RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/612858 / KL ZA 26-157
Vonnis in kort geding van 11 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P. de Haan,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I. El Azzati.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juni 2026, met producties 1 tot en met 28;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 11;- de mondelinge behandeling van 30 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling op 30 juli 2026 was [eiser] aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. De Haan. Ook was [eiser] aanwezig, bijgestaan door mr. El Azzati. Mr. De Haan heeft spreekaantekeningen voorgedragen, welke door de voorzieningenrechter aan het dossier zijn gevoegd.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak doet.
2. De kern van de zaak
[eiser] verhuurde aan [eiser] een onzelfstandige woonruimte op de begane grond van haar woning. [eiser] had daarnaast op grond van de huurovereenkomst toegang tot de gemeenschappelijke voorzieningen in de woning, waaronder de keuken, badkamer en het toilet. [eiser] heeft de huurovereenkomst opgezegd en het gehuurde vervolgens zonder toestemming van [eiser] ontruimd. [eiser] heeft daarop een kortgedingprocedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. Bij verstekvonnis van 26 september 2025 (hierna: het verstekvonnis) is [eiser] onder meer veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het verstekvonnis [eiser] weer toegang tot het gehuurde te verschaffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het verstekvonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of [eiser] aan het verstekvonnis heeft voldaan. Volgens [eiser] heeft [eiser] hem geen volledige toegang tot het gehuurde, althans geen volledig woongenot verschaft en daardoor de maximale dwangsom van € 15.000,00 verbeurd. Op basis daarvan heeft [eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd op de pensioenuitkering van [eiser] . Volgens [eiser] heeft zij volledig aan het verstekvonnis voldaan en daarom geen dwangsommen verbeurd. Zij vordert daarom – kort samengevat – te bepalen dat geen dwangsommen zijn verbeurd, een verbod op verdere executie van de gestelde dwangsommen, opheffing van het gelegde beslag, mededeling daarvan aan de derde beslagene en terugbetaling van de reeds geïncasseerde bedragen, een en ander op straffe van een dwangsom.
3. De beoordeling
[eiser] heeft een spoedeisend belang
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de aard van de vordering meebrengt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft. Van [eiser] kan niet worden verlangd dat zij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. [eiser] heeft het spoedeisend belang bovendien niet betwist.
Juridisch kader in executiegeschil
Aan een executant komt de bevoegdheid toe een ten gunste van hem gewezen uitspraak ten uitvoer te leggen. De tenuitvoerlegging van een executoriale titel mag zo min mogelijk worden belemmerd. Als er onenigheid ontstaat tussen partijen in relatie tot de executie, kan een executiegeschil aanhangig worden gemaakt op grond van artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
In een executiegeschil kan aan de orde komen of er dwangsommen zijn verbeurd. Dat is de vraag die in deze procedure centraal staat. Daarbij moet de voorzieningenrechter beoordelen of de voorwaarden waaronder de dwangsom is verschuldigd, zijn vervuld. Daarbij is het niet aan de voorzieningenrechter om de door de kantonrechter op 26 september 2025 besliste rechtsverhouding opnieuw te beoordelen. De beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, moet (wanneer sprake is van een veroordeling om iets te doen) plaatsvinden door een toetsing van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij de uitleg zijn het doel en de strekking van de daarin opgenomen veroordelingen leidend. De rechter mag bij de uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren.
De stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd rusten op [eiser] als executant. Daarbij is voldoende dat [eiser] aannemelijk maakt dat [eiser] niet aan de veroordelingen uit het verstekvonnis heeft voldaan. In kort geding zijn de wettelijke regels van bewijsrecht namelijk niet van toepassing en is er geen plaats voor nadere bewijslevering. De voorzieningenrechter beoordeelt de stellingen van partijen daarom aan de hand van de beschikbare stukken en wat op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht.
Toepassing op deze zaak
Uit de inhoud van het verstekvonnis leidt de voorzieningenrechter af dat de kantonrechter met de daarin opgenomen veroordelingen heeft beoogd de feitelijke woonsituatie van [eiser] te herstellen, nadat [eiser] hem zonder zijn toestemming de toegang tot het gehuurde had ontnomen. Tegen die achtergrond is [eiser] veroordeeld om [eiser] opnieuw toegang tot het gehuurde te verlenen, hem het volledige woongenot te verschaffen, zijn eigendommen in het gehuurde terug te plaatsen en hem de benodigde sleutels te verstrekken. De veroordelingen strekten er aldus toe dat [eiser] weer daadwerkelijk volledig gebruik kon maken van het gehuurde.
Het verstekvonnis is op 6 oktober 2025 aan [eiser] betekend. Hoewel [eiser] op grond van het verstekvonnis binnen 24 uur na de betekening daarvan aan de daarin opgenomen veroordelingen diende te voldoen, hebben partijen in onderling overleg afgesproken dat (onder meer) de sleuteloverdracht op 10 oktober 2025 zou plaatsvinden. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op die datum de sleutels aan [eiser] heeft verstrekt, waarna [eiser] het gehuurde weer kon betreden. Volgens [eiser] heeft [eiser] daarmee echter niet volledig voldaan aan het verstekvonnis. Hij voert daartoe verschillende omstandigheden aan.
De voorzieningenrechter bespreekt hierna de door [eiser] aangevoerde omstandigheden en beoordeelt of deze, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, voldoende aannemelijk maken dat het met het verstekvonnis beoogde herstel van de feitelijke woonsituatie is uitgebleven.
De voorzieningen in het gehuurde
Elektriciteitsvoorziening en verlichting
Volgens [eiser] waren bij zijn aankomst in het gehuurde op 10 oktober 2025 de elektriciteitsvoorziening en de verlichting niet in orde. Hij heeft deze klachten op 23 oktober 2025 via zijn advocaat aan [eiser] kenbaar gemaakt. Op de vraag tijdens de mondelinge behandeling wat [eiser] met de elektriciteitsvoorziening bedoelde, heeft [eiser] geantwoord dat de stopcontacten in het gehuurde niet werkten.
[eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft aangevoerd dat slechts één stopcontact niet werkte en niet is gebleken dat [eiser] alle stopcontacten heeft gecontroleerd. Ten aanzien van de verlichting heeft [eiser] aangevoerd dat zij eerst op 23 oktober 2025 hoorde dat de lamp defect was en zij heeft vervolgens direct een nieuwe lamp aangeschaft en geplaatst.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van de door hem gestelde gebreken aan de elektriciteitsvoorziening. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser] heeft [eiser] zijn stellingen onvoldoende concreet onderbouwd. Het enkele feit dat de verlichting het op 23 oktober 2025 niet deed, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in alle redelijkheid niet tot de conclusie leiden dat [eiser] daarmee geen volledig gebruik van het gehuurde kon maken, vooral niet omdat [eiser] onbetwist heeft gesteld dat zij dat bij constatering ervan direct heeft hersteld. Voor zover partijen van mening verschillen over de feitelijke situatie op 10 oktober 2025, zou nadere bewijslevering nodig zijn. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats.
Wifi
Daarnaast stelt [eiser] dat hij geen toegang had tot een wifi-verbinding. [eiser] heeft daartegen aangevoerd dat partijen niet zijn overeengekomen dat zij een wifi-verbinding ter beschikking zou stellen. Volgens haar was in het gehuurde ook geen wifi-aansluiting aanwezig. Zij stelt dat zij desondanks een wifi-versterker heeft geplaatst en dat haar zoon [eiser] via WhatsApp het wachtwoord van haar eigen wifi modem heeft aangeboden.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de huurovereenkomst niet volgt dat [eiser] gehouden was een wifi-verbinding ter beschikking te stellen. Evenmin heeft [eiser] gesteld of anderszins aannemelijk gemaakt dat partijen daarover nadien aanvullende afspraken hebben gemaakt. Reeds daarom is onvoldoende aannemelijk dat het ontbreken van een wifi-verbinding meebrengt dat [eiser] niet aan de veroordelingen uit het verstekvonnis heeft voldaan.
Verwarming
Ten aanzien van de verwarming stelt [eiser] dat hij deze in het gehuurde niet kon bedienen, waardoor het in het gehuurde ongeveer 12 graden was op momenten dat het buiten 10 graden was. [eiser] betwist dit. Zij heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zich achter de deur van het gehuurde een werkende thermostaat bevond, die [eiser] zelf kon bedienen. Volgens [eiser] wist [eiser] bovendien hoe de thermostaat moest worden bediend. Dat deed hij in het daaraan voorafgaande jaar ook zelf.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet zelf over de verwarming in het gehuurde kon beschikken. Tegenover de concrete toelichting van [eiser] heeft [eiser] niet nader onderbouwd waarom de thermostaat voor hem niet toegankelijk of niet bedienbaar was. De enkele stelling dat [eiser] de temperatuur bepaalde, is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] niet over een bruikbare verwarmingsvoorziening beschikte. Voor nader onderzoek naar de feitelijk gang van zaken is in dit kort geding geen plaats.
De omstandigheid dat [eiser] eerder een elektrische kachel aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld, maakt dit niet anders. Volgens [eiser] volgt daaruit dat hij de thermostaat niet mocht bedienen. [eiser] heeft in reactie daarop toegelicht dat de elektrische kachel slechts als extra voorziening was bedoeld, zodat [eiser] het op sommige momenten sneller warm kon krijgen. Uit het enkele ter beschikking stellen van die kachel kan niet worden afgeleid dat [eiser] de hoofdverwarming niet mocht of kon gebruiken. Ook deze omstandigheid leidt niet tot het oordeel dat [eiser] niet heeft voldaan aan de veroordeling uit het verstekvonnis.
Watervoorziening
[eiser] stelt verder dat de watervoorziening in het gehuurde gebrekkig was, omdat er enkel gebruik kon worden gemaakt van een beperkte koud watervoorziening. Ter onderbouwing heeft hij een filmpje als productie 2 overgelegd. Volgens [eiser] kwam uit de kraan wel water, maar was slechts de hoeveelheid warm water beperkt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] hem ten aanzien van de watervoorziening niet het in het verstekvonnis bedoelde woongenot heeft verschaft. Partijen verschillen van mening over de feitelijke situatie. Op het door [eiser] overgelegde filmpje is te zien dat de waterstroom verschilt afhankelijk van de knop waaraan wordt gedraaid. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de watervoorziening zodanig gebrekkig was dat [eiser] geen gebruik kon maken van het gehuurde. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat op het filmpje uitsluitend de gootsteen in de kamer te zien is. [eiser] heeft niet gesteld dat de watervoorziening in de gemeenschappelijke keuken eveneens gebrekkig was. Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat hij van die keuken geen gebruik mocht maken, heeft [eiser] gemotiveerd betwist dat dit het geval was. Zij heeft toegelicht dat gebruik van de keuken mogelijk was, mits daarover afspraken werden gemaakt omdat partijen niet tegelijk konden koken. Ook op dit punt verschillen partijen van mening over de feitelijke situatie. Voor nader onderzoek is in dit kort geding geen plaats.
Elektrische verwarming en kookplaatje
[eiser] voert verder aan dat de elektrische verwarming en het kookplaatje uit het gehuurde zijn verwijderd en niet zijn teruggezet. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling bevestigd dat zij deze voorzieningen vóór de sleuteloverdracht van 10 oktober heeft weggehaald en niet heeft teruggezet in het gehuurde. Volgens haar maakten deze voorzieningen geen onderdeel uit van het gehuurde, maar had zij deze op enig moment als extra voorziening ter beschikking gesteld.
[eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de elektrische verwarming en het kookplaatje behoorden tot de voorzieningen die [eiser] hem ter beschikking diende te stellen. Uit de huurovereenkomst volgt niet dat deze voorzieningen onderdeel uitmaakten van het gehuurde. Evenmin heeft [eiser] gesteld of anderszins aannemelijk gemaakt dat partijen zijn overeengekomen dat deze voorzieningen na de sleuteloverdracht in het gehuurde aanwezig zouden zijn. Uit het feit dat [eiser] deze vóór de sleuteloverdracht heeft verwijderd, kan daarom niet worden afgeleid dat zij [eiser] daarmee niet het volledig woongenot heeft verschaft of de veroordeling uit het verstekvonnis op een andere manier niet is nagekomen.
Het terugplaatsen van de eigendommen van [eiser]
[eiser] stelt dat [eiser] niet al zijn eigendommen overeenkomstig het verstekvonnis heeft teruggeplaatst. In het bijzonder voert hij aan dat onderdelen van zijn Ikea-bed na de sleuteloverdracht ontbraken. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] voorafgaand aan de ontruiming gebruikmaakte van een bed van de dochter van [eiser] . [eiser] heeft toegelicht dat de volgens hem ontbrekende onderdelen van zijn Ikea-bed onder het bed van de dochter van [eiser] waren opgeslagen. [eiser] betwist dat zij deze onderdelen heeft weggehaald. Tegenover de betwisting door [eiser] heeft [eiser] zijn stelling verder onvoldoende concreet onderbouwd.
De gestelde bedreigingen
[eiser] voert verder aan dat [eiser] ook om andere redenen niet aan het verstekvonnis heeft voldaan. Volgens hem voelde hij zich door gedragingen van [eiser] en haar omgeving niet veilig om in het gehuurde te verblijven. In dat verband wijst hij op gestelde dreigende uitlatingen en een bij het gehuurde aangetroffen doodskistje.
