RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12349365 \ UV EXPL 26-204-II
Uitwerking van het eerder uitgesproken verkort vonnis in kort geding van 17 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.H. Bouwman,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.R. Koppe.
1. De procedure
De kantonrechter als voorzieningenrechter heeft de volgende stukken:
de dagvaarding van 12 augustus 2026 met producties 1 tot en met 4. Productie 5 is niet overgelegd en niet aan [gedaagde] betekend,
de producties 1 tot en met 5 van [gedaagde] ,
de zittingsaantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van 17 augustus 2026,
de pleitnota van [gedaagde] .
Tijdens de mondelinge behandeling zijn [eiser] , mr. Bouwman en mr. Koppe verschenen. [gedaagde] is met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.
De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat wegens het spoedeisend karakter na sluiting van de mondelinge behandeling op 17 augustus 2026 om uiterlijk 14:00 uur uitspraak wordt gedaan (al dan niet in de vorm van een ‘kop en staart uitspraak’). De beslissing luidt zoals hieronder is bepaald. Aan partijen is medegedeeld dat de nadere schriftelijke uitwerking van een ‘kop en staart uitspraak’ binnen uiterlijk twee weken na 17 augustus 2026 zal volgen.
2. De kern van de zaak
De kantonrechter van deze rechtbank heeft in een vonnis van 22 juli 2026 onder meer de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] per 23 juli 2026 ontbonden en [eiser] veroordeeld om de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] (hierna: de woning) binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Dit vonnis is gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op 29 juli 2026 aan [eiser] betekend. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. [gedaagde] wil de hoger beroepsprocedure niet afwachten en heeft op 6 augustus 2026 de ontruiming tegen 18 augustus 2026 aangezegd. [eiser] eist in dit kort geding dat het vonnis van de kantonrechter wordt geschorst. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.
3. De beoordeling
Het vonnis van 22 juli 2026
[eiser] vordert de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van 22 juli 2026 met het zaaknummer 12078025 UC EXPL 26-798. In het gemotiveerde oordeel over de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft de kantonrechter de belangen van partijen afgewogen en heeft zij geoordeeld dat het belang van [gedaagde] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van [eiser] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten.
Spoedeisend belang
De spoedeisendheid van de zaak is gegeven, want de ontruiming van de woning staat gepland op 18 augustus 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [gedaagde] aangegeven dat [gedaagde] de geplande ontruiming niet wil uitstellen.
Het toetsingskader voor de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 juli 2026
De kantonrechter past het toetsingskader toe dat voor een in kort geding gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019.Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in het ten uitvoer te leggen vonnis van 22 juli 2026 en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep tegen het vonnis blijft buiten beschouwing. Wel kan de kantonrechter in de oordeelsvorming betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, wat hier het geval is, moet [eiser] , afgezien van het geval dat het vonnis van 22 juli 2026 berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst ná de betrokken uitspraak hebben voorgedaan (nova) én die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
Er is geen sprake van een kennelijke misslag
[eiser] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het vonnis van 22 juli 2026 berust op een kennelijke misslag. Het moet dan gaan om een zo evidente vergissing in het recht of de feiten dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. Een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag wordt niet lichtvaardig aangenomen.
[eiser] stelt in zijn dagvaarding dat de kantonrechter twee belangrijke punten niet heeft meegewogen in het vonnis van 22 juli 2026.
Het eerste punt is volgens [eiser] dat hij om het weekend en (deels) in de zomervakantie de zorg draagt voor zijn drie minderjarige kinderen; Deze regeling is opgenomen in een ouderschapsplan, dat in een rechterlijke beschikking is vastgelegd. Op dit punt is geen sprake van een kennelijke feitelijke misslag, omdat de kantonrechter in het vonnis van 22 juli 2026 de omgangsregeling heeft meegewogen in de beoordeling en ook expliciet het ouderschapsplan heeft benoemd onder randnummer 3.5.
