uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] (gezamenlijk [eisers] ), uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: R. Plantinga),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt.
(gemachtigde: mr. X. Wentink-Quelle)
Inleiding
1. Eisers hebben op 15 augustus 2024 een verzoek gedaan bij het college op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking van informatie over het verkeersmodel Spoorzone in Bilthoven (het Woo-verzoek). Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 heeft het college op het bezwaar van eiser beslist.
2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eisers geen procesbelang meer hebben bij het beroep. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
Beoordeling door de rechtbank
5. Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Het college heeft in het verweerschrift van 12 mei 2025 erkend dat dit besluit onrechtmatig is, omdat de zoekslag niet volledig is geweest.
6. Op 9 oktober 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen. Vervolgens heeft het college in de brief van 10 april 2026 erkend dat ook met dit besluit niet volledig tegemoet wordt gekomen aan het Woo-verzoek. In diezelfde brief besluit het college daarom om eisers toegang te geven tot het originele modelbestand van het verkeersmodel Spoorzone in Bilthoven.
7. De rechtbank heeft eisers vervolgens gevraagd of deze brief van het college aanleiding is om het beroep in te trekken. Eisers geven aan het beroep niet in te trekken. Daarbij is als reden vermeld dat een uitspraak van een rechter in deze langdurige zaak gewenst is en dat het gaat om het aanleveren van juiste gegevens in verband met besluitvorming van de raad. Het college heeft daarop gereageerd dat inzicht is gegeven in het modelbestand, de feitelijke invoer en parameters van het verkeersmodel en dat daarmee tegemoet is gekomen aan het Woo-verzoek van eiser.
8. De rechtbank heeft met de brief van 7 juli 2026 eisers er op gewezen dat het college bereid is om inzage te geven in het modelbestand, de feitelijke invoer en parameters van het verkeersmodel en bereid is inzage te geven in de juiste gegevens van de besluitvorming. Om die reden is eisers gevraagd zo concreet mogelijk te informeren wat zij nog met het beroep willen bereiken. Eisers hebben daarop bij brief van 20 juli 2026 gereageerd. Eisers vermelden daarin dat de nieuwe documentatie meer vragen heeft opgeroepen en dat de zorgen niet zijn weggenomen. Ook merken zij in de brief op dat zij als [eisers] er van overtuigd zijn dat zij nog iets kunnen bereiken met het beroep, zowel voor het project Spoorzone als voor alle andere mobiliteitsprojecten in de gemeente.
9. De rechtbank is van oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben bij het beroep. Volgens vaste rechtspraak heeft iemand voldoende procesbelang als het resultaat dat hij met het indienen van een bezwaar-of beroepschrift wil bereiken, ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden en het resultaat ook feitelijke betekenis heeft voor de betrokkene. Als de betrokkene alleen een formeel of principieel belang heeft, is dat onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
10. In dit geval heeft het college zich op het standpunt gesteld dat zij bereid is om eisers inzicht te geven in de verzochte gegevens. Daaruit volgt dat het college aan het verzoek van eisers tegemoet is gekomen en eisers met het beroep hebben bereikt wat zij kunnen bereiken. Daarop hebben eisers enkel gesteld dat de documentatie die beschikbaar is gekomen meer vragen oproept en dat de zorgen niet zijn weggenomen. Hiermee onderbouwen eisers niet concreet wat zij met het beroep nog beogen te bereiken. Evenmin blijkt uit die reactie dat – in weerwil van het standpunt van het college – niet volledig is tegemoet gekomen aan het verzoek van eisers. Daarbij merkt de rechtbank op dat, voor zover eisers dat beogen, een gesprek over eventuele zorgen of vragen duidt op een meer principieel belang, wat onvoldoende is om procesbelang aan te nemen. Omdat eisers geen procesbelang meer hebben is het beroep niet-ontvankelijk.
11. Ondanks dat het beroep niet-ontvankelijk is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden, omdat het college na het instellen van beroep daaraan tegemoet is gekomen.
Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep niet-ontvankelijk; en
-bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.