RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11899747 \ UC EXPL 25-7563
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Incassonet B.V.,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. van Andel.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 april 2026,- de akte van [gedaagde] ,
- de akte van [eiseres] .
De kantonrechter heeft vervolgens beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
Partijen hebben zich naar aanleiding van het tussenvonnis uitgelaten. [gedaagde] heeft de kantonrechter gevraagd terug te komen op een bindende eindbeslissing. De kantonrechter doet dat en concludeert dat [eiseres] de verkeerde partij heeft gedagvaard. Dit leidt tot afwijzing van de vordering van [eiseres] .
3. De verdere beoordeling
De kantonrechter komt terug op de bindende eindbeslissing
[gedaagde] heeft de kantonrechter gevraagd om terug te komen op de bindende eindbeslissing in r.o. 3.6 van het tussenvonnis, waarin is geoordeeld dat [eiseres] [gedaagde] kan aanspreken op betaling van de facturen. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat in de overeenkomst [bedrijf] B.V. als opdrachtgever staat genoemd en dat in artikel 9 de wijze van facturering is geregeld, inhoudende dat per locatie wordt gefactureerd en dat de opdrachtgever, [bedrijf] B.V., die facturen betaald. Volgens [gedaagde] is [bedrijf] B.V. dus de contractspartij en niet [gedaagde] . [gedaagde] wijst er ook op de [eiseres] niet heeft aangevoerd dat [bedrijf] B.V. namens [gedaagde] heeft gecontracteerd. [eiseres] heeft hier in haar antwoordakte niet op gereageerd, terwijl zij daar wel de gelegenheid toe had. De kantonrechter zal daarom geen gelegenheid meer geven aan [eiseres] om zich hierover uit te laten.
De kantonrechter is het eens met [gedaagde] dat de enkele tenaamstelling van de facturen onvoldoende is voor de conclusie dat [gedaagde] de contractspartij is geworden. Ook voert [gedaagde] terecht aan dat de conclusie dat [bedrijf] B.V. namens haar dochters heeft gecontracteerd, niet getrokken mag worden zonder dat dat door [eiseres] is aangevoerd. De in r.o. 3.6 van het tussenvonnis gegeven eindbeslissing is dus gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van de gedingstukken en zou leiden tot een ondeugdelijke einduitspraak. De kantonrechter komt daarom terug op haar oordeel in r.o. 3.6 dat [eiseres] [gedaagde] kan aanspreken op betaling van de facturen.
De kantonrechter oordeelt nu dat niet [gedaagde] maar [bedrijf] B.V. de contractspartij is die [eiseres] had moeten aanspreken op betaling van de facturen. Het enkele feit dat er is afgesproken dat de facturen op naam van [gedaagde] staan, maakt niet dat [gedaagde] ook in rechte aangesproken kan worden. Dat betekent dat [eiseres] de verkeerde partij heeft gedagvaard en dat haar vordering zal worden afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten vergoeden
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.298,00.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
64510