ECLI:NL:RBMNE:2026:5965

ECLI:NL:RBMNE:2026:5965

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 12057182 \ AC EXPL 26-136 VL/58599
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amersfoort

Samenvatting

Toewijzen huurwoning na einde relatie. Artikel 7:267 lid 7 BW. Vordering toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Amersfoort

Zaaknummer: 12057182 \ AC EXPL 26-136 VL/58599

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. J.P.H.C. Swarts,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. R. Aboukir.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 30 december 2025;

de conclusie van antwoord;

de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

de aanvullende productie van [eiser] ;

de aanvullende producties van [gedaagde] .

De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en hebben hun standpunten nader toegelicht. Mr. Swarts heeft daarbij gebruik gemaakt van zijn spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2. De kern van de zaak

Partijen hebben in december 2024 een affectieve relatie gekregen. [gedaagde] is toen bij [eiser] ingetrokken en in april 2025 zijn zij samen verhuisd naar de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Dit is een sociale huurwoning van Portaal. Partijen hebben de woning samen gehuurd. De relatie is kort na de verhuizing uitgegaan en [eiser] wil nu dat [gedaagde] de woning verlaat en een vergoeding aan hem betaalt voor de maanden dat zij in de woning heeft verbleven en nog verblijft. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Het is lastig om andere woonruimte te vinden en tot zij iets gevonden heeft wil zij samen in de woning blijven. Zij heeft tijdens de relatie naar draagkracht bijgedragen aan de kosten van de woning. Sinds april 2026 betaalt zij een maandelijkse vergoeding. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de woning moet verlaten, uiterlijk vóór 1 oktober 2026. Zij zal ook moeten bijdragen in de kosten van de woning.

3. De beoordeling

Het geschil tussen partijen moet beoordeeld worden aan de hand van artikel 7:267 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Hieruit volgt dat de rechter de vordering tot, kort gezegd, exclusief gebruik van de woning alleen toewijst als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, nodig is.

Partijen kunnen niet langer samen blijven wonen

Gelet op het verweer van [gedaagde] , moet eerst de vraag worden beantwoord óf aan de huidige woonsituatie een einde moet komen, in die zin dat het huurrecht aan één van hen (in dit geval [eiser] ) moet worden toegekend. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Het staat vast dat de affectieve relatie tussen partijen medio 2025 is geëindigd en dat partijen veel ruzie met elkaar maken. Met een brief van zijn gemachtigde van 22 oktober 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat hij de situatie als onhoudbaar ervaart. Hij voelt zich vanwege het gedrag van [gedaagde] niet veilig in de woning. Volgens [gedaagde] maakt [eiser] misbruik van haar en is [eiser] de oorzaak van het feit dat haar minderjarig kind op advies van Jeugdzorg bij een vriendin in Almere woont en niet bij haar. Vanwege deze conflicten tussen partijen is de kantonrechter van oordeel dat aan de huidige woonsituatie een einde moet komen. Voorkomen moet worden dat de situatie verder escaleert.

Belangenafweging: [gedaagde] moet de woning verlaten

De volgende vraag die beantwoord moet worden is aan wie het exclusieve gebruik van de woning moet worden toegekend. De billijkheid die in artikel 7:267 lid 1 BW wordt genoemd, brengt mee dat de kantonrechter voor het antwoord op die vraag een belangenafweging moet maken. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.

Hoewel voor beide partijen geldt dat het moeilijk zal zijn (op korte termijn) andere passende woonruimte te vinden – en partijen wat dat betreft dus beiden een groot belang hebben bij behoud van het huurrecht – is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] in de huidige omstandigheden een groter belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning dan [gedaagde] . Hiervoor zijn voor de kantonrechter de volgende omstandigheden van doorslaggevende betekenis:

[eiser] is meer gebonden aan Soest dan [gedaagde] . [eiser] woont namelijk al sinds 28 november 2019 in [plaats] en heeft daar inmiddels zijn werkzame en sociale leven opgebouwd. Dit geldt in minder mate voor [gedaagde] ; zij is pas in december 2024 in [plaats] komen wonen, op het moment dat zij bij [eiser] introk. Haar minderjarige dochter woonde toen al en nu nog in Almere en haar broer, bij wie zij voorheen verbleef, woont in Rotterdam. Haar schoonmaakwerkzaamheden en werk in de thuiszorg kan zij ook vanuit Almere of Rotterdam verrichten.

