederhoor heeft volgens de rechter op de zitting plaatsgevonden over alle formele en inhoudelijke kwesties. De rechter heeft tijdens de zitting aan partijen laten weten dat de nagezonden producties aan de stukken van het dossier zouden worden toegevoegd. Ook heeft zij laten weten dat zij de zaak inhoudelijk ging behandelen. Daarmee heeft de rechter het verzoek om aanhouding dus verworpen. De standpunten van partijen zijn besproken en zij zijn in de gelegenheid gesteld om op elkaar te reageren. De rechter heeft op de zitting nog geen beslissing genomen over het toestaan van de eiswijziging omdat zij daar nog over na wilde denken. Dat heeft zij ook met partijen gecommuniceerd.
De rechter heeft in een nadere reactie van 3 augustus 2026 gewezen op het feit dat zij recent kennis heeft genomen van diverse uitspraken van de rechtbank Noord-Holland die volgens haar van belang zijn voor de context waarin het wrakingsverzoek is gedaan. De rechter vraagt in haar nadere reactie aan verzoeker om te bevestigen of deze uitspraken op hem zien. De relevantie van de uitspraken is volgens de rechter gelegen in het feit dat in die zaken sprake is van dezelfde gemachtigde die ook verzoeker bijstond in de hoofdzaak. In deze uitspraken wordt in twijfel getrokken of deze gemachtigde bestaat.
In reactie daarop heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek nader aangevuld. De context waar de rechter in haar nadere reactie naar verwijst (andere uitspraken in zaken van verzoeker) hebben volgens hem niks te maken met de hoofdzaak en de wraking. Het feit dat de rechter nadat zij is gewraakt – buiten het oorspronkelijke procesdossier om –
stukken inbrengt in deze procedure die voor hem negatief zijn, bevestigt volgens verzoeker de vooringenomen houding van de rechter tegen hem.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
De procesbeslissingen
De beslissing van de rechter om de akte met producties van de Rabobank die buiten de 10-dagentermijn is ingediend toe te voegen aan het procesdossier is een procesbeslissing. Dat geldt ook voor de keuze om tijdens de zitting nog niet te beslissen over het toelaten van de eiswijziging die door de Rabobank is voorgesteld. Een procesbeslissing is alleen een reden voor wraking als uit die beslissing of uit de motivering daarvan objectief gezien blijkt dat de rechter vooringenomen is. De wrakingskamer moet daarbij kijken naar alle feiten en omstandigheden die tot de procesbeslissing hebben geleid. Dat verzoeker vindt dat die beslissing voor hem negatief is, is dus op zichzelf geen reden voor wraking.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit deze procesbeslissingen geen objectief gerechtvaardigde vrees volgt dat de rechter vooringenomen is. Het toelaten van stukken die buiten de termijn zijn ingediend is voorbehouden aan de rechter en de wrakingskamer vindt die beslissing niet onbegrijpelijk omdat verzoeker heeft verklaard dat hij (globaal) bekend was met de inhoud van de bijgevoegde producties. Uit de zittingsaantekeningen kan de wrakingskamer niet afleiden dat de procesbeslissingen uitdrukkelijk zijn gecommuniceerd met partijen. Als dat niet is gebeurd begrijpt de wrakingskamer wel dat daar bij verzoeker verwarring over is ontstaan. De omstandigheid dat de rechter haar procesbeslissingen uitdrukkelijker had kunnen communiceren en motiveren levert op zichzelf echter geen grond op om het wrakingsverzoek toe te wijzen.
De verwijzing naar uitspraken van een andere rechtbank
De rechter heeft in haar nadere reactie van 3 augustus 2026 verwezen naar uitspraken die – zoals zij op zitting heeft bevestigd – geen rol hebben gespeeld bij haar procesbeslissingen tijdens de zitting in de hoofdzaak. Dat was ook niet mogelijk omdat zij op dat moment nog geen kennis had genomen van de betreffende uitspraken. Volgens de rechter geven deze uitspraken een context waarbinnen het wrakingsverzoek is gedaan. Die context, voorzover de wrakingskamer de rechter goed heeft begrepen, zou eruit bestaan dat zowel in de hoofdzaak als in de wrakingszaak maar ook in de later ingestuurde uitspraken sprake zou zijn van het leerstuk van hoor en wederhoor. De rechter heeft het in het kader van transparantie noodzakelijk geacht om de wrakingskamer en partijen daarvan in kennis te stellen. Dat begrijpt de wrakingskamer niet, omdat haar procesbeslissingen op de zitting in de hoofdzaak in eerste instantie reden waren voor verzoeker om tot wraking over te gaan. Deze procesbeslissingen heeft de rechter echter genomen zonder kennis te hebben genomen van de betreffende uitspraken. Voor zover de rechter wijst op transparantie van het geding in de hoofdzaak en het belang van hoor- en wederhoor ten aanzien van de genoemde uitspraken is dat niet iets dat aan de orde is in deze wrakingsprocedure, maar heeft dat betrekking op de inhoud van de hoofdzaak. Vanaf het moment van wraking wordt de rechter geacht om de hoofdzaak te laten rusten en dat heeft zij door het insturen van deze uitspraken niet gedaan. Indien en voor zover deze uitspraken relevant zouden kunnen zijn in de hoofdzaak zijn dat namelijk vragen die pas na deze uitspraak van de wrakingskamer aan de orde kunnen – en mogen – komen.
De wrakingskamer is van oordeel dat de verwijzing van de rechter naar deze uitspraken en de in de nadere reactie opgenomen vraag van de rechter of verzoeker “deze man is” bij verzoeker de schijn van partijdigheid hebben kunnen opwekken en dat die schijn naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd te achten is. Uit de nadere reactie van verzoeker volgt dat de betreffende uitspraken zien op zaken van hem en zijn (voormalig) gemachtigde. In de uitspraken wordt in twijfel getrokken of deze gemachtigde bestaat of dat zij door verzoeker is verzonnen. Gelet op het inbrengen van voor deze wrakingsprocedure irrelevante informatie die niet anders dan als negatief voor verzoeker kan worden gekwalificeerd begrijpt de wrakingskamer dat bij verzoeker de indruk kan zijn ontstaan dat de rechter hem niet vertrouwt. Ook begrijpt de wrakingskamer dat bij verzoeker de indruk kan zijn ontstaan dat de rechter door het inbrengen van dit stuk haar eerdere procesbeslissingen kracht heeft willen bijzetten, wat hem het gevoel kan hebben gegeven dat de rechter op de hand is van de wederpartij.
Dit betekent dat het wrakingsverzoek wordt toegewezen. Niet op grond van het oorspronkelijke wrakingsverzoek maar op de grond die hiervoor onder 3.5 en 3.6 is besproken en beoordeeld. De wrakingskamer heeft in dat kader nog overwogen of de omstandigheid dat de wrakingsgrond ontleend is aan een incident in de wrakingsprocedure zelf in de weg zou kunnen staan aan toewijzing maar is van oordeel dat dat niet het geval is. De nadere reactie van de rechter maakt immers onderdeel uit van het informeren van de wrakingskamer met als doel om het oorspronkelijke wrakingsverzoek af te wijzen en in de nadere reactie wordt ook een verband gelegd met (de zitting in) de hoofdzaak. De toewijzing van het wrakingsverzoek betekent dat de hoofdzaak aan een andere rechter zal moeten worden toebedeeld. Deze rechter zal bepalen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek toe;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is genomen door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. L.C. Michon en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.