RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/157765.26; 16/332555.23 (vord. tul); 16/222031.25 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1987] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats]
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 28 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 1 juni 2026 in Utrecht een ruit en/of deur van [slachtoffer] heeft vernield.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de verklaring van de verdachte op de zitting van 28 juli 2026;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 1 juni 2026, genummerd 2026188626-3, pagina’s 6 tot en met 9, uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2026188626, doorgenummerd pagina’s 1 tot en met 41.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 1 juni 2026 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een ruit heeft vernield en een deur heeft beschadigd die aan [slachtoffer] toebehoorden.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:
- plaatsing in een inrichting voor stelstelmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank primair om aan de verdachte geen ISD-maatregel op te leggen. De verdachte voldoet weliswaar aan de criteria voor het opleggen daarvan, maar de eerder opgelegde ISD-maatregelen in 2015 en 2020 zijn niet succesvol geweest en hebben niet het gewenste effect gehad. De verdachte wil graag verblijven in een hostel waar drugsgebruik gedoogd wordt, zodat hij daar kan stabiliseren en vanuit daar traumabehandeling kan aangaan. De verdachte heeft aangegeven dat hij niet gemotiveerd is voor de behandeling van zijn verslaving, ook niet in het kader van een ISD-maatregel. Volgens de verdachte werkte de aanpak in het kader van de ISD-maatregel niet voor hem en was er een gebrek aan passende nazorg, waardoor hij direct terugviel in zijn oude gedrag. Oplegging van de ISD-maatregel zou daarom in het geval van de verdachte mogelijk neerkomen op een kale detentie van twee jaren met als enige doel bescherming van de maatschappij tegen delictgedrag en overlast voor de duur van de maatregel. De advocaat verzoekt de rechtbank, om, in plaats daarvan, aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, met een voorwaardelijk deel met als bijzondere voorwaarde het verblijven in een hostel om te stabiliseren. Vanuit die stabiliteit kan dan hopelijk worden begonnen met traumabehandeling. Daarna zou dan mogelijk ruimte ontstaan om ook de verslaving aan te pakken.
Subsidiair verzoekt de advocaat om, mocht de rechtbank tot oplegging van een ISD-maatregel komen, deze maatregel te beperken tot de duur van een jaar. Op die manier blijft de verdachte gemotiveerd om de maatregel goed te doorlopen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte geen ISD-maatregel op, maar een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van het voorarrest. De rechtbank legt uit waarom zij tot deze straf komt.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling. Hij heeft zich langere tijd opgehouden voor het winkelpand en uiteindelijk tweemaal tegen de deur getrapt, waardoor het raam is vernield en de deur is beschadigd. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij probeerde in te breken om aan geld te komen om zijn drugsverslaving te kunnen bekostigen. De verdachte heeft met zijn handelen overlast en financiële schade toegebracht en laten zien dat hij geen enkele rekening houdt met de gevolgen van zijn gedrag voor anderen. Daardoor worden anderen de dupe van de drugsverslaving van de verdachte.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 18 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen jaren veelvuldig voor soortgelijke feiten is veroordeeld, ook in de laatste vijf jaren. De verdachte heeft daarvoor tweemaal, in 2015 en 2020, een ISD-maatregel opgelegd gekregen. Dit heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van [instelling 1] van 14 juli 2026. Hieruit blijkt dat een langdurige harddrugsverslaving en criminaliteit al langere tijd een centrale rol in het leven van de verdachte spelen. In het verleden zijn reclasseringstoezicht en door de strafrechter opgelegde voorwaarden meermalen mislukt wegens gebrek aan motivatie, terugvallen in middelengebruik en herhaling van delictgedrag. De conclusie uit het advies is dat de reclassering geen mogelijkheden meer ziet om binnen een reclasseringstoezicht te werken aan gedragsverandering bij de verdachte. Eerdere trajecten zijn niet van de grond gekomen en de reclassering ziet daarom nu geen andere mogelijkheid dan opnieuw de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
Geen ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat de verdachte een stelselmatige dader is in de zin van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank beoordeelt vervolgens of het opleggen van de ISD-maatregel ook passend en geboden is.
Het doel van de ISD-maatregel is enerzijds beveiliging van de maatschappij door een langere vrijheidsbeneming van hardnekkige veelplegers. Niet ter discussie staat dat de verdachte tot deze groep behoort en dat hij zorgt voor veel maatschappelijke overlast en schade. Anderzijds heeft de ISD-maatregel tot doel om bij de veroordeelde een gedragsverandering teweeg te brengen en daarmee de kans op recidive in de toekomst te verminderen. De verdachte heeft al twee keer eerder een ISD-maatregel opgelegd gekregen zonder dat dit tot positieve gedragsverandering en recidivevermindering heeft geleid. Omdat eerdere ISD-trajecten niet het gewenste effect hebben gehad en de verdachte niet gemotiveerd is om zijn gedrag te veranderen, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het (opnieuw) opleggen van een ISD-maatregel boven een ‘kale’ gevangenisstraf. Het doel dat de maatschappij beschermd wordt kan immers ook worden bereikt door aan de verdachte een forse gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank legt dan ook geen ISD-maatregel op aan de verdachte.
Strafkader
Het bewezen verklaarde feit, in combinatie met het lange strafblad van de verdachte met daarop veel vermogensfeiten en ook vernielingen, en de overlast die de verdachte met zijn steeds terugkerende delictgedrag veroorzaakt, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur. De rechtbank zal, gelet op al het voorgaande, aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de tijd die de verdachte door de beslissingen in dit vonnis nog in de gevangenis moet doorbrengen, door de betrokken instanties kan worden gebruikt om een woonplek voor hem te vinden, bijvoorbeeld in een hostel. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een dergelijk verblijf als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de straf
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
6. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen
Deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/332555.23 op 5 april 2024 een gevangenisstraf opgelegd van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Een gedeelte van deze straf is al ten uitvoer gelegd, wat maakt dat van deze voorwaardelijke straf een gevangenisstraf voor de duur van 16 weken resteert.
Daarnaast is aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/222031.25 door de politierechter van deze rechtbank op 11 november 2025 een gevangenisstraf opgelegd van 150 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn algemene en bijzondere voorwaarden gekoppeld. De bijzondere voorwaarden zijn, kort gezegd: een meldplicht, behandeling door [instelling 2] met eventueel een klinische opname, het vinden en behouden van dagbesteding en controle van het middelengebruik van de verdachte.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank beide vorderingen toewijst, zodat de voorwaardelijk opgelegde straffen ten uitvoer worden gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt, mocht de rechtbank geen ISD-maatregel opleggen, de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/332555.23 toe te wijzen. Door de resterende gevangenisstraf van 16 weken toe te wijzen, heeft de reclassering gelet op de wachttijden voldoende tijd om de juiste woonplek voor de verdachte te vinden.
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/222031.25 af te wijzen, zodat het hulpverleningskader uit die bijzondere voorwaarden na de detentie van verdachte blijft bestaan zo lang de proeftijd nog loopt en de verdachte kan worden behandeld zodra hij weer in vrijheid wordt gesteld.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 16/332555.23
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank zal daarom de voorwaardelijke straf ten uitvoer leggen.
Parketnummer 16/222031.25
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Gelet op de eerder in dit vonnis beschreven problematiek van de verdachte vindt de rechtbank het van belang dat het hulpverleningskader zoals is opgenomen in de bijzondere voorwaarden bij deze voorwaardelijke straf blijft voortduren, om hopelijk alsnog enige gedragsverandering bij de verdachte teweeg te brengen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf – parketnummer 16/332555-23
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf – parketnummer 16/222031-25
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. K. de Meulder en mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop en mr. M. van Dinten als griffiers en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 juni 2026 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijkeen ruit en/of een deur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan eenander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.