ECLI:NL:RBMNE:2026:5962

ECLI:NL:RBMNE:2026:5962

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 25/5037
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De rechtbank stelt vast dat eiser in het bezwaarschrift vrijwel dezelfde gronden heeft aangevoerd als bij het Hof. Nu het Hof over vrijwel hetzelfde geschil heeft beslist en eiser daartegen geen cassatie heeft ingesteld, heeft de heffingsambtenaar zich terecht op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar en heeft hij daarmee kunnen afzien van het horen van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/5037

(mr. F.J. Boonstra)

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Procesverloop

1. In de beschikking van 25 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar voor [adres] als eigenaar van het object een aanslag rioolheffing voor het jaar 2025 opgelegd ter hoogte van € 254,13.

2. Met de uitspraak op bezwaar van 7 augustus 2025 is het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

4. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 18 maart 2026 behandeld. Deelgenomen hebben aan de zitting: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Daarna is het onderzoek gesloten.

6. Eiser heeft op 26 april 2026 een verzoek tot wraking van onder meer de behandelend rechter en de griffier ingediend. Bij beslissing van 26 mei 2026 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee is een einde gekomen aan de schorsing in deze zaak vanwege het wrakingsverzoek. De zaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond voor de schorsing. Dat betekent dat er thans uitspraak wordt gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Is de rioolheffingsaanslag terecht opgelegd?

7. De Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2025 van de gemeente Utrecht (hierna: de Verordening 2025) luidt, voor zover relevant, als volgt:

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a.de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

8. De rioolheffing kan op grond van artikel 228a, lid 1 van de Gemeentewet worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan activiteiten zoals genoemd in het tweede artikel van de Verordening 2025. Op grond van deze bepaling in samenhang met de Verordening heeft de heffingsambtenaar de in het geding zijnde aanslag rioolheffing opgelegd.

9. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op het bezwaar summier is ingegaan op het bezwaar omtrent de rioolheffing. De heffingsambtenaar heeft enkel opgemerkt dat voor de aanslag rioolheffing voor het belastingjaar 2025, wordt aangesloten bij de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden (het Hof). Echter de uitspraak van het Hof ziet op de rioolheffing 2020 en 2021 en is op basis van een andere Verordening en op basis van andere gronden en argumenten tot stand gekomen. Het kan dus niet zo zijn dat een onherroepelijke uitspraak over de rioolheffing van het jaar 2020 of 2021 van toepassing is op een bezwaar over de rioolheffing over het jaar 2025. Eiser voert – kort weergegeven – aan dat zijn perceel niet direct, noch indirect, is aangesloten op de riolering van de gemeente Utrecht. Ook wordt geen hemelwater afgevoerd en ingezameld.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat de feitelijke situatie van het object sinds de uitspraak van het Hof niet is gewijzigd. Zoals eerder is overwogen heeft eiser ook geen cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof en zijn de gronden vrijwel identiek. Gelet hierop is de rechtbank net als het Hof van oordeel dat het aannemelijk is dat de hemelwater wat afkomstig is van het dak van eisers onroerende zaak wordt afgevoerd via de gemeentelijke voorzieningen. Daarmee is voldaan aan artikel 228a, lid 1 van de Gemeentewet en artikel 1 en artikel 2, aanhef en onder sub b, van de Verordening Rioolheffing gemeente Utrecht 2025, op grond waarvan de heffingsambtenaar terecht rioolheffingsaanslag mag opleggen. De enkele stelling van eiser dat het gaat om een ander belastingjaar en de aanslag dus gebaseerd is op een andere Verordening, doet daar niet aan af, omdat de relevante bepalingen van de Verordening 2025 gelijk zijn gebleven.

Onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig onderzoek verricht

11. Eiser voert aan dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Eiser heeft namelijk diverse bezwaargronden ingediend, waar de heffingsambtenaar ongemotiveerd aan voorbijgaat. Ook voert eiser aan dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht.

11. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar toegelicht op welke gronden het bezwaar kennelijk ongegrond is verklaard. Ook de ongemotiveerde stelling van eiser, dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht volgt de rechtbank niet.

Niet gehoord

13. Volgens eiser heeft de heffingsambtenaar eiser ten onrechte niet gehoord. Door af te zie van de hoorzitting heeft de heffingsambtenaar in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld.

13. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is, omdat het over hetzelfde geschil gaat waarover het Hof heeft beslist. Omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is, was een hoorzitting op grond van de Awb niet nodig.

15. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft verzocht te worden gehoord. Vast staat eveneens dat er geen hoorzitting voorafgaand aan de uitspraken op bezwaar heeft plaatsgevonden.

16. Op grond van artikel 7:3, letter b, Awb kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond indien uit het bezwaarschrift zelf op voorhand blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel bestaat over die conclusie. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is in het algemeen ook sprake wanneer het om een gebonden besluit gaat en er geen verschil van mening is over de juistheid van de feiten.

17. De rechtbank stelt vast dat eiser in het bezwaarschrift vrijwel dezelfde gronden heeft aangevoerd als bij het Hof. Nu het Hof over vrijwel hetzelfde geschil heeft beslist en eiser daartegen geen cassatie heeft ingesteld, heeft de heffingsambtenaar zich terecht op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar en heeft hij daarmee kunnen afzien van het horen van eiser.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es- de Vries, rechter, in aanwezigheid van C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand