RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12048641 \ UC EXPL 26-248 wh 1031
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F. Kaoui werkzaam bij ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
BENU APOTHEKEN B.V.,
gevestigd in Maarssen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BENU,
gemachtigde: mr. B. Schouten.
1. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigde van [eiser] heeft op de mondelinge behandeling nog een productie overgelegd die zij kort voor de mondelinge behandeling aan de rechtbank en BENU heeft toegestuurd.
De kantonrechter heeft aan het einde van de mondelinge behandeling beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2. De kern
[eiser] is sinds 1 september 2009 als beherend apotheker in dienst bij (de rechtsvoorganger van) BENU. In de arbeidsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat “het salaris zal worden aangepast overeenkomstig de in de CAO Apotheken vastgelegde structurele loonsverhogingen”. In deze zaak gaat het om de vraag of [eiser] met ingang van 1 januari 2025 en 1 januari 2026 op grond van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een loonsverhoging van 8% zoals [eiser] stelt, of van 4,25% zoals BENU stelt. Daarnaast moet de vraag beantwoord worden of [eiser] recht heeft op een eindejaarsuitkering zoals die is ingevoerd met de cao Apotheken 2024-2027. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] recht heeft op de loonsverhoging van 8% vanaf 1 januari 2025 en op de loonsverhoging van 8% vanaf 1 januari 2026 maar niet op de eindejaarsuitkering.
3. De beoordeling
Partijen zijn overeengekomen om de cao Apotheken te volgen voor wat betreft loonsverhogingen
Partijen zijn in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat het loon wordt aangepast overeenkomstig de structurele loonsverhogingen in de cao Apotheken. [eiser] is beherend apotheker. Werknemers in het bezit van het diploma van apotheker, waaronder dus [eiser] , zijn uitgezonderd van de toepasselijkheid van deze cao. Sinds de aanvang van het dienstverband in 2009 zijn de loonsverhogingen van de cao Apotheken voor [eiser] altijd gevolgd, in overeenstemming met artikel 4 van de arbeidsovereenkomst. [eiser] werkt 40 uur per week tegen een salaris van € 7.360,31 (eind 2025). In 2009 was er nog geen cao voor apothekers in dienstverband zoals [eiser] . Deze is er inmiddels wel (de cao Apothekers in Dienstverband), maar BENU is daarbij niet aangesloten als werkgeverspartij. BENU is onderdeel van de Brocacef Groep en zij drijft in Nederland een landelijke keten van apotheken. Bij BENU zijn ongeveer 450 apothekers in loondienst. Tussen 2021 en 2023 konden de apothekers die in loondienst waren bij BENU een keuze maken om de loonontwikkeling te volgen van de cao Apotheken of van de cao Brocacef. Nieuwe apothekers in dienst van BENU volgen automatisch de loonontwikkeling van de cao Brocacef. Op dit moment volgt 2/3 van de apothekers in dienst van BENU de loonontwikkeling van de cao Brocacef en 1/3 volgt de ontwikkeling van de cao Apotheken. [eiser] heeft ervoor gekozen om niet de loonontwikkeling van de cao Brocacef te volgen. De afspraak zoals partijen die in de arbeidsovereenkomst van 2009 hebben gemaakt om de cao Apotheken te volgen geldt dus nog steeds.
De uitleg van de arbeidsovereenkomst en de cao
Partijen zijn het niet eens over de uitleg van de cao Apotheken 2024-2027 en de uitleg van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst, ook in onderling verband. [eiser] stelt dat hij op basis van de cao Apotheken recht heeft op een loonsverhoging van 8% per 1 januari 2025 en ook per 1 januari 2026 en op een structurele eindejaarsuitkering vanaf 2025. BENU is het hier niet mee eens.
In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst is het volgende opgenomen:
“ Artikel 4
De werknemer ontvangt een salaris van € 4.711,74 bruto per maand, gebaseerd op de KNMP salarisschaal 6e jaars en een 40-urige werkweek. Het salaris zal worden aangepast overeenkomstig de in CAO Apotheken vastgelegde structurele loonsverhogingen.
Per jaar kan door de werkgever worden vastgesteld of er voor de werknemer een bonusregeling van toepassing zal zijn. De inhoud daarvan zal separaat aan de werknemer worden bevestigd.
De werknemer heeft recht op een vakantietoeslag van 8%, die wordt betaald in de maand mei. Bij in- of uitdiensttreding gedurende het vakantiejaar heeft de werknemer recht op een gedeelte van deze vakantietoeslag, naar rato van de duur van het dienstverband in het betreffende vakantiejaar.”
Dit artikel uit de arbeidsovereenkomst moet worden uitgelegd volgens de maatstaven van de zogeheten Haviltex-formule. Die houdt in dat niet alleen naar de letterlijke bewoordingen van het beding moet worden gekeken, maar ook naar de betekenis die de partijen redelijkerwijs aan de tekst gaven en wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten.
De cao bepalingen die betrekking hebben op “de in CAO Apotheken vastgelegde structurele loonsverhogingen” uit artikel 4 van de arbeidsovereenkomst moeten ook worden uitgelegd. Voor de uitleg van de cao bepalingen geldt de zogenoemde cao norm. Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Daardoor komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Hoe die tekst moet worden uitgelegd kan wel blijken uit de overige tekst in de regeling, de context en ratio waarbinnen de uit te leggen tekst logisch gesproken begrepen moet worden en overige kenbare relevante stukken. Voor de uitleg van de tekst moet dus primair worden aangeknoopt bij wat voor een derde objectief kenbaar is, wanneer die tekst voor hem/haar rechtsgevolgen inhoudt. Dit betreft dus [eiser] en BENU, maar ook de medewerker die wel onder de cao Apotheken valt. Zij zijn immers niet zelf bij de totstandkoming van die tekst betrokken geweest, en kunnen dus niet op de hoogte zijn van partijbedoelingen voor zover die niet uit de tekst zelf blijken. Kort gezegd moet objectief logisch zijn dat aan de tekst een bepaalde specifieke betekenis wordt toegekend.
De vraag is dan ook wat de in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst genoemde structurele loonsverhoging is volgens objectieve uitleg van de cao Apotheken 2024-2027. In de cao Apotheken 2024-2027 wordt voor het eerst een onderscheid gemaakt tussen een gewone indexatie en een inhaalindexatie van het loon en er is voor het eerst een eindejaarsuitkering ingevoerd.
In de preambule bij de cao Apotheken is voor zover voor deze zaak van belang het volgende bepaald:
“ Loonontwikkeling en eindejaarsuitkering
Partijen hebben voor de looptijd van deze cao het volgende afgesproken over de loonontwikkeling:
• per 1 september 2025: structurele loonsverhoging van 8%
• per 1 januari 2026: structurele loonsverhoging van 8%
• per 1 januari 2027: structurele loonsverhoging gebaseerd op de dan geldende Overheidsbijdrageregeling voor Arbeidsvoorwaardenontwikkeling (OVA), met een nacalculatie.
Van de 8% loonindexatie in 2025 en 2026 is 4,25% bedoeld als gewone indexatie en het andere deel, te weten 3,75%, als inhaalindexatie. De inhaalindexatie is bestemd voor de functies die genoemd zijn in de salarisschalen in Bijlage I van de Cao Apotheken omdat voor hen een loonachterstand is vastgesteld en niet voor andere functies.
• Eenmalige uitkering: in september 2025 volgt een eenmalige uitkering van 59,3% van het bruto maandsalaris over de maand september. De 59,3% is vakantiegeld gevend. Werkgevers verrekenen eventueel reeds toegekende loonindexatie sinds 1 juli 2024 tot aan de datum van de algemeen verbindend verklaring (AVV datum) in 2025, evenals het vakantiegeld dat over de loonindexatie is betaald. De verrekening van de eenmalige uitkering zal niet negatief uitvallen voor de werknemer. De pensioenafdracht van werknemer en werkgever worden verrekend via het pensioenfonds.
Cao-partijen roepen werkgevers dringend op om vooruitlopend en na het sluiten van het hoofdlijnenakkoord alvast de lonen te indexeren. Dit laat apotheekmedewerkers minder lang wachten op de indexatie.
• Eindejaarsuitkering: met ingang van december 2025 is daarnaast een eindejaarsuitkering geïntroduceerd.:
o In 2025: 2% (met overgangsregeling)
o Vanaf 2026: 4% structureel
Het jaar 2025 geldt hiermee als overgangsjaar, met een afwijkende uitwerking ten opzichte van de structurele regeling vanaf 2026.(…)”
[eiser] heeft recht op 8% loonsverhoging
Partijen zijn het erover eens dat, naar de kantonrechter aanneemt met genoemde “eenmalige uitkering” in september 2025, de structurele loonsverhoging met ingang van 1 januari 2025 is ingevoerd. BENU stelt echter dat de inhaalindexatie van 3,75% geen structurele loonsverhoging is zoals bedoeld in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst. Deze inhaalindexatie is, zo staat in de preambule, alleen bedoeld voor functies genoemd in bijlage 1 bij de cao, omdat uit onderzoek is gebleken dat het loon van deze functies is achterbleven bij de lonen van dezelfde functies in andere organisaties dan apotheken. BENU heeft toegelicht dat het gaat om onderzoek van de werkgeversvereniging Zelfstandige Openbare Apothekers en de Nederlandse Apothekers Coöperatie. Uit dit onderzoek is gebleken dat het salaris van bijvoorbeeld een apothekersassistente die onder de cao Apotheken valt vanaf 2015 een heel andere ontwikkeling heeft doorgemaakt dan het loon van dezelfde of vergelijkbare functies in bijvoorbeeld het ziekenhuis. Dit onderzoek geldt dus volgens BENU niet voor functies die niet zijn genoemd in Bijlage 1 van de cao Apotheken en geldt dan ook niet voor apothekers zoals [eiser] . De functie van apotheker staat immers niet genoemd in de bijlage. BENU heeft daarnaast aangevoerd dat het beloningsniveau van apothekers in dienst van BENU gelijkwaardig aan of zelfs beter is dan het beloningsniveau van apothekers die vallen onder de cao Apothekers in Dienstverband. [eiser] stelt daarentegen dat zijn loonontwikkeling wel is achtergebleven juist omdat hij al sinds 2009 de ontwikkeling van de cao Apotheken volgt.
De door partijen aangevoerde omstandigheden met betrekking tot het verschil in loonontwikkeling en het tot stand komen van de cao kunnen in het midden blijven. Bij de uitleg van de cao gaat het immers niet om de bedoelingen van partijen bij het sluiten van de cao, maar om de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld.
De kantonrechter overweegt in dit verband allereerst dat uit de inhoudsopgave van de cao Apotheken volgt dat bijlage 1 hoort bij artikel 6 van de cao. Artikel 6 heeft betrekking op de salarissen van de werknemers die onder de cao vallen. In de bijlage staan loontabellen voor de verschillende functies en hierin zijn de loonsverhogingen per periode verwerkt en doorberekend. De bijlage is dus niet specifiek opgemaakt om aan te geven welke functies recht hebben op de inhaalindexatie maar is een standaardbijlage bij de cao met salarisschalen en berekeningen van de gevolgen van de loonbepalingen in de cao. Dat de functie van apotheker daar niet bij staat is vanzelfsprekend nu apothekers van deze cao zijn uitgesloten. Die bijlage was dus ook nooit relevant voor [eiser] en dat zijn functie daarin niet is vermeld maakt dan ook niet dat hij dús is uitgesloten van de inhaalindexatie. De uitleg van BENU van de cao tekst zou ertoe leiden dat de cao-partners invulling hebben gegeven aan artikel 4 van de arbeidsovereenkomst van (onder andere) [eiser] , namelijk welke verhogingen op hem wel of niet van toepassing zijn. Dat kan vanzelfsprekend niet het geval zijn.
Het zou anders kunnen zijn indien de inhaalindexatie alleen voor een heel specifieke groep van de werknemers die onder de cao vallen bedoeld is. BENU heeft echter in het geheel niet duidelijk gemaakt dat er werknemers zijn die wel onder de cao vallen maar wiens functies niet in bijlage 1 worden genoemd en die dus niet in aanmerking komen voor de inhaalindexatie. Ter zitting heeft zij wel gewezen op bijvoorbeeld HR-medewerkers maar [eiser] heeft dat weersproken en gezegd dat alle functies (met uitzondering van die van apotheker) van apotheekmedewerkers in de bijlage zijn opgenomen. Hij stelt dat de uitsluiting van functies die niet zijn genoemd in bijlage 1 van de cao Apotheken 2024-2027 uitsluitend in de cao is opgenomen om apothekers van de inhaalindexatie uit te sluiten.
De kantonrechter stelt in dit verband vast dat de functies die zijn opgenomen in bijlage 1 overeenkomen met de functies die zijn opgenomen in bijlage 7 “Functiebeschrijvingen matrixfuncties apotheken”. Dat wijst er op dat bijlage 1 alle functies bevat. Bovendien staat in bijlage 1 ook dat de in de preambule genoemde eenmalige (inhaal)uitkering in september 2025 geldt “voor iedere werknemer die op 1 september 2025 onder de werkingssfeer van de cao valt”. Uit de cao valt dan ook niet op objectieve wijze af te leiden dat de zinsnede waarin functies worden uitgesloten van de inhaalindexatie ziet op werknemers die onder de cao vallen, behoudens wellicht een enkele uitzondering. De inhaalindexatie moet dan ook worden aangemerkt als een onderdeel van de voor alle werknemers geldende structurele loonsverhoging. Dat deze op grond van de cao niet zou gelden voor apothekers met wie werkgevers zijn overeengekomen de cao te volgen, volgt dan ook niet uit die cao. Zoals reeds is overwogen, kan de cao ook niet specifiek iets bepalen over niet aangesloten werknemers.
Artikel 4 van de arbeidsovereenkomst geeft evenmin enig aanknopingspunt voor de conclusie dat een inhaalindexatie geen deel zou uitmaken van de structurele loonsverhoging. Het ligt eerder voor de hand dat, als alle functies kennelijk zijn achtergebleven bij de algemene loonontwikkeling, dit ook geldt voor apothekers wiens salaris die cao volgt. Dat dit anders is, heeft BENU overigens ook niet onderbouwd.
Gelet dus op de bewoordingen in de cao met betrekking tot de loonsverhoging legt de kantonrechter de bepalingen dan ook zo uit dat [eiser] op grond van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst recht heeft op de gehele structurele loonsverhoging die voor iedereen die in bijlage 1 van de cao staat vermeld geldt. [eiser] heeft dus recht op 8% loonsverhoging per 1 januari 2025 en 8% loonsverhoging per 1 januari 2026. De gevorderde verklaringen voor recht op dit punt worden dan ook toegewezen.
De eindejaarsuitkering valt niet onder artikel 4 van de arbeidsovereenkomst
In de cao Apotheken is de vaste eindejaarsuitkering als nieuwe arbeidsvoorwaarde opgenomen. BENU voert aan dat deze eindejaarsuitkering niet valt onder de in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst bedoelde structurele loonsverhogingen uit de cao. Artikel 4 ziet volgens BENU alleen op het salaris en een vaste eindejaarsuitkering kan niet worden gelijkgesteld met het maandsalaris. De kantonrechter is van oordeel dat de eindejaarsuitkering niet onder artikel 4 van de arbeidsovereenkomst valt. Zoals al eerder is overwogen moet bij de uitleg van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst ook worden betrokken wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten en de betekenis die zij aan de tekst gaven. In de eerste zin van artikel 4 wordt het salaris per maand vermeld. In de tweede zin staat dat het salaris wordt aangepast overeenkomstig de in de cao Apotheken vast gelegde structurele loonsverhogingen. Het ligt dus het meest voor de hand dat met “het salaris” in de tweede zin het maandsalaris wordt bedoeld zoals BENU stelt. Dit wordt nog ondersteund door de omstandigheid dat in artikel 4 de vakantietoeslag apart wordt genoemd, zonder dat daarbij aan de cao wordt gerefereerd. Als partijen hadden gewild dat [eiser] recht had op een eindejaarsuitkering, dan het voor de hand gelegen dit, net als voor de vakantietoeslag en ook de bonusregeling, duidelijk in de overeenkomst vast te leggen.
Ook de cao bevat aanknopingspunten in dit verband. In bijlage 1 van de cao Apotheken 2024-2027 en in bijlage X van de cao Apotheken 2024-2027 is met betrekking tot de eindejaarsuitkering het volgende bepaald:
Eindejaarsuitkering
Per december 2025 wordt een eindejaarsuitkering geïntroduceerd. Dit betreft een extra uitkering die jaarlijks in de maand december wordt uitgekeerd aan werknemers, bovenop het reguliere maandsalaris. De hoogte van de eindejaarsuitkering wordt berekend als een percentage van het genoten bruto jaarsalaris zonder de vakantietoeslag. In december 2026 wordt de eindejaarsuitkering verhoogd met 2%, wat resulteert in een structurele eindejaarsuitkering van 4% vanaf december 2026. (…)”
Uit deze bewoordingen in de cao Apotheken volgt dat de eindejaarsuitkering geen onderdeel is van het maandsalaris, maar bovenop het reguliere maandsalaris komt. De eindejaarsuitkering is dus een volledig nieuwe arbeidsvoorwaarde die los staat van het maandsalaris. Gelet dus ook op de verdere bewoordingen van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst waarin ook de bonusregeling en de vakantietoeslag apart zijn geregeld kan het niet de bedoeling van partijen zijn geweest om iets anders af te spreken dan alleen de indexatie van het maandsalaris, althans heeft [eiser] daar niet van uit mogen gaan.