Weliswaar huren partijen de woning samen, maar de kans om dit te doen kwam voort uit de inschrijftijd die [eiser] had opgebouwd. Voordat partijen de woning samen gingen huren, was [gedaagde] bij [eiser] ingetrokken, op een ander adres in Soest. De gehele inboedel is van [eiser] .

Doordat partijen officieel zijn gaan samenwonen, is [eiser] zijn recht op huur- en zorgtoeslag (deels) kwijtgeraakt, waardoor hij een schuld heeft opgebouwd van een paar duizend euro bij de belastingdienst. Deze financiële gevolgen van de samenwoning heeft hij voor zijn rekening genomen.

[eiser] kan de huur van de woning zelfstandig dragen en heeft de huurlasten en bijkomende kosten tijdens de relatie tussen partijen ook voor het grootste gedeelte gedragen. [gedaagde] heeft tijdens de relatie wel naar draagkracht bijgedragen, maar dit waren geen substantiële bedragen. Niet is gebleken dat [gedaagde] op dit moment voldoende inkomsten heeft om de huur zelfstandig te kunnen voldoen. Als zij het exclusieve gebruiksrecht van de woning toegewezen zou krijgen, dan bestaat er een groot risico dat zij de woning weer zou verliezen door het ontstaan van een huurachterstand. Overigens heeft zij geen vordering ingesteld tot het aan haar toekennen van het exclusieve gebruiksrecht van de woning.

Termijn

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat aan hem het exclusieve huurrecht van de woning wordt toegewezen vanaf 1 december 2025 of een door de kantonrechter nader te bepalen datum, [gedaagde] te veroordelen de woning per die datum te ontruimen en [gedaagde] te gebieden zich uiterlijk per die datum uit te schrijven bij de gemeente Soest als woonachtig op het adres van de woning.

Gezien hetgeen onder 3.4 van dit vonnis is overwogen, zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen. Ter zitting heeft [eiser] aangegeven dat hij de situatie onhoudbaar vindt, maar dat hij [gedaagde] nog wel een termijn van maximaal drie maanden wil geven. De zitting was op 30 juni 2026. De kantonrechter zal gelet hierop bepalen dat [gedaagde] vóór 1 oktober 2026 moet vertrekken en dat zij zich uiterlijk per 1 oktober 2026 moet uitschrijven bij de gemeente Soest als woonachtig op het adres van de woning.

[gedaagde] hoeft geen dwangsom te betalen

[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 150,00 per dag als zij niet voldoet aan de veroordeling tot ontruiming van de woning en als zij zich niet uitschrijft bij de gemeente als woonachtig op het adres van de woning. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat [eiser] – als [gedaagde] de woning niet vóór 1 oktober 2026 heeft ontruimd – de deurwaarder de opdracht kan geven om [gedaagde] te ontruimen. Daarnaast kan hij bij de gemeente Soest aangeven als [gedaagde] niet meer in de woning woont. De gemeente zal haar dan uitschrijven van dit adres.

[gedaagde] moet bijdragen aan de kosten van de woning

[eiser] vordert van [gedaagde] een bedrag van € 5.499,00 en daarnaast een bedrag van € 465,00 per maand vanaf 1 januari 2026. Hij voert hiertoe aan dat partijen tijdens hun relatie mondeling hadden afgesproken dat [gedaagde] € 500,00 per maand zou bijdragen aan de kosten van de woning. [gedaagde] betwist dat zij deze afspraak hebben gemaakt. Volgens haar zou zij naar draagkracht bijdragen tijdens hun relatie. Na hun relatie, vanaf april 2026, draagt zij in ieder geval € 400,00 per maand bij aan de kosten van de woning.

