RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12045182 \ MC EXPL 26-49
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
STICHTING DE ALLIANTIE,
handelend onder de naam de Alliantie vestiging regio Almere,
te Hilversum,
eisende partij,
hierna te noemen: de Alliantie,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,
gemachtigde: M. Heijl,2. [gedaagde sub 2],
te gemeente [gemeente] ,
gemachtigde: mr. A.G. Ton,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
1. Het verloop van de procedure
De Alliantie heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ieder op de dagvaarding geantwoord. De kantonrechter heeft besloten dat de zaak op een zitting verder besproken moet worden. Partijen hebben, vóórdat de zaak met de kantonrechter is besproken, nog nadere stukken opgestuurd.
De zaak is bij de kantonrechter besproken op 29 januari 2026. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2. Waar het in deze zaak om gaat
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren van de Alliantie de woning aan het adres [adres] in [plaats] . De huur is (op dit moment) € 753,65 per maand en moet worden vooruitbetaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een huurachterstand.
De Alliantie vordert – kort gezegd – ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van de woning. Ook eist zij betaling van de huurachterstand met rente en kosten.
Volgens de Alliantie hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] al vaker een huurachterstand laten ontstaan.
Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] klopt de betalingsachterstand. Zij kunnen door financiële en andere persoonlijke omstandigheden de huurachterstand niet betalen.
3. De beoordeling
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de huurachterstand betalen
De Alliantie noemt in de nagestuurde specificatie een huurachterstand van € 2.313,25. Deze huurachterstand is berekend tot en met de maand januari 2026.
Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] klopt die huurachterstand. De kantonrechter zal [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarom veroordelen om dit bedrag aan de Alliantie te betalen.
Geen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning
De huurachterstand bedraagt drie maanden en daarnaast is er sprake van herhaalde wanprestatie, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het vonnis van 13 augustus 2025 veroordeeld zijn tot betaling van een huurachterstand. Dit betekent dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in beginsel toewijsbaar is, maar de kantonrechter ziet aanleiding om hiervan af te wijken.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Het is van belang dat er rust komt in de huidige situatie.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hadden onderling afgesproken dat [gedaagde sub 1] de vaste lasten, waaronder de huurtermijnen, zou betalen. [gedaagde sub 1] is deze afspraak één keer nagekomen. [gedaagde sub 2] heeft dit ontdekt toen er al een huurachterstand was ontstaan. [gedaagde sub 2] beseft dat zij de lopende huur moet betalen, omdat zij in de woning woont. [gedaagde sub 2] heeft op de zitting verklaard dat zij voldoende inkomsten heeft om de huurtermijnen vanaf 1 februari 2026 te voldoen. [gedaagde sub 2] heeft zich ook aangemeld bij de schuldhulpverlening. De verwachting is dat de huurachterstand niet verder zal oplopen.
[gedaagde sub 2] woont met haar vier kinderen, van wie twee minderjarig zijn, in de woning. De twee minderjarige kinderen verblijven fulltime bij haar, zodat [gedaagde sub 2] groot belang heeft bij behoud van de woning.
De kantonrechter zal gelet op deze bijzondere omstandigheden de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning afwijzen.
Indien de huurachterstand niet wordt ingelopen en de lopende huurtermijnen niet stipt worden voldaan, moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] er rekening mee houden dat de kantonrechter in een volgende procedure wel de ontbinding en ontruiming zal toewijzen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten een betalingsregeling treffen met de Alliantie, waarbij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beiden aansprakelijk zijn en blijven ten opzichte van de Alliantie. De onderlinge afspraken tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] leiden er niet toe dat de Alliantie [gedaagde sub 1] niet kan aanspreken. [gedaagde sub 1] blijft verantwoordelijk voor betaling van de huurachterstand en de kosten totdat deze volledig zijn betaald dan wel totdat de rechtbank in de echtscheidingsprocedure hier anders over beslist.
Ambtshalve toetsing
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (de Alliantie) en consumenten ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ). Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen voor consumenten onredelijk bezwarend zijn als bedoeld in artikel 6:233 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW), moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen. In deze procedure gaat het met name om bedingen over rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Ook het boetebeding is relevant.
Het incassokosten- en boetebeding
In artikel 15 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een beding opgenomen over de vergoeding van de (buiten)gerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en dat mag niet. Consumenten, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het Besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid moet hebben gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn op grond van artikel 15 in principe verplicht om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door de Alliantie gemaakte kosten te voldoen onbegrensd in omvang en zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. Daarnaast is de bedongen vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van altijd ten minste 15% hoger dan de wettelijke vergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat het beding hierdoor zodanig afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat de consument aanzienlijk wordt benadeeld. Daarbij is in artikel 17.1 ook nog opgenomen dat bij overtreding van enige bepaling uit de Algemene Huurvoorwaarden, dus ook bij overtreding van de bepaling dat de huur vooruit moet worden betaald, de huurder nog een boete van € 25,- per kalenderdag verschuldigd is. Afgezien van het feit dat in het beding de boetes oneindig kunnen oplopen, levert (de mogelijkheid van) het in rekening brengen van een boete naast buitengerechtelijke incassokosten een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is op zichzelf en in combinatie met het boetebeding onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd.
Het rente- en boetebeding
Het rentebeding in artikel 7.1 is in overeenstemming met de wettelijke regeling in artikel 6:119 BW. Dit beding is daarom op zichzelf niet onredelijke bezwarend. In combinatie met het boetebeding in artikel 17.1 is het rentebeding wel onredelijk bezwarend. De mogelijkheid van het in rekening brengen van een boete naast rente levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het rentebeding wordt daarom vernietigd.
De gevolgen van de ambtshalve toetsing voor de vorderingen
Omdat sprake is van onredelijk bezwarende bedingen, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente volledig moeten worden afgewezen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoeven deze dus niet te betalen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Alliantie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,43
- griffierecht
€
397,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.085,93
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden hoofdelijk veroordeeld
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat van iedere veroordeelde kan worden verlangd dat hij of zij het hele bedrag betaalt. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan de Alliantie van
€ 2.313,25 aan huurachterstand tot en met januari 2026;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.085,93, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat er meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
11 februari 2026.