RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3249
(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. L.A. Sluiter).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het exploiteren van een caravanstalling op zijn perceel [adres] in [woonplaats] . Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag voor de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 juli 2023 per e-mail een aanvraag ingediend om een uitzondering toe te staan op het bestemmingsplan, omdat op het perceel volgens het geldende bestemmingsplan niet de aanduiding ‘caravanstalling’ rust. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 augustus 2023 per e-mail afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
Op het perceel van eiser is het bestemmingsplan ‘Agrarisch gebied Buitenvaart’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Op het perceel rust de enkelbestemming ‘Agrarisch-Verbreed’. De voor ‘Agrarisch-Verbreed’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor agrarische bedrijven. Ter plaatse van de aanduiding ‘caravanstalling’ is het stallen van niet-gemotoriseerde caravans en aanhangers (o.a. vouwwagens, paardentrailers, boottrailers) toegestaan tot een bedrijfsvloeroppervlakte in het gehele plangebied van maximaal
91.210 m².
Niet in geschil is, en ook de rechtbank is van oordeel, dat een caravanstalling op het perceel in strijd is met de geldende bestemming. Verder is er, anders dan eiser meent, geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Het artikel 3.5, sub f, van het bestemmingsplan waar hij naar verwijst, is alleen bedoeld voor percelen waarop al de aanduiding ‘caravanstalling’ van toepassing is. Dat is niet zo bij eisers perceel. Dat betekent dat het college alleen zou kunnen afwijken van het bestemmingsplan met een buitenplanse afwijking. Het college heeft de bevoegdheid om af te wijken van de regels uit het bestemmingsplan als de activiteit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Het college is echter niet verplicht om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Bij de keuze om wel of niet een omgevingsvergunning te verlenen, moet het college een afweging maken van de bij de aanvraag betrokken belangen. Het college heeft bij die afweging beleidsruimte. De rechtbank toetst vervolgens of het college in redelijkheid tot zijn besluit is gekomen en of daarbij alle betrokken belangen zijn meegewogen. Het college is niet bereid om mee te werken aan een afwijkend gebruik voor caravanstallingen omdat een uitsterfregeling voor caravanstallingen in het bestemmingsplan is opgenomen. Het college heeft toegelicht dat de uitsterfregeling in het bestemmingsplan is opgenomen om uiteindelijk in de situatie te komen dat er steeds minder of geen caravanstallingen meer aanwezig zijn in het plangebied, als deze gedurende langere tijd niet meer worden gebruikt. Het college heeft er daarbij op gewezen dat in het bestemmingsplan en in de toelichting op het bestemmingsplan is omschreven dat de gemeenteraad er destijds voor heeft gekozen om slechts voor de zeven percelen waarop de aanduiding ‘caravanstalling’ is geplaatst, af te willen wijken van het hoofduitgangspunt van het handhaven van ‘glastuinbouw’ in het plangebied. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten niet van het bestemmingsplan af te wijken. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in het gebied zodanig is gewijzigd, dat de uitsterfregeling niet meer reëel is en juist het toelaten van een caravanstalling past binnen een goede ruimtelijke ordening. Wat betreft de persoonlijke belangen van eiser vindt de rechtbank dat het college het belang van de goede ruimtelijke ordening zwaarder mocht laten wegen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.