RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11690099 \ UC EXPL 25-4091
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J. Kaldenberg,
tegen
STICHTING PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN,
te Zeist,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Het pensioenfonds,
gemachtigde: mr. J.E. Hoetink.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 december 2025, hierna het tussenvonnis,- de akte van [eiseres] van 4 februari 2026- de akte van pensioenfonds van 1 april 2026.
Het was de bedoeling dat eerder vonnis zou worden gewezen, maar vanwege drukte en aansluitende vakanties is besloten dat vandaag de einduitspraak zal zijn.
2. De verdere beoordeling
in conventie en reconventie
Het pensioenfonds heeft in de periode november 2023 tot en met mei 2024 aan [eiseres] een WGA-hiaatpensioen uitbetaald waarop zij geen recht blijkt te hebben gehad. In totaal gaat het om een bedrag van € 5.772,21. Een klein deel daarvan (€ 137,44) heeft [eiseres] terugbetaald. Het pensioenfonds wil dat ze de rest ook terugbetaald. Volgens het pensioenreglement hoeft [eiseres] dat alleen terug te betalen als het haar onmiskenbaar duidelijk was of had kunnen zijn dat ze ten onrechte in voornoemde periode een WGA-hiaatpensioen kreeg uitgekeerd. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat meer informatie nodig was om antwoord op die vraag te kunnen geven. Omdat alleen [eiseres] beschikt over die informatie heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen de volgende stukken in het geding te brengen.
De uitkeringsgegevens van het UWV vanaf 2014 (welk inkomen is genoten, of en hoe dit door het UWV is verrekend met andere inkomsten);
Informatie over de vraag of en hoeveel [eiseres] na haar ziekmelding van 8 juni 2022 heeft gewerkt voor Stichting Haspel en of die ziekmelding per die datum ook aan het UWV is doorgegeven (mede in verband met de no-riskpolis);
Informatie over op welke grond en op wiens aanvraag het UWV de beslissing nam om haar met ingang van 1 november 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet uit te keren (en waarom met ingang van die datum);
Informatie over de vraag of zij aan al haar verplichtingen tot het doorgeven van wijzigingen in haar situatie aan het UVW heeft voldaan en of zij die wijzigingen ook tijdig doorgaf;
De rapportage van de arbeidsdeskundige die heeft geleid tot het vaststellen van de arbeidsongeschiktheid van 80-100% met ingang van 1 september 2022.
[eiseres] heeft met een akte niet alle gevraagde stukken overgelegd en heeft de stukken ook niet logisch geordend aangeleverd. De bedoeling was dat de kantonrechter zicht zou krijgen op het verloop van het inkomen dat [eiseres] vanaf 2014 heeft gehad op grond van door haar verkregen uitkeringen op grond van de WIA, de aanvulling die zij in de loop der tijd daarop heeft gekregen vanuit de WGA-hiaatpensioen verzekering die loopt bij het peniszoenfonds en de inkomsten die zij daarnaast heeft genoten vanuit inkomen uit onderneming of loondienst. De veronderstelling van de kantonrechter was ook dat gedurende de periode dat [eiseres] in aanmerking kwam voor een WIA-uitkering, haar inkomsten uit de diverse bronnen communicerende vaten zouden zijn en dat het maandelijks inkomen van [eiseres] zou liggen rond de 70% van het voor haar vastgestelde WIA maandloon. Vanuit de te verstrekken informatie zou het dan mogelijk moeten zijn te achterhalen of het voor [eiseres] onmiskenbaar duidelijk was of had kunnen zijn dat zij door de toekenning van het WIA-hiaatpensioen in november 2023 meer kreeg dan waar ze recht op had.
Het pensioenfonds heeft terecht opgemerkt dat de kantonrechter te makkelijk over de communicerende vaten heeft gedacht, omdat de WIA het uitgangspunt heeft dat “werken loont”. Als iemand met een WGA-loonaanvullingsuitkering daarnaast werkt, en voldoet aan de inkomenseis, worden niet alle inkomsten in mindering gebracht op de WGA-uitkering. Het idee is namelijk dat je bij mag verdienen omdat de WGA-uitkering lager is dan het WIA maandloon. Daaruit vloeit voort dat er sprake moet zijn van meer dan een enkele wijzing in inkomen dat het WIA-maandloon substantieel te boven gaat, waardoor het voor [eiseres] helder had moeten of kunnen zijn dat ze ten onrechte met ingang van november 2023 een WIA-hiaatpensioen ontving.
De kantonrechter begrijpt dat het pensioenfonds dat meerdere ziet in de volgende omstandigheden:
voor [eiseres] had duidelijk moeten zijn dat haar totale inkomen zou dalen toen het dienstverband met Stichting Haspel in november 2023 eindigde, maar in plaats daarvan steeg haar inkomen;
[eiseres] was met ingang van september 2022 volledig arbeidsongeschikt voor haar functie bij Stichting Haspel, maar heeft die wijziging in haar gezondheidssituatie niet op de juiste wijze doorgegeven aan het UWV. Had zij dat wel met het juiste formulier gedaan, dan zou veel eerder dan in april 2024 een hoger percentage arbeidsongeschiktheid van [eiseres] in de zin van de WIA zijn toegekend en zou geen WGA-vervolguitkering met aanvullende WIA-hiaatpensioen zijn toegekend. Doordat zij met terugwerkende kracht 100% (maar niet duurzaam) arbeidsongeschikt is bevonden, heeft zij namelijk recht op een loonaanvullingsuitkering van 70% van het WIA maandloon. Bij zo’n loonaanvullingsuitkering heeft zij geen recht op een WGA-hiaatpensioen. En dat had [eiseres] moeten of kunnen weten.
De kantonrechter stelt vast dat het pensioenfonds erin is geslaagd te reconstrueren wat er in de periode 2022 tot 2024 is gebeurd aan de hand van de stukken die [eiseres] heeft overgelegd en dus in staat is gesteld het bewijs te leveren van haar stelling dat het [eiseres] onmiskenbaar duidelijk was of had kunnen zijn dat ze ten onrechte WGA-hiaatpensioen uitgekeerd heeft gekregen. Er is dus geen reden gevolgen te verbinden aan het feit dat [eiseres] niet alle stukken in de procedure heeft gebracht waar om de kantonrechter had gevraagd.
Anders dan het pensioenfonds ziet de kantonrechter in de overgelegde gegevens geen bewijs dat het voor [eiseres] in de periode november 2023 tot en met mei 2024 onmiskenbaar duidelijk moest of kon zijn dat ze geen recht had op het WGA-hiaatpensioen dat haar werd uitbetaald. De kantonrechter motiveert dit als volgt.
Het wettelijk systeem dat recht biedt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald niet makkelijk te begrijpen. Er zijn verschillende soorten uitkeringen die recht bieden op verschillende percentages van een vast te stellen WIA-maandloon dat periodiek wordt geïndexeerd als je arbeidsongeschikt bent bevonden. De mate van arbeidsongeschiktheid kan na een herkeuring door een verzekeringsarts worden bijgesteld..
Blijkbaar had [eiseres] recht op een WGA-uitkering uitgaande van een tijdelijke en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vanaf de twee jaar wachttijd, nadat zij in 2014 arbeidsongeschikt is geraakt. Zij mocht naast de uitkering die zij ontving werken en dat heeft ze ook jaren gedaan. Daarbij is het voorgekomen dat arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met terugwerkende kracht zijn aangepast, maar niet gesteld of gebleken is dat dit tot problemen of terugvorderingen voor wat betreft het WGA-hiaatpensioen heeft geleid.
Bij het pensioenfonds heeft [eiseres] een arbeidsongeschiktheidspensioen lopen dat recht geeft op een WGA-hiaatpensioen in aanvulling op een WGA vervolguitkering. Of [eiseres] recht heeft op WGA-hiaatpensioen en tot welk bedrag, is bepalend het uitkeringspercentage dat wordt vastgesteld door het UWV. Daarvoor zijn de systemen van het pensioenfonds gekoppeld aan die van het UWV. Een wijzing in het arbeidsongeschiktheidspercentage binnen de systemen van het UWV leidt dus automatisch, zonder dat [eiseres] daar invloed op heeft, tot een beslissing van het pensioenfonds over haar WGA-hiaatpensioen. Niet gesteld of gebleken is dat wijzigingen in het percentage arbeidsongeschiktheid eerder tot problemen tussen het pensioenfonds en [eiseres] hebben geleid,
[eiseres] is per 1 november 2021 in dienst getreden bij Stichting Haspel voor 16 uur per week, met behoud van een WGA-loonaanvullingsuitkering. In de periode dat [eiseres] op deze manier een inkomen uit loondienst met aanvullende WGA-uitkering ontving, had zij geen recht op een WGA-hiaatpensioen en kreeg ze dat ook niet. Op 8 juni 2022 is [eiseres] ziek uitgevallen en uiteindelijk met ingang van september 2022 volledig ziek gemeld, Die ziekmelding was bekend bij het UWV, want het UWV heeft aan [eiseres] een ziektewetuitkering toegekend. Op dat moment was bij het UWV ook bekend dat [eiseres] gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. De ziektewetuitkering waarop [eiseres] vanwege haar arbeidsongeschiktheid gedurende een loondienstverband recht had, werd namelijk niet aan haar uitgekeerd, maar aan haar werkgever, Stichting Haspel, op basis van een no risk polis. De financiële gevolgen die het UWV op deze manier heeft verbonden aan de verslechtering van de gezondheidstoestand van [eiseres] , waren bij [eiseres] bekend, want aan haar meegedeeld, maar niet merkbaar, omdat Stichting Haspel tot het einde van de looptijd van het dienstverband het volledige loon bleef doorbetalen terwijl [eiseres] ziek thuis was.
Toen de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en Stichting Haspel eindigde op 1 november 2023, heeft het UWV de hoogte van haar WGA-uitkering gewijzigd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%. Gelet op de eerdere ziekmelding mocht [eiseres] ervan uitgaan dat bij die vaststelling rekening was gehouden met de wijziging in haar gezondheidstoestand. Dat die ziekmelding niet terecht is gekomen bij de WIA afdeling van het UWV omdat [eiseres] niet het juiste formulier daarvoor had ingediend, kan niet aan [eiseres] worden tegen geworpen. Van een instelling als het UWV mag worden verwacht dat ze een interne koppeling hebben in zaken als deze. Die wijzing is automatisch doorgegeven aan het pensioenfonds. Het pensioenfonds heeft daarop, weer zonder enige bemoeienis van [eiseres] , bepaald dat [eiseres] recht had op een WGA-hiaatpensioen en is tot uitbetaling overgegaan. [eiseres] mocht ervan uitgaan dat ook dit, op de gegevens van het UWV gebaseerde besluit, eveneens een juist besluit was. Er was dus geen reden voor haar om te twijfelen aan haar recht op de uitbetaling waartoe het pensioenfonds zelf had besloten.
Het is niet zonder meer gegeven dat de verslechtering van de gezondheidstoestand van [eiseres] gedurende het dienstverband met Stichting Haspel zou leiden tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage voor de WIA. De keuring die plaatsvindt voor het bepalen van dit arbeidsongeschiktheidspercentage gaat uit van mogelijkheden tot het vinden van passende arbeid, waarbij de belemmeringen die [eiseres] heeft ervaren bij het functioneren voor Stichting Haspel, niet maatgevend hoeven te zijn. Er zijn geen concrete aanknopingspunten waaruit afgeleid kan worden dat [eiseres] in de periode november 2023 tot en met april 2024 al wist dat haar arbeidsongeschiktheidspercentage voor de WIA met terugwerkende kracht zou worden bepaald op 80-100% en dat ze dus met terugwerkende kracht geen recht meer zou hebben op een WGA-hiaatpensioen.
Het pensioenfonds heeft nog aangevoerd dat de hoogte van het inkomen van [eiseres] in de periode november 2023 tot en met mei 2024 haar te denken zou moeten hebben gegeven dat zij geen recht had op een WGA-hiaatpensioen. Het pensioenfonds heeft voorgerekend dat [eiseres] in november en december 2023 niet alleen een WGA-uitkering en een WGA-hiaatpensioen is uitgekeerd, maar ook nog een ZW-uitkering. Daarmee kwam haar bruto inkomen hoger uit dan 70 % van het WIA-maandloon. Het WIA-maandloon was namelijk in november 2023 € 3.462,31 bruto per maand. 70% hiervan is € 2.423,61 bruto. Als je niet meer werkt omdat je volledig arbeidsongeschikt bent, is dat het maximale inkomen dat je zou moeten ontvangen per maand, maar [eiseres] ontving in de maanden november en december 2023 € 1,572,73 (ZW) + € 1.012,46 (WIA) + € 746,21 (WGA hiaatpensioen) = € 3.331,40 bruto per maand. Het had haar volgens het pensioenfonds duidelijk moeten zijn dat dat te veel was. Maar het is de kantonrechter niet duidelijk of het [eiseres] duidelijk had moeten zijn dat ze dus te veel WGA-hiaatpensioen kreeg of dat dit verschil te wijten is aan de al dan niet terechte toekenning van een ZW-uitkering naast een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80% dat later dus is aangepast. Het verschil tussen 70% van het WIA-maandloon en dat wat [eiseres] in de periode november en december 2023 volgens het pensioenfonds ontving, is namelijk niet het bruto bedrag dat aan WGA-hiaatpensioen is uitgekeerd, maar ligt hoger en kan dus verband houden met het recht op extra inkomen dat is voortgevloeid uit het principe “werken loont”. Met andere woorden: ook dat inkomen hoger dan 70% van het WIA-maandloon, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat het voor [eiseres] onmiskenbaar duidelijk kon zijn dat het WGA hiaatpensioen haar ten onrechte was toegekend en terugbetaald moest worden.
De conclusie is dan ook dat de vordering in conventie kan worden toegewezen (waarbij de kantonrechter de verklaring voor recht zal toespitsen op het specifieke pensioen dat in deze procedure aan de orde is geweest) en in reconventie zal worden afgewezen met veroordeling van het pensioenfonds in de proceskosten.
De kantonrechter ziet in conventie geen aanleiding voor vergoeding van buiten rechte gemaakte advocaatkosten, omdat niet is onderbouwd dat dergelijke kosten zijn gemaakt en op grond van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen.
De proceskosten van [eiseres] in conventie worden begroot op
- dagvaarding € 148,04
- salaris gemachtigde
€
432,00
(1,5 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
724,04
De proceskosten van [eiseres] in reconventie worden begroot op
- salaris gemachtigde
€
217,00
(1 punten × € 217,00)
Totaal
€
217,00
3. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
verklaart voor recht dat het pensioenfonds niet gerechtigd is het over de periode november 2023 tot en met mei 2024 uitbetaalde WGA-hiaatpensioen van [eiseres] terug te vorderen.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 724,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie
wijst de vordering van het pensioenfonds af,
veroordeelt pensioenfonds in de proceskosten van € 217,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als pensioenfonds niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.