RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12092510 \ MC EXPL 26-775 VL/58599
Vonnis van 5 augustus 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[geopposeerde] , H.O.D.N. [handelsnaam],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
gemachtigde: mr. B.E. Jager, Armaere B.V.,
tegen
[opposante] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [opposante] ,
vertegenwoordiger: de heer [A] ,
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de inleidende dagvaarding van [geopposeerde] van 11 november 2025,
het verstekvonnis van deze rechtbank van 24 december 2025 met zaaknummer 11995435 MC EXPL 25-6627,
de verzetdagvaarding van [opposante] van 5 februari 2026,
de conclusie van antwoord in oppositie van [geopposeerde] ,
de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
De mondelinge behandeling heeft op 15 juli 2026 plaatsgevonden. De heer [geopposeerde] was aanwezig, bijgestaan door mr. B.E. Jager. Namens [opposante] was de heer [A] aanwezig. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
Vanaf begin 2024 hebben partijen een mogelijke samenwerking onderzocht rondom een nieuw keukenconcept onder de naam ‘ [naam] ’. [opposante] zou daarvoor in opdracht van [geopposeerde] een website maken, waarvoor [geopposeerde] vooraf € 3.025,00 heeft betaald. Op 31 juli 2025 besluiten partijen de samenwerking te beëindigen. Volgens [geopposeerde] heeft [opposante] op dat moment toegezegd het bedrag van € 3.025,00 terug te betalen. [opposante] is hiertoe bij verstek veroordeeld. [opposante] is het hier niet mee eens en wil daarom dat het verstekvonnis wordt vernietigd. Volgens hem was het gesprek van 31 juli 2025 nog niet afgerond en had hij nog aanvullende afspraken willen maken over het beëindigen van de samenwerking en het verdelen van kosten. De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis.
3. De beoordeling
Wat hebben partijen op 31 juli 2025 afgesproken
De vraag die voorligt, is wat partijen op 31 juli 2025 hebben afgesproken over het bedrag van € 3.025,00. De kantonrechter is van oordeel dat is komen vast te staan dat [opposante] heeft toegezegd om dit bedrag aan [geopposeerde] terug te betalen. Aan die afspraak moet hij zich houden. De discussie over een redelijk loon voor de door [opposante] verrichte werkzaamheden aan de website kan daarom buiten beschouwing blijven.
Dat [opposante] tijdens het gesprek van 31 juli 2025 heeft toegezegd € 3.025,00 terug te betalen, wordt ondersteund door de verklaring van [B] , die ook betrokken was bij de samenwerking binnen [naam] . Tijdens de mondelinge behandeling gaf [opposante] aan dat zij inderdaad heeft gezegd dat zij € 3.025,00 zou terugbetalen. Maar, omdat zij wel uren heeft geïnvesteerd in het bouwen van de website en omdat partijen gedurende de samenwerking beiden ook andere kosten hebben gemaakt, had [opposante] ook hierover nog afspraken willen maken. De kantonrechter begrijpt haar stelling zo dat de toezegging tot het terugbetalen van € 3.025,00 niet onvoorwaardelijk was en partijen de voorwaarden nog moesten bespreken. Doordat de emoties op 31 juli 2025 tussen beiden hoog opliepen, is het gesprek echter voortijdig beëindigd.
De kantonrechter overweegt als volgt. [opposante] heeft tijdens het gesprek op 31 juli 2025 niet tegen [geopposeerde] gezegd dat zij het bedrag alleen zou terugbetalen als partijen het eens worden over andere zaken. Dat [opposante] nog afspraken had willen maken, is – gezien de langere periode van samenwerking – mogelijk voorstelbaar, maar dat zij dat als voorwaarde stelde aan de terugbetaling van € 3.025,00, is niet komen vast te staan. [opposante] heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan blijken dat [geopposeerde] had moeten begrijpen dat de toezegging tot terugbetaling zou afhangen van nog nader te maken afspraken. De kantonrechter zal het verstekvonnis bekrachtigen.
[opposante] moet de proceskosten betalen
[opposante] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
4. De beslissing
De kantonrechter:
bekrachtigt het vonnis van deze rechtbank van 24 december 2025 met zaaknummer 11995435 MC EXPL 25-6627,
veroordeelt [opposante] in de proceskosten van € 506,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opposante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst al het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.