Stichting Abrona, te Huis ter Heide, eiseres
(gemachtigde: mr. J.P.A. Hubregsen)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
(gemachtigde: R. van den Brink).
Inleiding
Geheimhouding
10. Omdat de (ex-)werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische stukken aan eiseres toe te zenden, heeft de rechtbank medische stukken naar de door eiseres ingeschakelde gemachtigde gestuurd. Om te voorkomen dat medische gegevens via deze uitspraak alsnog bekend worden, zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken.
Beoordeling van de rechtbank
Tussenuitspraak
11. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
12. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat er geen fysiek spreekuurcontact is geweest met de verzekeringsarts en dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om (ex-)werknemer op te roepen voor een fysiek spreekuurcontact dan wel nader te motiveren waarom dit geen toegevoegde waarde heeft, gelet op de medische informatie. Ook is het Uwv in de gelegenheid gesteld om in het kader van duurzaamheid nader te motiveren waarom verbetering van de belastbaarheid was te verwachten in het eerste jaar na de datum in geding, dan wel te motiveren waarom in de periode daarna nog verbetering van de belastbaarheid te verwachten is. Het Uwv diende hierbij te betrekken welke behandeling is ingezet en wat dit betekent voor de verbetering van de belastbaarheid.
13. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv met de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep de gebreken heeft hersteld. Dat legt zij hierna verder uit.
Is het zorgvuldigheidsgebrek hersteld?
14. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak (ex-)werknemer gehoord en daarna medisch onderzocht. In het rapport van 5 februari 2026 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten die (ex-)werknemer ervaart beschreven. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het aanvullend medisch onderzoek van 5 februari 2026 het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek heeft hersteld. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres heeft gemist.
Is het motiveringsgebrek over de duurzaamheid hersteld?
15. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 5 februari 2026 toegelicht dat betreffende de periodes 2018 – 2023 (ex-)werknemer adequate therapieën heeft ondergaan die in de brieven van de behandelaars zijn genoemd. Na de terugval in 2024 was (ex-)werknemer wederom onder behandeling. Deze therapieën zijn adequaat en tijdig door de behandelaar in deze concrete situatie ingezet. Voor de toelichting over wat deze therapieën kunnen betekenen voor de verbetering verwijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het rapport van 23 mei 2023 (de rechtbank begrijpt 3 april 2025). In dat rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat een verbetering in het eerstkomende jaar na de afgeronde behandeling die na de terugval in september 2024 is gestart, te verwachten is. Dit gelet op het verloop van de aandoening van (ex-)werknemer, waarbij de door [bedrijf] toegepaste adequate langdurige behandeling ook eerder stabilisatie werd bereikt. Omdat de belastbaarheid van (ex-)werknemer tijdens dergelijke stabiele periodes niet in kaart gebracht kon worden bij de eerdere beoordelingen, merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat met name de fors beperkte duurbelastbaarheid na de behandeling niet meer van toepassing zal zijn omdat de indicatie beschikbaarheid niet meer aan de orde zal zijn. Maar eveneens wegens een toename van energetische mogelijkheden bij afname van mentale, cognitieve en fysieke klachten. Ook is de afname van de beperkingen in de rubrieken 1 en 2 in een stabiele situatie ten opzichte van de situatie in 2022 en september 2024 te verwachten. Ook merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat (ex-)werknemer voorheen met haar persoonlijkheidsproblematiek op de arbeidsmarkt kon functioneren. Vervolgens merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat tijdens het spreekuur van 2 februari 2026 naar voren is gekomen dat de verwachtingen van de verbetering inmiddels daadwerkelijk gerealiseerd zijn. (Ex-)werknemer heeft de behandeling succesvol afgerond op 11 maart 2025 en wordt inmiddels niet meer behandeld. In combinatie met de huidige ondersteuning zijn de klachten afgenomen en onderneemt (ex-)werknemer meer activiteiten in haar dagelijks leven.
16. Eiseres betoogt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook met het aanvullend rapport van 5 februari 2026 de afwezigheid van de duurzaamheid niet voldoende heeft onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat namelijk ten onrechte mede uit van de huidige situatie van eiseres en de actuele informatie daarover waaruit blijkt dat de klachten bij haar zijn afgenomen. De verzekeringsarts baseert het standpunt dat per datum in geding een verbetering te verwachten was, dus niet enkel op de informatie die beschikbaar was per datum in geding en hoe de verwachtingen toen waren. Daarnaast wordt per datum van 5 februari 2026 ook niet onderbouwd welke klachten zijn afgenomen en wat wordt verstaan onder een succesvolle behandeling. Dat (ex-)werknemer in het verleden wel heeft gewerkt, doet daar niets aan af. Kortom, eiseres betoogt dat het motiveringsgebrek door het Uwv niet is hersteld.
17. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is de omstandigheid dat een behandeling van de klachten - achteraf gezien - geen dan wel minder verbetering heeft gebracht dan op de datum in geding was te verwachten, geen grond om aan te nemen dat de verwachting van de verzekeringsarts, die bestond ten tijde van de in het geding van belang zijnde datum, voor onjuist moet worden gehouden. Kort gezegd mag dus de actuele informatie waaruit blijkt dat een verbetering niet heeft plaatsgevonden, niet worden gebruikt ter onderbouwing van het standpunt dat op de datum in geding reeds sprake was van duurzaamheid. In de voorliggende zaak is de situatie spiegelbeeldig. De verzekeringsartsen hebben hun standpunt onderbouwd met actuele informatie waaruit achteraf blijkt dat per datum in geding wel een verbetering heeft plaatsgevonden. Blijkens de actuele informatie is de verwachting op een verbetering uitgekomen. De rechtbank is van oordeel dat actuele informatie die een verwachting bevestigt dat per datum in geding een verbetering mogelijk was, wel kan worden meegenomen in de onderbouwing van het al eerder ingenomen standpunt van de verzekeringsartsen dat een verbetering te verwachten was. Deze informatie bevestigt immers de juistheid van de verwachting. Dit in tegenstelling tot actuele informatie waaruit blijkt dat geen verbetering heeft plaatsgevonden. Het feit dat een behandeling niet succesvol was, leidt niet automatisch tot het oordeel dat de verwachting op een verbetering destijds onjuist was.
18. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de informatie die inmiddels bekend is (zoals toegelicht in het rapport van 5 februari 2026) in combinatie met het rapport van 3 april 2025 de afwezigheid van duurzaamheid voldoende heeft gemotiveerd. Het Uwv heeft daarmee terecht geconcludeerd dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA.
Conclusie en gevolgen
19. Vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat het Uwv in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
21. De rechtbank zal het Uwv veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.