RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11964699 \ MC EXPL 25-6165
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.H.M. Döbber,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. Driessen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 november 2025 met 33 producties,
- de conclusie van antwoord met 3 producties,
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling was [eiser] aanwezig, vergezeld door zijn partner, mevrouw [A] , en bijgestaan door mr. Döbber. Namens [gedaagde] was mevrouw [B] aanwezig, de manager backoffice. Zij werd bijgestaan door mr. Driessen.
De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.
2. De kern van de zaak
Partijen hebben een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] een nieuwe badkamer zou plaatsen bij [eiser] voor een totaalprijs van € 16.611,28. [gedaagde] heeft de werkzaamheden uiteindelijk nooit afgerond of opgeleverd en [eiser] heeft de eindfactuur niet betaald. [eiser] stelt dat [gedaagde] gebrekkig werk heeft geleverd. Hij heeft derden ingeschakeld voor noodvoorzieningen en voor herstel van de badkamer. In deze procedure vordert [eiser] vergoeding van de kosten daarvan, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Daarnaast vordert hij een verklaring voor recht dat hij de verbintenis tot nakoming rechtsgeldig heeft omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. [gedaagde] betwist de vorderingen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
3. De beoordeling
Het juridisch kader: schadevergoeding door gebreken in het werk
Deze zaak draait om de vraag of [gedaagde] de werkzaamheden gebrekkig heeft uitgevoerd. Als dat het geval is, is [gedaagde] de overeenkomst niet goed nagekomen en moet zij in beginsel de schade vergoeden die [eiser] hierdoor lijdt. Dat volgt uit artikel 6:74 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 6:74 lid 2 BW is [gedaagde] alleen verplicht de schade van [eiser] te vergoeden als zij in verzuim is geraakt met haar verplichting om de overeenkomst goed na te komen. Dat is anders als nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is: in dat geval is verzuim niet vereist.
Als er sprake is van gebreken in het werk, moet [eiser] in beginsel de gelegenheid geven aan [gedaagde] om die gebreken binnen een redelijke termijn te herstellen. Pas als [gedaagde] dit weigert of de termijn ongebruikt laat, raakt zij in verzuim. Als [eiser] zelf de nakoming van de verbintenis door [gedaagde] verhindert doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of vanwege een ander beletsel vanuit zijn kant, raakt [eiser] zelf in verzuim. In dat geval kan [gedaagde] zelf niet in verzuim zijn (artikel 6:58 en 6:61 BW).
Als er sprake is van verzuim aan de kant van [gedaagde] , kan [eiser] de oorspronkelijke verbintenis omzetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 7:759 lid 1 BW en 6:87 lid 1 BW.
Omdat [eiser] degene is die schadevergoeding vordert, moet hij stellen en onderbouwen – en zo nodig, bewijzen – dat aan de vereisten voor schadevergoeding is voldaan (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
De uitvoering van de werkzaamheden
[gedaagde] startte op 12 maart 2025 met de werkzaamheden aan de badkamer. Op 14 maart 2025 ontstond tussen partijen een discussie over de kwaliteit van het werk enerzijds – [eiser] vond dat er verschillende gebreken waren – en de werkomstandigheden anderzijds – [gedaagde] vond de omstandigheden onwerkbaar vanwege de overlast van katten. De medewerkers van [gedaagde] vertrokken naar aanleiding van deze discussie bij de woning van [eiser] . De werkzaamheden waren op dat moment nog niet afgerond of opgeleverd. Diezelfde dag heeft [A] telefonisch contact gehad met een medewerker van [gedaagde] , die toezegde om contact op te nemen over de hervatting van de werkzaamheden.
Een dag later, op zaterdag 15 maart 2025, laat [eiser] per e-mail weten dat er geen contact meer is op genomen door [gedaagde] . In deze e-mail maakt [eiser] ook schriftelijk melding van verschillende vermeende gebreken in het werk: het omwisselen van de warm- en koudwaterleiding, ondeskundig aangebrachte wandpanelen en een te hoge douchevloer. Hij adviseert [gedaagde] geen medewerkers naar zijn huis te sturen zolang er geen concrete afspraken zijn gemaakt over het herstel en de hervatting van de werkzaamheden.
Hoewel die concrete afspraken nog niet zijn gemaakt, staan op maandagochtend 17 maart 2025 toch twee medewerkers van [gedaagde] voor de deur van [eiser] om de werkzaamheden te hervatten. Dit komt doordat de e-mail van [eiser] van zaterdag 15 maart 2025 door [gedaagde] nog niet is verwerkt. [eiser] laat hen niet binnen en de medewerkers vertrekken weer.
[gedaagde] heeft nadien geen werkzaamheden meer verricht aan de badkamer. [eiser] had alle facturen al betaald, op de eindfactuur van € 1.411,00 na, die conform de overeenkomst pas na de oplevering moet worden voldaan. Op dat moment rust op [gedaagde] daarom de verplichting om de badkamer eerst te herstellen en af te ronden, voordat de slotfactuur opeisbaar wordt.
Het verdere contact tussen partijen
Op 18 maart 2025 heeft [eiser] een e-mail gestuurd naar [gedaagde] waarin hij zegt: “Wij zeggen bij deze de samenwerking op […].” [gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat [eiser] de overeenkomst hiermee per 18 maart 2025 heeft opgezegd. Dat heeft volgens [gedaagde] tot gevolg dat [eiser] de aanneemsom verschuldigd is, met aftrekking van de besparingen. Partijen hebben echter nadien – zoals hierna zal blijken – gehandeld alsof de overeenkomst nog voortduurde. Over de gevolgen van de opzegging is niet meer gecorrespondeerd. Hoewel de opzegging duidelijk en ondubbelzinnig was, gaat de kantonrechter dus aan deze opzegging voorbij.
Op 20 maart 2025 heeft [eiser] een ingebrekestelling verstuurd, waarin hij [gedaagde] een termijn van twee weken geeft om (onder andere) de gebreken genoemd in zijn e-mail van 15 maart 2025 te herstellen. Op 28 april 2025 noemt [eiser] per brief nog andere gebreken, waaronder het gebruik van knelkoppelingen in de leidingen. In deze brief geeft [eiser] [gedaagde] de mogelijkheid om binnen zeven dagen aan te geven hoe herstel wordt uitgevoerd.
[gedaagde] heeft de vermeende gebreken nooit hersteld. [eiser] heeft derden ingeschakeld voor het treffen van noodvoorzieningen en voor herstel van de badkamer. Hij vordert in deze procedure vergoeding van de geleden schade, die bestaat uit kosten van dit herstel door derden: € 2.242,23 voor herstel van de warm- en koudwaterleiding door een derde waarvan de naam is zwartgelakt op de factuur, € 1.227,08 voor herstel van het leidingwerk wat betreft de knelkoppelingen door [onderneming 1] en € 15.000,00 voor herstel van de wandpanelen en de (douche)vloer door [onderneming 2] .
De beoordeling van de gebreken
Uit de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan deze procedure blijkt dat [eiser] het werk op verschillende punten gebrekkig vindt. In zijn dagvaarding noemt [eiser] uiteindelijk vier gebreken:
i) het omwisselen van de warm- en koudwaterleiding, waardoor beneden geen warm water is;
ii) het gebruik van knelkoppelingen van slechte kwaliteit in het leidingwerk, terwijl dat perskoppelingen hadden moeten zijn;
iii) ondeskundig/slordig en niet naadloos aangebrachte wandpanelen met kieren tot twee centimeter;
iv) een douchevloer die circa twintig centimeter hoger ligt dan op de vooraf verstrekte tekening was aangegeven.
Deze gebreken zullen worden betrokken in deze procedure, overige gestelde gebreken die voorkomen in de correspondentie tussen partijen, zullen buiten beschouwing worden gelaten. Hierna zal de kantonrechter per vermeend gebrek beoordelen of hij vindt dat er sprake is van een gebrek en welke gevolgen dit heeft voor de vorderingen van [eiser] .
(i) Het omwisselen van de warm- en koudwaterleiding
Per e-mail erkent [gedaagde] op 21 maart 2025 dat de warm- en koudwaterleiding inderdaad omgewisseld zijn en biedt zij aan dit te komen herstellen. Daarmee staat vast dat er sprake is van een gebrek. [gedaagde] voert nog aan dat de leidingen al omgedraaid waren voordat zij de badkamer ging verbouwen, maar dat acht de kantonrechter niet relevant voor de vraag of er sprake is van een gebrek.
[eiser] heeft vervolgens op 24 maart 2025 – vier dagen na zijn ingebrekestelling – een noodvoorziening laten treffen, waarbij een derde het gebrek aan de warm- en koudwaterleiding heeft hersteld voor een bedrag van € 2.242,23. Om aanspraak te maken op vergoeding van de kosten voor een noodvoorziening is vereist dat er sprake is van een noodzaak, zoals het voorkomen van acuut gevaar of schade. [eiser] stelt dat hij was genoodzaakt tot het treffen van deze voorziening zodat hij over warm water zou beschikken in de keuken. De kantonrechter is van mening dat de noodzaak in dat geval ontbreekt. In de ingebrekestelling van 20 maart 2025 heeft [eiser] de noodzaak tot omdraaien van de leidingen ook niet vermeld. Integendeel, hij heeft [gedaagde] juist een hersteltermijn van twee weken gegeven. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd waarom niet kon worden gewacht op herstel door [gedaagde] . Uit de door [eiser] bij zijn dagvaarding overgelegde foto's en de toelichtingen daarop ter zitting, blijkt daarnaast dat de derde de door [gedaagde] aangelegde badkamer grotendeels heeft gesloopt. Het rigoureus laten slopen van een nieuwe badkamer om verkeerd aangesloten leidingen te herstellen staat niet in verhouding tot het gebrek en acht de kantonrechter dan ook niet proportioneel.
Als er geen noodzaak kan worden aangenomen, kunnen de gevorderde kosten voor herstel alleen op [gedaagde] worden verhaald als zij in verzuim is. Dat is niet het geval. Omdat de derde het werk van [gedaagde] grotendeels heeft gesloopt en het gebrek aan de leidingen reeds heeft hersteld, is herstel daarvan door [gedaagde] onmogelijk gemaakt. Dit terwijl de hersteltermijn voor [gedaagde] nog niet was verstreken en [gedaagde] expliciet heeft aangegeven het gebrek te willen komen herstellen. De door [eiser] gevorderde kosten voor deze noodvoorziening (€ 2.242,23) worden daarom afgewezen.
(ii) Gebrekkig leidingwerk met knelkoppelingen
[eiser] meent dat het gebruik van knelkoppelingen een gebrek oplevert, omdat het een lekkage kan veroorzaken. [gedaagde] betwist dat het gebruik van knelkoppelingen een gebrek oplevert. [eiser] moet onderbouwen waarom het geleverde werk aan de leidingen en het gebruik van knelkoppelingen niet zou voldoen aan de standaard van goed en deugdelijk werk. Daarin slaagt hij niet. Hij onderbouwt het vermeende gebrek met een anoniem en ongedateerd "deskundigenrapport", opgesteld naar aanleiding van een visuele keuring. In het rapport wordt ingegaan op de historie tussen partijen en de uitvoering van de werkzaamheden door [gedaagde] . Het rapport bevat voornamelijk omschrijvingen van gebeurtenissen waar deze deskundige niet bij aanwezig was en, zo bleek ter zitting, is opgesteld door de derde die ook het leidingwerk heeft hersteld. De kantonrechter kan het rapport daarom niet aanmerken als een objectief, onafhankelijk deskundigenonderzoek. Uit dit rapport blijkt bovendien niet aan welke norm het verrichte werk is getoetst en op welke manier daar dan van afgeweken zou zijn. Het is op basis van dit rapport kortom niet vast te stellen dat het gebruik van knelkoppelingen op zichzelf ondeugdelijk is.
Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat de gebruikte knelkoppelingen voor een lekkage hebben gezorgd. [eiser] stelt daarom dat hij was genoodzaakt op 6 juni 2025 een derde ( [onderneming 1] ) in te schakelen om bij wijze van noodvoorziening het leidingwerk aan te passen. De kosten daarvan bedragen € 1.227,08. Dat de knelkoppelingen een lekkage zouden hebben veroorzaakt en dat deze bij wijze van noodvoorziening moesten worden vervangen, is voor het eerst ter zitting ter sprake gekomen en is ook niet eerder kenbaar gemaakt aan [gedaagde] . [eiser] heeft toegelicht dat hij heeft geprobeerd [gedaagde] hierover te bellen, maar dat het niet lukte om contact te krijgen. De kantonrechter overweegt echter dat [eiser] ook andere mogelijkheden had om [gedaagde] hiervan op de hoogte te stellen, bijvoorbeeld per brief of per e-mail. Dat er sprake was van een lekkage, is daarom onvoldoende onderbouwd. Omdat niet vaststaat dat er op dit punt sprake is van een gebrek, wordt de vordering van [eiser] tot vergoeding door [gedaagde] van € 1.227,08 afgewezen.
(iii) Onzorgvuldige plaatsing van de wandpanelen
[gedaagde] erkent dat het werk aan de wandpanelen nog niet volledig is afgerond, maar betwist dat de wandpanelen slordig of ondeskundig zijn aangebracht. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] het gebrek aan de wandpanelen onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] stelt weliswaar dat de wandpanelen onzorgvuldig zijn geplaatst, maar maakt niet duidelijk wat de plaatsing onzorgvuldig maakt. In het overgelegde rapport staat hierover niets en door het grotendeels laten slopen van de badkamer op 24 maart 2025 is ook niet meer vast te stellen of [gedaagde] de wandpanelen gebrekkig heeft aangebracht. Ook al zou vast zijn komen te staan dat er sprake is van een gebrek aan de wandpanelen, is door de sloop van de wandpanelen vóórdat de hersteltermijn is verstreken, herstel door [gedaagde] definitief onmogelijk gemaakt. Daarmee is [eiser] zelf in schuldeisersverzuim geraakt op grond van artikel 6:58 BW en zou [gedaagde] zelf niet in verzuim kunnen komen.
In juli 2025 heeft [eiser] door een derde ( [onderneming 2] ) herstelwerkzaamheden laten verrichten aan de badkamer voor € 15.000. [eiser] stelt dat hij door het versturen van een omzettingsverklaring op 7 juli 2025 de verbintenis tot nakoming van [gedaagde] heeft omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. In deze procedure vordert [eiser] dan ook vergoeding van deze kosten door [gedaagde] . Uit de factuur blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht aan de wandpanelen en aan de (douche)vloer. Onduidelijk is of al het werk dat is gedaan is aan te merken als herstelwerk ten aanzien van de afwerking van de wandpanelen. Dat laat de kantonrechter hier echter in het midden. Omdat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een gebrek, althans dat [gedaagde] in verzuim is, wordt de gevorderde schadevergoeding voor herstel van de wandpanelen door [onderneming 2] afgewezen.
(iv) De hoogte van de douchevloer
[eiser] baseert zich bij de onderbouwing van het gebrek aan de hoogte van de douchevloer op een tekening die voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst door [gedaagde] is verstrekt. Daaruit volgt volgens [eiser] dat de douchevloer in werkelijkheid circa twintig centimeter hoger ligt dan op de tekening. [gedaagde] erkent dat de douchevloer hoger is gelegd dan op de tekening is aangegeven. De kantonrechter stelt daarom vast dat [gedaagde] is afgeweken van de tekening, temeer omdat [gedaagde] zegt dat zij de aanpassing aan de hoogte van de douchevloer met [eiser] heeft besproken en dit door hem akkoord is bevonden. [gedaagde] betwist echter dat dit een gebrek oplevert. In de voettekst van de overeenkomst staat dat de tekening slechts dient als impressie en dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend. [gedaagde] beschrijft dat zij van de tekening mag afwijken als er sprake is van een onvoorzienbaar obstakel. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat zij afhankelijk is van de bestaande leidingen en dat zij vanwege die leidingen een hogere douchevloer moest leggen.
De kantonrechter neemt op de tekening een kleine opstap waar in de douche, maar ziet daarbij geen hoogtemaat staan. Er blijkt ook niet op een andere manier dat er vooraf afspraken zijn gemaakt over de hoogtemaat van de douchevloer. Uit de tekeningen blijkt juist dat daarop slechts een impressie is weergeven waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het vermeende gebrek aan de hoogte van de douchevloer onvoldoende is onderbouwd. Dit betekent dat ook de gevorderde schadevergoeding van kosten voor herstel van de douchevloer door [onderneming 2] niet wordt toegewezen.
Conclusie: de vorderingen van [eiser] worden afgewezen
De kantonrechter kan het merendeel van de gebreken aan de badkamer niet vaststellen, en met betrekking tot de vastgestelde gebreken is [gedaagde] niet in verzuim. [eiser] was daarom niet gerechtigd de oorspronkelijke verbintenis tot nakoming om te zetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding. De gevorderde verklaring voor recht daartoe wordt afgewezen. [eiser] maakt om diezelfde reden ook geen aanspraak op vergoeding van de herstelkosten of de kosten voor noodvoorzieningen door derden. De gevorderde schadevergoedingen van € 15.000,00, € 2.242,23 en € 1.227,08 worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.008,00
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
68728