[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
2. Met de beschikking van 14 mei 2025 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiseres afgewezen.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. Met het besluit van 2 maart 2026 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld, dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
De hersteloperatie toeslagen
6. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door Dienst Toeslagen toegekend.
7. De procedure bij deze herstelregelingen is dat een gedupeerde ouder zich eerst meldt bij Dienst Toeslagen. Na de aanmelding doet Dienst Toeslagen de eerste (lichte) toets. In de eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.
8. Vanaf het moment dat een ouder zich meldt bij Dienst Toeslagen kan deze ouder, afhankelijk van het traject waarin de ouder zich bevindt, te maken krijgen met verschillende commissies. Het gaat dan om de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF en vergelijkbare zaken/toeslagen (Commissie van Wijzen), de bezwaarschriftenadvies-commissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en de Commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Commissie werkelijke schade). Dit zijn allen onafhankelijke commissies, die ieder in een afzonderlijk traject advies uitbrengen aan Dienst Toeslagen.
Feiten en omstandigheden
9. Eiseres heeft zich bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2006 in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Met het besluit van 13 februari 2024 heeft Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres op grond van de eerste toets géén recht heeft op de forfaitaire compensatie van € 30.000,-.
10. Met het primaire besluit heeft Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie afgewezen. Dit besluit houdt in dat eiseres geen compensatie krijgt voor de toeslagjaren 2005 en 2006, omdat zij niet wordt aangemerkt als gedupeerde. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. In de beslissing op bezwaar is Dienst Toeslagen bij de afwijzing gebleven. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiseres geen recht op compensatie, omdat niet aannemelijk is geworden dat bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2005 en 2006 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen of onbillijkheden van overwegende aard die voortkwamen uit de hardheid die destijds aan de toepassing van het wettelijk systeem werd gegeven.
11. Wat bij de rechtbank voorligt is het bestreden besluit en de vraag of er recht bestaat op compensatie over het toeslagjaar 2026.
Het toetsingskader
12. De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan.
13. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zoals toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de Wht (de MvT). Het uitgangspunt is dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van die compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend.
Vooringenomen handelen
14. Eiseres stelt dat zij onterecht niet als gedupeerde is aangemerkt bij de integrale beoordeling. Eiseres voert aan dat er fouten zijn gemaakt door Dienst Toeslagen waardoor zij geld heeft moeten terugbetalen. Zo heeft Dienst Toeslagen zonder dat te motiveren de kinderopvangtoeslag in oktober 2006 verlaagd van € 11.892,- naar € 9.878,-.
15. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat de verlaging van de kinderopvangtoeslag het gevolg is van een reguliere wijziging en niet van vooringenomen handelen. Er is door Dienst Toeslagen vastgesteld dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag in 2006 is gewijzigd als gevolg van een verhuizing. Deze wijziging is een reguliere wijziging van het recht op kinderopvangtoeslag, waarop de terugvordering is gebaseerd.
16. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat over het toeslagjaar 2006 geen sprake is van vooringenomenheid. Uit het dossier blijkt dat de terugvordering gebaseerd is op een reguliere wijziging naar aanleiding van verminderde afname van opvanguren. In het dossier is een door eiseres in oktober 2006 opgestuurde jaaropgaaf opgenomen. Daaruit blijkt dat er in de maanden november en december geen kinderopvangtoeslag is afgenomen. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de gemachtigde van eiseres op de zitting heeft verklaard dat er geen sprake is van vooringenomenheid als deze informatie klopt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om niet van de informatie uit de jaaropgaaf uit te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Motivering en zorgvuldigheid
17. Eiseres beklaagt zich over de motivering van het bestreden besluit en de hoeveelheid aannames die door Dienst Toeslagen worden gemaakt in haar dossier. Volgens eiseres is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
18. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat het besluit voldoende is gemotiveerd en zorgvuldig tot stand is gekomen. Dienst Toeslagen wijst erop dat tijdens de integrale beoordeling alle relevante gebeurtenissen uiteengezet zijn. Per toeslagjaar is gemotiveerd waarom er geen recht bestaat op compensatie. In het primaire besluit heeft Dienst Toeslagen aangegeven dat ouder geen recht heeft op compensatie en dat gebaseerd op het advies van de CvW. Ook heeft Dienst Toeslagen een ouderdossier samengesteld en deze ter beschikking gesteld en een beschouwing op de bezwaargronden gegeven. Voor de beslissing op bezwaar heeft Dienst Toeslagen opnieuw onderzoek gedaan en in de heroverweging opnieuw vastgesteld dat geen recht bestaat op compensatie. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om anders te oordelen dan dat het besluit voldoende gemotiveerd is en zorgvuldig is genomen.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van artikel 2.1. van de Wht. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.