De stelling van [eiser] dat de eindejaarsuitkering in de preambule, in bijlage 1 en bijlage X van de cao “in een adem” worden genoemd met de loonsverhoging en daardoor onderdeel van de loonsverhogingen is, volgt de kantonrechter niet. De titel van de paragraaf in de cao Apotheken 2024-2027 is steeds “loonontwikkeling en eindejaarsuitkering”. Uit die bewoordingen kan eerder worden afgeleid dat in de cao de twee afspraken naast elkaar bestaan. Dit wordt ook bevestigd door de tekst van de cao waarin staat dat de eindejaarsuitkering “bovenop het reguliere maandsalaris” komt.
De conclusie is dan ook dat [eiser] geen recht heeft op de eindejaarsuitkering zoals bepaald in de cao Apotheken 2024-2027. De door hem gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
BENU moet het achterstallig loon en de wettelijke rente daarover betalen
[eiser] vordert het achterstallig loon over de periode 1 januari 2025 tot en met 1 december 2025. Dit komt volgens hem neer op een bedrag van € 1.932,14 bruto. Dit is gebaseerd op de loonsverhoging van 8% vanaf 1 januari 2025, rekening houdend met de reeds over de periode tot en met mei 2025 (voorlopig) door BENU betaalde loonsverhoging boven de 4,25%. BENU heeft de berekening van het loon niet weersproken en dit bedrag wordt dan ook toegewezen. Ook het door [eiser] berekende vakantiegeld over dit loon van € 154,57 bruto wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit loon wordt toegewezen vanaf de opeisbaarheid van het loon, omdat BENU in verzuim is met betaling van dit loon.
BENU moet wettelijke verhoging betalen
De kantonrechter is van oordeel dat BENU wettelijke verhoging verschuldigd is. Vast staat immers dat BENU het loon van € 1.932,14 bruto en het vakantiegeld van € 154,57 niet aan [eiser] heeft betaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen, zodat deze tot een bedrag van 50% van de toe te wijzen loonbedragen zal worden toegewezen. Dit is een totaalbedrag van (€ 966,07 + € 77,23 =) € 1.043,30 bruto.
BENU moet bruto/netto specificaties aan [eiser] verstrekken
De vordering van [eiser] om aan hem correcte bruto/netto specificaties te verschaffen op straffe van een dwangsom van € 250 per dag zal worden toegewezen. De kantonrechter zal de totale verschuldigde dwangsom maximeren tot een bedrag van totaal
€ 5.000.
BENU moet de buitengerechtelijke kosten betalen
[eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van€ 313,01 netto inclusief btw. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De gevorderde vergoeding is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bepaald en wordt daarom toegewezen.
BENU moet de proceskosten en wettelijke rente daarover betalen
BENU is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.046,52
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals [eiser] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen – zo mogelijk – hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat:
[eiser] recht heeft op de structurele loonsverhoging per 1 januari 2025 van 8%,
[eiser] recht heeft op de structurele loonsverhoging per 1 januari 2026 van 8%,
veroordeelt BENU om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.932,14 bruto aan achterstallig loon over de periode 1 januari 2025 tot en met 1 december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit loon vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt BENU om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 154,57 bruto aan 8% vakantiegeld over het bedrag van € 1.932,14, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit loon vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt BENU om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.043,30 bruto (wettelijke verhoging),
veroordeelt BENU om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis bruto/netto specificaties te verstrekken van de hiervoor onder 4.2. tot en met 4.4 toegewezen bedragen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,00,
veroordeelt BENU om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 313,01 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt BENU in de proceskosten van € 1.046,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als BENU niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt BENU tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis (4.2 tot en met 4.8) uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.