Het tweede punt is volgens [eiser] dat [gedaagde] de woning wil verkopen, [gedaagde] op verschillende manieren heeft geprobeerd [eiser] ertoe te bewegen de woning te verlaten of deze zelf te kopen, [eiser] de woning niet kan kopen en [gedaagde] alleen een oplossing wilde waarbij [eiser] de woning zou verlaten. Ook op dit punt is geen sprake van een kennelijke feitelijke misslag. In de conclusie van antwoord die [eiser] in de eerdere procedure heeft overgelegd heeft hij geen aandacht voor dit punt gevraagd. Onderbouwing waaruit blijkt dat ook híj dit punt tijdens de mondelinge behandeling van 6 juli 2026 onder de aandacht van de kantonrechter heeft gebracht, is niet overgelegd. Maar ook als [eiser] dit punt wel onder de aandacht van de kantonrechter zou hebben gebracht leidt de enkele omstandigheid dat de kantonrechter in het vonnis van 22 juli 2026 niet expliciet hierop is ingegaan, niet tot de conclusie dat de beslissingen in dit vonnis op een kennelijke feitelijke misslag berusten. Dit punt is immers irrelevant voor de beoordeling van de vorderingen van [gedaagde] . De kantonrechter heeft in het vonnis 22 juli 2026 onder meer vastgesteld dat sprake is van een tekortkoming in de vorm van een huurachterstand van meer dan drie maanden en, mede gezien de persoonlijke omstandigheden die [eiser] onder haar aandacht heeft gebracht, gemotiveerd dat die tekortkoming van voldoende gewicht is en daarom de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
In de dagvaarding heeft [eiser] verder gesteld dat de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling van 6 juli 2026 de toezegging zou hebben gedaan dat er “mogelijk een langere ontruimingstermijn zou worden gegund”, terwijl de kantonrechter in het vonnis van 22 juli 2026 een ontruimingstermijn van 14 dagen heeft aangehouden. Ook wat betreft dit punt wordt [eiser] niet gevolgd in zijn stelling dat sprake is van een kennelijke misslag. Dat de kantonrechter deze mededeling heeft gedaan heeft [eiser] op geen enkele manier onderbouwd en de gemachtigde van [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 17 augustus 2026 weersproken dat de kantonrechter vorenbedoelde mededeling tijdens de mondelinge behandeling van 6 juli 2026 heeft gedaan. De gemachtigde van [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 juli 2026 heeft laten opvragen, maar hij heeft in het midden gelaten of dit met spoed en met het oog op de mondelinge behandeling in kort geding van 17 augustus 2026 is opgevraagd. En voor zover de kantonrechter voormelde mededeling wel zou hebben gedaan, heeft de kantonrechter met die mededeling de mogelijkheid opengelaten dat er geen langere ontruimingstermijn zou worden gegund.
Geen sprake van nova
De kantonrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd niet als nova kunnen worden aangemerkt (die reden zouden kunnen zijn om van de eerdere beslissingen in het vonnis van 22 juli 2026 af te wijken). Dit licht de kantonrechter hierna toe.
[eiser] heeft onder andere aangevoerd dat:
[gedaagde] de woning wil verkopen, [gedaagde] op verschillende manieren heeft geprobeerd [eiser] ertoe te bewegen de woning te verlaten of deze zelf te kopen, [eiser] de woning niet kan kopen en [gedaagde] alleen een oplossing wilde waarbij [eiser] de woning zou verlaten;
[eiser] om het weekend en in de zomervakantie zorg moet dragen voor zijn drie minderjarige kinderen op basis van het ouderschapsplan;
[eiser] door de executie van het vonnis de woning zal verliezen, dakloos zal worden en zijn kinderen een tijdje niet conform de omgangsregeling zal kunnen ontvangen;
aan de zijde van [eiser] geen sprake is van betalingsonwil maar van betalingsonmacht.
Bovenstaande feiten en omstandigheden waren allemaal al aan de orde vóór en/of ten tijde van het vonnis van 22 juli 2026 en zijn daarom ook geen nova. Reeds daarom leveren deze feiten en/of omstandigheden geen grond op om van de eerdere beslissingen in het vonnis van 22 juli 2026 af te wijken.
Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat:
het kwijtraken van de woning gevolgen heeft voor zijn bedrijf, waardoor er ook consequenties zijn voor zijn inkomen;
het een feit van algemene bekendheid is dat er geen kamer/onderdak beschikbaar is voor een man van zijn leeftijd (45 jaar) in de regio Utrecht.
Beide stellingen heeft [eiser] in deze kort gedingprocedure ingenomen maar op geen enkele manier onderbouwd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat van deze omstandigheden daadwerkelijk sprake is. Anders dan [eiser] heeft betoogd, is het geen feit van algemene bekendheid dat er geen kamer of onderdak beschikbaar is voor een man in de leeftijd van [eiser] in de regio Utrecht. Maar ook als deze gestelde omstandigheden als vaststaand zouden kunnen worden aangemerkt, hebben deze omstandigheden zich niet ná het vonnis van 22 juli 2026 voorgedaan; Deze omstandigheden waren immers al vóór en/of ten tijde van de het vonnis van 22 juli 2026 aan de orde. Reeds daarom leveren deze gestelde feiten en omstandigheden geen grond op om van de eerdere beslissingen in het vonnis van 22 juli 2026 af te wijken.
Tot slot heeft [eiser] aangevoerd dat:
hij ná het vonnis van 22 juli 2026 een betaling van € 1.000,00 aan [gedaagde] heeft gedaan;
hij thans in staat is de helft van de huurachterstand en alle proceskosten te betalen met hulp van zijn familie. Het geld heeft hij niet op zijn bankrekening staan;
gezien de ontruimingstermijn van 14 dagen hij op stel en sprong moet handelen temidden van de schoolvakantie van zijn kinderen.
Ook dit levert geen grond op om van de eerdere beslissingen in het vonnis van 22 juli 2026 af te wijken. De betaling van € 1.000,00 is weliswaar een omstandigheid die zich ná het vonnis van 22 juli 2026 heeft voorgedaan, maar dat laat onverlet dat er nog steeds een forse betalingsachterstand is van € 10.327,44, waarvan € 8.880,00 aan een huurachterstand van 7,3 maanden. De grondslag van de ontbinding en de ontruiming is dus in die zin niet gewijzigd. [eiser] heeft zijn stelling dat zijn familie hem thans financieel te hulp kan schieten zoals hij heeft gesteld, niet met objectieve verifieerbare gegevens onderbouwd. Daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een ná het vonnis van 22 juli 2026 voorgedane omstandigheid en dus ook niet van een novum. De enkele omstandigheid dat de betekening van de dagvaarding tot gevolg heeft dat [eiser] binnen de ontruimingstermijn van 14 dagen en tijdens de schoolvakantie van zijn kinderen de woning had moeten verlaten, rechtvaardigt niet de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 juli 2026. Blijkens de door [eiser] overgelegde beschikking van 3 juni 2022 en/of het ouderschapsplan, hebben de kinderen van [eiser] immers niet hun hoofdverblijf bij [eiser] en niet is gebleken dat de omvang met de kinderen en het verblijf van de kinderen, in de te ontruimen woning moet plaatsvinden.
Conclusie
De kantonrechter komt alles afwegend tot de conclusie dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, niet zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Daarom kan [eiser] niet worden gevolgd in zijn stelling dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 juli 2026 onrechtmatig is of dat [gedaagde] misbruik maakt van de executiebevoegdheid. De hoofdvordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen worden de nevenvorderingen (buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met wettelijke rente) ook afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat hij zijn eigen kosten moet dragen de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] aan hem moet betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
721,00.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter als voorzieningenrechter, recht doende in kort geding:
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de kosten; hij moet de proceskosten van [gedaagde] van € 721,00 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de kostenveroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
61312