Dreigende uitlatingen
Nadat [eiser] op 10 oktober 2025 de sleutels had ontvangen en toegang had gekregen tot het gehuurde, is hij diezelfde dag weer vertrokken. Op 25 oktober 2025 keerde hij terug met het voornemen zijn intrek in het gehuurde te nemen. Volgens [eiser] werd hem het gebruik van het gehuurde toen onmogelijk gemaakt, doordat de (inmiddels) ex-partner van [eiser] zich dreigend tegenover hem uitliet. Daardoor voelde hij zich naar eigen zeggen niet langer veilig om in het gehuurde te verblijven. Ter onderbouwing heeft hij een geluidsopname van dat desbetreffende moment als productie 5 overgelegd.
Uit deze geluidsopname en de toelichting daarop kan niet volledig worden vastgesteld wat de ex-partner van [eiser] precies heeft gezegd, omdat een deel van zijn uitlatingen in een andere taal is gedaan. Op de mondelinge behandeling is wel duidelijk geworden dat hij onder meer heeft gezegd dat “de jongens hem wel zouden weten te vinden” en dat [eiser] “niet weet met wie hij te maken heeft”. Ook de toon waarop deze uitlatingen zijn gedaan kwam intimiderend over. De voorzieningenrechter acht het begrijpelijk dat [eiser] deze uitlatingen als bedreigend heeft ervaren.
Daar staat tegenover dat [eiser] die dag filmend het gehuurde is binnengekomen. Hoewel het maken van opnames op zichzelf niet onrechtmatig hoeft te zijn, kan die handelwijze in de gegeven omstandigheden door [eiser] als provocerend en intimiderend zijn ervaren en aan de escalatie van de situatie hebben bijgedragen. Dat rechtvaardigt de uitlatingen van de ex-partner van [eiser] niet, maar is wel van belang bij de beoordeling van de gebeurtenis op 25 oktober.
Verder heeft [eiser] op de mondelinge behandeling verklaard dat haar ex-partner deze uitlatingen niet had moeten doen. Hoewel van [eiser] mocht worden verwacht dat zij zich ervoor inspande dat [eiser] niet werd gehinderd bij het gebruik van het gehuurde, kon onder deze omstandigheden niet van haar worden verlangd dat zij iedere uitlating of gedraging van haar ex-partner had moeten voorkomen.
Van doorslaggevend belang is bovendien dat [eiser] enkele dagen later, namelijk op 1 november 2025, opnieuw naar het gehuurde is teruggekeerd met het voornemen daar weer te gaan wonen. Dat is moeilijk te verenigen met zijn stelling dat hij zich door de gebeurtenissen van 25 oktober niet langer veilig voelde om van het gehuurde gebruik te maken. Daarom is onvoldoende aannemelijk dat [eiser] door deze gebeurtenissen niet aan de veroordeling uit het verstekvonnis heeft voldaan.
Doodskistje
[eiser] stelt vervolgens dat hij bij zijn terugkeer op 1 november 2025 een doodskistje in het gehuurde heeft aangetroffen. Volgens [eiser] moet dit worden gezien als een ernstige bedreiging. [eiser] heeft erkend dat het doodskistje in het gehuurde lag, maar betwist dat zij dit daar heeft neergelegd. Zij heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij voorafgaand aan de komst van [eiser] in het gehuurde is gaan kijken of alles naar behoren functioneerde. Daarbij waren haar jonge kleinkinderen aanwezig, die volgens haar altijd met haar meelopen. Volgens [eiser] is het doodskistje vermoedelijk door haar kleinkinderen achtergelaten. Daarbij heeft zij erop gewezen dat dit kort na Halloween was.
Partijen verschillen van mening over de vraag hoe het doodskistje in het gehuurde terecht is gekomen. In dit kort geding kan de voorzieningenrechter niet vaststellen of [eiser] dit bewust heeft neergelegd of wat zich op dit punt heeft voorgedaan. Reeds daarom kan uit het aantreffen van het doodskistje niet worden afgeleid dat eiseres de veroordeling uit het verstekvonnis niet is nagekomen.
Daar komt bij dat, ook als wordt aangenomen dat [eiser] het doodskistje in het gehuurde heeft achtergelaten, daaruit nog niet volgt dat zij [eiser] het daadwerkelijk gebruik van het gehuurde heeft ontnomen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser] , nadat hij het doodskistje had aangetroffen, die nacht in het gehuurde is blijven slapen en bovendien een slot op de deur heeft geplaatst. Dit strookt moeilijk met zijn stelling dat hij zich door het aantreffen van het doodskistje niet langer veilig voelde om van het gehuurde gebruik te maken. Ook hiermee heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] de veroordeling uit het verstekvonnis niet is nagekomen.
Gemeenschappelijke voorzieningen
Barricade
[eiser] stelt tot slot dat hem in de nacht van 1 november op 2 november 2025 ook de toegang tot de gemeenschappelijke voorzieningen is ontnomen. Volgens hem was de deur naar de hal gebarricadeerd, waardoor hij geen gebruik kon maken van onder meer het toilet. Ter onderbouwing heeft hij een filmpje als productie 3 overgelegd. Volgens [eiser] heeft hij het gehuurde daarom op 2 november 2025 verlaten. Hij is daarna niet meer teruggekeerd. [eiser] betwist dat de deur naar de hal was gebarricadeerd en stelt dat deze normaal kon worden geopend.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] ook op dit punt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] niet aan de veroordeling uit het verstekvonnis heeft voldaan. Op het door [eiser] overgelegde filmpje is slechts te zien dat de deur naar de hal gedeeltelijk opengaat en vervolgens ergens tegenaan lijkt te komen. Daaruit kan niet worden afgeleid waardoor de deur werd belemmerd of dat [eiser] daarvoor verantwoordelijk was. De enkele omstandigheid dat de deur op één moment niet volledig kon worden geopend, brengt nog niet mee dat [eiser] het met het verstekvonnis beoogde gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen heeft onthouden.
De executie van de dwangsomveroordeling wordt verboden totdat in een bodemprocedure eindvonnis is gewezen
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de omstandigheden waarop [eiser] zich na de sleuteloverdracht heeft beroepen, zowel afzonderlijk als in onderling samenhang bezien, onvoldoende zijn om aan te nemen dat [eiser] de veroordelingen in het verstekvonnis niet is nagekomen en daarmee het met het verstekvonnis beoogde herstel van de feitelijke woonsituatie is uitgebleven. Daarmee is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd.
Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding de verdere executie van het vonnis, voor zover deze betrekking heeft op de gestelde dwangsommen, te verbieden totdat in een bodemprocedure eindvonnis is gewezen. In die procedure kan definitief worden beoordeeld of [eiser] dwangsommen heeft verbeurd en, zo ja, tot welk bedrag.
De overige vorderingen worden afgewezen
Met het voorgaande is niet definitief vastgesteld dat [eiser] geen dwangsommen heeft verbeurd. Dat oordeel is voorbehouden aan de bodemrechter. De vordering om te bepalen dat geen dwangsommen zijn verbeurd, leent zich daarom niet voor toewijzing in dit kort geding.
Ook de vordering tot opheffing van het gelegde derdenbeslag wordt afgewezen. Met het verbod tot verdere executie van de gestelde dwangsommen is [eiser] al beschermd totdat de bodemrechter over de verschuldigdheid van de dwangsommen heeft beslist. Een gebod tot opheffen van het beslag zou vooruitlopen op het oordeel van de bodemrechter en gaat daarom verder dan in dit kort geding noodzakelijk is. De daarmee samenhangende vordering om [eiser] te bevelen de derde-beslagene schriftelijk over de opheffing te informeren, wordt daarom eveneens afgewezen.
De vordering tot terugbetaling van de reeds geïncasseerde bedragen wordt ook afgewezen. Toewijzing daarvan zou neerkomen op een definitief oordeel over de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dwangsommen zijn verbeurd. Voor een dergelijk oordeel is in dit kort geding geen plaats.
De gevorderde dwangsom
[eiser] heeft gevorderd om aan de vorderingen een dwangsom te verbinden. Nu het onder 3.33 bedoelde verbod tot verdere executie wordt toegewezen, zal de gevorderde dwangsom aan dit verbod worden verbonden. [eiser] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde dwangsom. Bovendien zal hij van de opgelegde dwangsom geen nadeel ondervinden als hij het verbod naleeft. De dwangsom zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [eiser] in strijd met dit verbod handelt, met een maximum van € 15.000,00.
Proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt de verdere executie van het verstekvonnis van de kantonrechter van 26 september 2025, voor zover deze betrekking heeft op de door [eiser] gestelde dwangsommen, totdat in de bodemprocedure over de verschuldigdheid van de door [eiser] geëiste dwangsommen eindvonnis is gewezen,
veroordeelt [eiser] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij het verbod van 4.1. overtreedt, totdat een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.