De kantonrechter overweegt als volgt. Niet is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] tijden hun relatie € 500,00 per maand zou bijdragen aan de kosten van de woning. In een relatie is het niet onredelijk dat de ene partner financieel een groter deel van de kosten draagt en de andere partner naar draagkracht bijdraagt in de kosten voor wonen. Vanaf het einde van de relatie, de precieze datum staat tussen partijen ter discussie, is het redelijk dat [gedaagde] voor de helft bijdraagt in de kosten van de woning. Vast staat dat [gedaagde] vanaf april 2026 een aanzienlijke bijdrage doet in de kosten voor de woning omdat zij toen kennelijk ook vond dat de relatie was geëindigd. Vanaf dat moment is het naar het oordeel van de kantonrechter daarom redelijk dat [gedaagde] bijdraagt in de kosten van de woning.

[eiser] heeft inzichtelijk gemaakt wat een redelijke bijdrage zou zijn, namelijk de helft van de kosten van de huur, energiekosten, gemeentelijke belastingen en waterschapsbelasting, verminderd met de helft van de telefoonkosten die [gedaagde] maandelijks draagt. Dit komt uit op € 465,00 per maand. De hoogte van dit bedrag heeft [gedaagde] niet betwist en komt de kantonrechter ook niet onredelijk voor. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van € 465,00 per maand vanaf 1 april 2026 tot het moment dat zij de woning heeft ontruimd, rekening houdend met de betalingen die zij vanaf 1 april 2026 al aan [eiser] heeft gedaan.

Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis in geval de vordering tot ontruiming van de woning wordt toegewezen, omdat zij eventueel hoger beroep dan niet kan afwachten vanuit de woning.

De kantonrechter overweegt dat een vordering tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring in beginsel moet worden toegewezen en alleen dan kan worden afgewezen als het belang van [gedaagde] bij het behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij de tenuitvoerlegging van de ontruiming. [gedaagde] heeft vanzelfsprekend een belang bij haar verblijf in de woning. Daartegenover staat echter dat [eiser] een belang heeft bij het exclusieve gebruiksrecht van de woning. Partijen zijn uit elkaar en de spanningen lopen regelmatig hoog op. Dit is de kantonrechter ook gebleken tijdens de zitting. Zoals al onder 3.2. van dit vonnis is overwogen, moet daarom op zo kort mogelijke termijn een einde komen aan de huidige woonsituatie. Daarbij wordt, door de ontruimingstermijn te verlengen tot uiterlijk 1 oktober 2026, voldoende tegemoetgekomen aan het belang van [gedaagde] om elders onderdak te vinden. De kantonrechter zal het vonnis daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4. De beslissing

De kantonrechter

verklaart voor recht dat aan [eiser] het uitsluitende huurrecht van de woning aan de [adres] te [woonplaats] toekomt per 1 oktober 2026,

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] te [woonplaats] vóór 1 oktober 2026 met alle zich daarin bevindende personen en zaken – voor zover die niet aan [eiser] toebehoren – te verlaten en te ontruimen en vervolgens ontruimd en verlaten te houden en onder afgifte van de sleutels en hetgeen daartoe verder behoort, ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen,

gebiedt [gedaagde] zich uiterlijk per 1 oktober 2026 bij de gemeente Soest uit te schrijven als woonachtig op het adres [adres] te [woonplaats] ,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bijdrage aan de kosten van de woning van € 465,00 per maand, vanaf 1 april 2026 tot het moment dat zij de woning heeft ontruimd, rekening houdend met de vanaf 1 april 2026 aan [eiser] gedane betalingen,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op

22 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand