RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11974613 \ MC EXPL 25-6296
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.L. Ravensbergen-Brussee,
tegen
1. [gedaagde 1] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
verder te noemen: [gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
verder te noemen: [gedaagde 2] ,3. [gedaagde 3] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
verder te noemen: [gedaagde 3] ,4. [gedaagde 4] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
verder te noemen: [gedaagde 4] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. E. Doornbos.
1. De procedure
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding, met 22 producties,
- de conclusie van antwoord in conventie, ook eis in reconventie, met 2 producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 23 en 24,
- de aanvullende producties 3 tot en met 6 van [gedaagden]
Op 23 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] was aanwezig, bijgestaan door mr. Ravensbergen-Brussee. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] waren ook aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. Doornbos. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 19 augustus 2026 uitspraak zal worden gedaan.
2. De kern van de zaak
[eiseres] heeft een schoonheidssalon. Zij huurt voor haar schoonheidssalon het pand aan de [adres] in [plaats] . [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn schoonheidsspecialisten. Zij huurden ieder een aantal dagdelen per week een behandelingsruimte met stoel in de schoonheidssalon van [eiseres] om hun werk als schoonheidsspecialisten te kunnen uitvoeren, de zogenoemde stoelhuurconstructie. Partijen hebben hiervoor een onderhuurovereenkomst en een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In de loop van de tijd is tussen [eiseres] en [gedaagden] een geschil ontstaan. Zij hebben daarom besloten de samenwerking te beëindigen. [eiseres] heeft voor die beëindiging een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) aan [gedaagden] aangeboden. Op 12 april 2025 heeft [gedaagden] de sleutels van de schoonheidssalon ingeleverd. Zij heeft de overeenkomsten daarna op 14 april 2025 buitengerechtelijk vernietigd en is haar eigen schoonheidssalon begonnen. [eiseres] is van mening dat [gedaagden] de overeenkomsten niet kan vernietigen en dat zij zich moet houden aan gemaakte afspraken.
3. De vorderingen over en weer
De vordering van [eiseres] (conventie)
[eiseres] vordert daarom in deze procedure – kort gezegd – een verklaring voor recht dat [gedaagden] de overeenkomsten niet buitengerechtelijk had mogen vernietigen,
en:
primair: nakoming van de VSO, met betaling van de contractuele boete voor het benaderen en behandelen van klanten van [eiseres] , en een dwangsom;
subsidiair: nakoming van de huurovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst, met betaling van de huurachterstand en de contractuele boetes voor het niet tijdig betalen van de huur en overtreding van het concurrentie-en relatiebeding uit de samenwerkingsovereen-komst;
meer subsidiair: een verklaring voor recht dat [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld door het plegen van oneerlijke concurrentie, met vergoeding van de schade van [eiseres] nader op te maken bij staat;
nog meer subsidiair: een gebod om de vaststellingsovereenkomst na te komen dan wel de vernietiging van de overeenkomsten haar werking te ontzeggen, omdat de gevolgen van de door partijen gepleegde rechtshandelingen bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden.
De tegenvordering van [gedaagden] (reconventie)
[gedaagden] stelt zich op het standpunt dat zij niet tot nakoming van (één van) de overeenkomsten kan worden gehouden. Zij vordert terugbetaling van de waarborgsommen
die zij bij aanvang van de onderhuur aan [eiseres] heeft betaald, omdat zij van mening is dat de huurovereenkomst is geëindigd.
[gedaagden] heeft de overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling. Zij benoemt in het lichaam van haar eis in reconventie dat als de kantonrechter van oordeel is dat die buitengerechtelijke vernietiging niet rechtsgeldig is, zij primair alsnog de vernietiging van de overeenkomsten vordert en dat als de overeenkomsten niet vernietigd worden, zij subsidiair een verklaring voor recht vordert dat de samenwerking tussen [gedaagden] en [eiseres] als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Deze tegenvorderingen zijn niet opgenomen in het petitum. [gedaagden] heeft op de zitting aangegeven dat zij wel bedoeld heeft om naast de terugbetaling van de waarborgsommen ook de vernietiging van de overeenkomsten en de verklaring voor recht te vorderen. Een formele eiswijziging heeft [gedaagden] niet gedaan.
[eiseres] heeft op de zitting aangegeven dat zij de tegenvordering niet zo heeft begrepen als [gedaagden] op de zitting heeft gesteld en dat zij er van uit is gegaan dat [gedaagden] alleen de terugbetaling van de waarborgsommen vordert. [eiseres] is in haar conclusie van antwoord in reconventie echter uitgebreid ingegaan op de primaire vordering tot vernietiging van de overeenkomsten en de subsidiaire vordering tot het kwalificeren van de rechtsverhouding tussen partijen als een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter maakt hieruit op dat [eiseres] de tegenvordering van [gedaagden] heeft begrepen op de wijze zoals [gedaagden] die tegenvordering heeft bedoeld. De kantonrechter zal de vordering in reconventie dan ook zo lezen dat [gedaagden] naast de terugbetaling van de waarborg-sommen ook de vernietiging van de overeenkomsten en de verklaring voor recht vordert en deze vorderingen in de beoordeling meenemen.
4. De beoordeling
De kantonrechter komt in conventie tot het oordeel dat [gedaagden] de overeenkomsten niet buitengerechtelijk mag vernietigen, dat [gedaagden] niet gehouden kan worden aan de VSO, dat de huurovereenkomst op 12 april 2025 is geëindigd, dat [gedaagden] de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst moet nakomen, dat [gedaagden] dat niet heeft gedaan door schending van het concurrentiebeding en dat [gedaagden] daarom een contractuele boete moet betalen. De contractuele boete die [eiseres] vordert, zal worden gematigd. De kantonrechter komt in reconventie tot het oordeel dat [eiseres] de waarborgsommen aan [gedaagden] moet terugbetalen. De vorderingen tot vernietiging van de overeenkomsten en de verklaring voor recht zullen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.
Geen (buitengerechtelijke) vernietiging door dwaling
[gedaagden] stelt dat zij de overeenkomsten (buitengerechtelijk) mag vernietigen, omdat zij bij het aangaan van de overeenkomsten heeft gedwaald, doordat [eiseres] op voor [gedaagden] essentiële punten van de samenwerking een voorstelling van zaken heeft gegeven die niet overeenkwam met de werkelijkheid. [gedaagden] zou zelfstandig ondernemer worden met de vrijheden die daarbij horen en haar inkomsten zouden aanzienlijk beter worden dan wanneer [gedaagden] in loondienstverband voor [eiseres] zou gaan werken. Ook zou [gedaagden] met de kostenstructuur die [eiseres] haar voorhield weten waar zij aan toe was. In de praktijk heeft dat anders uitgepakt dan [gedaagden] op grond van het door [eiseres] geschetste beeld had verwacht. De inkomsten van [gedaagden] bleken drastisch minder te zijn en zelfs lager dan als zij in loondienst zou zijn geweest, omdat zij steeds meer kosten aan [eiseres] moest afdragen. Betalingen door klanten van [gedaagden] moest gebeuren op de rekening van [eiseres] door middel van een pinapparaat van [eiseres] . [gedaagden] mocht geen eigen pinapparaat gebruiken. Van het zijn van zelfstandig ondernemer bleek verder weinig, omdat [eiseres] bepaalde op welke dagen er gewerkt mocht en moest worden, welke bedrijfskleding [gedaagden] moest dragen en welke producten voor de klant werden ingekocht. Als [gedaagden] van de werkelijke gang van zaken op de hoogte zou zijn geweest, was zij de samenwerking niet aangegaan, aldus [gedaagden]
Voor een geslaagd beroep op dwaling is vereist dat gesteld (en bij betwisting aannemelijk gemaakt) wordt dat bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Verder moet sprake zijn van de drie in de wet genoemde dwalingsgevallen. Die dwalingsgevallen zijn: (a) de wederpartij heeft onjuiste informatie gegeven, (b) de wederpartij heeft informatie verzwegen, waarvan bekend was dat die van belang was en (c) beide partijen zijn uitgegaan van een onjuiste aanname. [gedaagden] beroept zich op geval a. Dat beroep kan niet slagen om de hierna volgende reden.
De kantonrechter maakt uit de onderhuur- en samenwerkingsovereenkomst die partijen in het geding hebben gebracht, op dat partijen duidelijke afspraken hebben gemaakt. In de onderhuurovereenkomst staan de dagen waarop de behandelingsruimte met stoel wordt gehuurd en de kosten die [gedaagden] voor huur, schoonmaak, gebruik van scanapparatuur en aan omzethuurprijs aan [eiseres] moet betalen. In de samenwerkingsovereenkomst zijn afspraken opgenomen over het gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes in de schoonheidssalon, de bedrijfskleding die gedragen moet worden, de schoonheidsproducten die gebruikt moeten worden, dat [eiseres] die producten inkoopt, dat [gedaagden] de kosten voor het gebruik van de producten en de apparatuur aan [eiseres] zal afdragen en dat een gezamenlijke prijslijst voor behandelingen wordt gehanteerd. Ook staat in de samenwerkingsovereenkomst dat [gedaagden] betalingen van haar klanten via het pinapparaat van [eiseres] laat verlopen. Dat de dagelijkse gang van zaken niet met deze door partijen gemaakte afspraken overeenkwam en dat aan informatie van [eiseres] zou zijn te wijten, is door [gedaagden] niet onderbouwd en blijkt verder nergens uit. De dagelijkse praktijk kan voor [gedaagden] op grond van de gemaakte afspraken geen verassing zijn geweest. [gedaagden] was bekend met de dagen die zij zou werken, hoeveel klanten zij op die dagen zou kunnen behandelen, wat die behandelingen haar met de te hanteren prijslijst aan inkomsten zouden opleveren en welke kosten zij voor het gebruik van producten en apparatuur aan [eiseres] zou moeten afdragen. [gedaagden] had met die informatie zelf haar daadwerkelijke omzet kunnen berekenen en van [gedaagden] had ook verwacht mogen worden dat zij dat voorafgaand aan het aangaan van de samenwerking zelf zou doen. Dat zij een lagere omzet had dan zij had verwacht, kan onder de genoemde omstandigheden niet tot de conclusie leiden dat dat komt doordat [eiseres] haar een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.
[gedaagden] kan daarom geen beroep doen op dwaling. Dit betekent dat zij de overeenkomsten niet (buitengerechtelijk) kan vernietigen. De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden] de overeenkomsten niet buitengerechtelijk had mogen vernietigen, zal daarom worden toegewezen. De tegenvordering van [gedaagden] om de overeenkomsten alsnog te vernietigen, zal worden afgewezen.
Tussen partijen is geen VSO tot stand gekomen
[eiseres] stelt zich primair op het standpunt dat tussen partijen een VSO tot stand is gekomen en dat [gedaagden] zich aan de afspraken in die VSO moet houden. [eiseres] baseert dat op de e-mailwisseling tussen partijen die zij in het geding heeft gebracht. Volgens [eiseres] blijkt daaruit dat [eiseres] op 11 april 2025 een concept-VSO naar [gedaagden] heeft gestuurd, dat partijen in de daarop volgende e-mails nadere invulling aan de VSO hebben gegeven en dat partijen naar elkaar het vertrouwen hebben uitgesproken over nakoming van de in de VSO gemaakte afspraken. Volgens [eiseres] hebben partijen uitvoering gegeven aan de VSO door de sleuteloverdracht op 12 april 2025 om 16.00 uur te laten plaatsvinden en de huur op dat moment te laten eindigen. [gedaagden] meent dat er geen VSO tot stand is gekomen. De kantonrechter is dat met [gedaagden] eens om de navolgende reden.
De gemachtigde van [eiseres] heeft bij e-mail van 11 april 2025 om 16:27 uur een concept-VSO verstuurd aan de gemachtigde van [gedaagden] In die e-mail vraagt de gemachtigde van [eiseres] of met een enkel woord kan worden bevestigd dat partijen hiermee tot overeenstemming zijn gekomen. Diezelfde dag om 17:36 uur heeft de gemachtigde van [gedaagden] op die e-mail gereageerd. De gemachtigde geeft niet de gevraagde bevestiging, maar hij wijst op drie punten in het concept die in ieder geval nog moeten worden aangepast. De gemachtigde geeft daarbij aan dat zijn cliënten los van die punten nog niet onvoorwaardelijk met de VSO kunnen instemmen en dat zij eerst gebonden zijn aan de VSO als volledige overeenstemming is bereikt over de relatielijsten. Niet is gebleken dat aan de door de gemachtigde voorgestelde wijzigingen en voorwaarde is voldaan. [gedaagden] hebben de VSO ook niet getekend. Bij de sleuteloverdracht heeft [gedaagden] op verzoek van [eiseres] getekend voor het einde van de huurovereenkomst. Daaruit blijkt niet dat uitvoering is gegeven aan de VSO, zoals [eiseres] stelt.
Dit betekent dat er tussen partijen geen VSO tot stand is gekomen en [gedaagden] niet gehouden kan worden tot nakoming van de VSO. De primaire vordering van [eiseres] zal daarom worden afgewezen.
De huurovereenkomst is bij de sleuteloverdracht geëindigd
Omdat er geen VSO tot stand is gekomen, is de subsidiaire vordering van [eiseres] aan de orde. [eiseres] vordert subsidiair nakoming van de huurovereenkomst en betaling van achterstallige huur en contractuele boetes voor het niet tijdig betalen van de huur vanaf 13 april 2025. [eiseres] stelt daartoe dat [gedaagden] op 12 april 2025 de sleutel van het gehuurde heeft ingeleverd, maar dat zij de huurovereenkomsten niet rechtsgeldig heeft opgezegd. De huurovereenkomsten zouden daarom doorlopen, waardoor [gedaagden] ook na 12 april 2025 de huur had moeten betalen. [gedaagden] heeft dat niet gedaan, aldus [eiseres] .
Volgens [gedaagden] is de huurovereenkomst op 12 april 2025 tot een einde gekomen. De kantonrechter is dat met [gedaagden] eens. Op 12 april 2025 heeft volgens afspraak de sleuteloverdracht plaatsgevonden. [gedaagden] heeft die dag de sleutels van de schoonheidssalon aan [eiseres] teruggegeven. Bij die sleuteloverdracht heeft [gedaagden] op verzoek van [eiseres] getekend voor het einde van de huur. Met het overdragen van de sleutels en het tekenen voor het einde van de huur is de huurovereenkomst geëindigd. [eiseres] kan dan ook na 12 april 2025 geen aanspraak maken op betaling van achterstallige huur en (nog te vervallen) contractuele boetes voor het niet op tijd betalen van die huur. De subsidiaire vordering van [eiseres] zal daarom worden afgewezen.
[eiseres] moet de waarborgsommen aan [gedaagden] terugbetalen
[gedaagden] heeft bij aanvang van de huur ieder een waarborgsom aan [eiseres] betaald. [gedaagde 1] € 2.166,00, [gedaagde 2] € 1.911,00, [gedaagde 3] € 1.855,90 en [gedaagde 4] € 934,79. Zij wil dat [eiseres] de waarborgsommen terugbetaalt. Omdat de huurovereenkomst is geëindigd, is [eiseres] op grond van artikel 7:261b BW gehouden om dat te doen. De vordering van [gedaagden] zal daarom worden toegewezen.
De samenwerkingsovereenkomst en het concurrentie- en relatiebeding
[eiseres] vordert subsidiair ook nakoming van de samenwerkingsovereen-komst. Zoals hiervoor al overwogen kan [gedaagden] geen beroep doen op (buitengerechtelijke) vernietiging van de samenwerkingsovereenkomst. Zij moet de afspraken in die samenwerkingsovereenkomst dus nakomen. Op grond van artikel 6.1 van de samenwerkingsovereenkomst is de samenwerkingsovereenkomst met het eindigen van de huurovereenkomst op 12 april 2025 tot een einde gekomen. In artikel 7.3 en 7.4 van de samenwerkingsovereenkomst zijn partijen voor de periode van twaalf maanden na het eindigen van de overeenkomst een concurrentie- en relatiebeding overeengekomen. Dat beding houdt – kort gezegd – in dat [gedaagden] binnen die periode geen zakelijke relaties mag onderhouden met klanten van de schoonheidssalon van [eiseres] en dat [gedaagden] geen gelijksoortige werkzaamheden mag verrichten op een locatie binnen een straal van 15 kilometer van de schoonheidssalon van [eiseres] . Volgens [eiseres] heeft [gedaagden] zich niet aan dit beding gehouden door op een afstand van 6,4 kilometer van haar schoonheidssalon een eigen schoonheidssalon te beginnen en klanten van [eiseres] te benaderen en behandelen. [eiseres] vordert daarom op grond van artikel 8 van de samenwerkingsovereenkomst de contractuele boete. Zij stelt die contractuele boete voor [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ieder op € 80.000,00.
[eiseres] stelt dat zij 470 klanten is kwijtgeraakt, omdat [gedaagden] die klanten heeft benaderd en die klanten daardoor voor behandelingen naar de schoonheidssalon van [gedaagden] zijn gegaan. [gedaagden] betwist dit. Zij geeft aan dat zij een beperkt aantal klanten van [eiseres] heeft behandeld, maar dat zij deze klanten niet zelf heeft benaderd. Dat [gedaagden] zelf klanten van [eiseres] heeft benaderd voor een behandeling in haar schoonheidssalon en dat zij daarmee het relatiebeding heeft geschonden, is door een gebrek aan onderbouwing door [eiseres] niet komen vast te staan. Van een contractuele boete voor overtreding van het relatiebeding kan dan ook geen sprake zijn.
[gedaagden] erkent wel dat haar nieuwe schoonheidssalon is gelegen op een afstand van circa zes kilometer van de schoonheidssalon van [eiseres] . Dit is in strijd met het concurrentiebeding. [gedaagden] is daarom een contractuele boete verschuldigd. Hoewel [gedaagden] gehouden is te voldoen aan het overeengekomen concurrentiebeding en een boete als prikkel tot nakoming daarvan op zich geoorloofd is, kan [gedaagden] erin worden gevolgd dat de boete van de hoogte die [eiseres] vordert in de situatie van partijen buitensporig is en tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. De locatie van de schoonheidssalon van [gedaagden] bevindt zich in een ander dorp. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn allen in deze zelfde schoonheidssalon werkzaam. Zij hebben ter zitting toegelicht dat zij als jonge ondernemers in een vervelende situatie terecht zijn gekomen en lang geprobeerd hebben om er wat de samenwerking betreft uit te komen, maar dat niet lukte. Zij moesten door en hun werkzaamheden weer oppakken. Deze locatie was daarvoor geschikt. Zij hebben er juist op gelet dat de locatie niet in hetzelfde dorp was als de schoonheidssalon van [eiseres] , maar er niet bij stilgestaan dat deze locatie binnen 15 kilometer afstand lag. Dat was geen bewuste keuze. Dat [eiseres] door het starten van de nieuwe schoonheidssalon op relatief korte afstand van haar schoonheidssalon wezenlijk nadeel heeft ondervonden, heeft [eiseres] niet onderbouwd en dat van een wezenlijk nadeel sprake is blijkt verder ook nergens uit. Onder deze omstandigheden is het vorderen van een contractuele boete van € 80.000,00 van [gedaagden] ieder en dus € 320.000,00 in totaal in de genoemde omstandigheden buitensporig en onaanvaardbaar. De kantonrechter zal de boete daarom matigen tot € 10.000,00 per persoon. [gedaagde 3] is anders dan [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 4] geen eigenaresse van de schoonheidssalon, maar werkt er alleen een paar uur per week. Dit maakt voor de schending van het concurrentiebeding en de contractuele boete die daardoor wordt verbeurd niet uit. Dit betekent dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ieder € 10.000,00 aan [eiseres] moeten betalen.
Omdat de subsidiaire vordering van [eiseres] (deels) wordt toegewezen, blijft dat wat [eiseres] meer subsidiair en nog meer subsidiair heeft gevorderd buiten beschouwing.
Geen verklaring voor recht dat sprake is van een arbeidsovereenkomst
Omdat [gedaagden] de overeenkomsten niet alsnog heeft kunnen vernietigen, ligt haar subsidiaire tegenvordering nog ter beoordeling voor. [gedaagden] vordert subsidiair een verklaring voor recht dat de samenwerking tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. [gedaagden] stelt daartoe dat [eiseres] de gehele werkomgeving verzorgde. Dit betekent dat [gedaagden] in de dagelijkse praktijk geen zelfstandige zeggenschap had over werktijden, tarieven, betalingsverkeer, productkeuze of klantencommunicatie en dat [eiseres] en haar partner structureel toezicht en controle hielden. [eiseres] bepaalde wanneer er wel en niet gewerkt mocht en moest worden. Vakanties konden alleen in overleg met [eiseres] worden opgenomen en drie maanden voor aanvang van de vakantie moest goedkeuring aangevraagd worden. Voor haar inkomen was [gedaagden] afhankelijk van [eiseres] , omdat zij voor betalingen door klanten het pinapparaat van [eiseres] moest gebruiken en [eiseres] de omzet na aftrek van de kosten aan haar uitbetaalde. Deze gang van zaken maakte volgens [gedaagden] dat geen sprake meer was van zelfstandig ondernemerschap, maar dat de verhoudingen een werknemer-werkgever relatie waren geworden. [eiseres] betwist dit. [eiseres] verwijst naar de samenwerkingsovereenkomst, waarin partijen zijn overeengekomen dat er geen arbeidsverhouding tot stand komt.
Partijen hebben in de samenwerkingsovereenkomst opgenomen dat zij zich ervan bewust zijn dat door de samenwerkingsovereenkomst geen dienstbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagden] ontstaat. Deze bedoeling van partijen is bij de beoordeling van de vraag of de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst niet doorslaggevend. Bij de kwalificatie van de overeenkomst moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. Daarbij heeft de Hoge Raad in de zaak Deliveroo/FNV (Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, r.o. 3.2.5) een aantal gezichtspunten geformuleerd aan de hand waarvan kwalificatie van de (arbeids)verhouding kan plaatsvinden.
[gedaagden] benoemt die punten uit de zaak Deliveroo/FNV niet. Zij heeft geen onderbouwing gegeven voor de door haar gestelde dagelijkse gang van zaken waarbij [eiseres] de hele werkomgeving zou bepalen. Dat had gelet op de betwisting door [eiseres] wel op haar weg gelegen. Ter zitting heeft [gedaagden] over die door haar gestelde gezagsverhouding ook niet meer duidelijkheid kunnen geven. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de gezagsverhouding tussen partijen in de praktijk zo was als [gedaagden] stelt en dat die gezagsverhouding de kenmerken had van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter zal daarom de vordering tot het geven van een verklaring voor recht dat de overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst afwijzen.
Proceskosten in conventie
[gedaagden] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
596,08
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.192,08
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
Proceskosten in reconventie
[eiseres] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op een bedrag van € 216,00, bestaande uit € 144,00 aan salaris gemachtigde (1 punt) en € 72,00 aan nakosten (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
5. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
verklaart voor recht dat de buitengerechtelijke vernietiging niet rechtsgeldig is;
verklaart voor recht dat [gedaagden] jegens [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de samenwerkingsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagden] ;
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 10.000,00 aan contractuele boete;
veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 10.000,00 aan contractuele boete;
veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling aan [eiseres] van € 10.000,00 aan contractuele boete;
veroordeelt [gedaagde 4] tot betaling aan [eiseres] van € 10.000,00 aan contractuele boete;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.192,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in reconventie
veroordeelt [eiseres] tot terugbetaling aan [gedaagde 1] van de waarborgsom van
€ 2.166,00;
veroordeelt [eiseres] tot terugbetaling aan [gedaagde 2] van de waarborgsom van
€ 1.911,00;
veroordeelt [eiseres] tot terugbetaling aan [gedaagde 3] van de waarborgsom van
€ 1.855,90;
veroordeelt [eiseres] tot terugbetaling aan [gedaagde 4] van de waarborgsom van
€ 934,79;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 216,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in conventie en reconventie
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
41264