RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12104653 \ UE VERZ 26-72
Beschikking van 19 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: M.E. Voorn,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigden: mr. B.D. Hengstmengel en mr. A. Hartman.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ontvangen door de kantonrechter op 15 februari 2026,
- het verweerschrift met producties,
- de brief van mr. Hartman van 29 juni 2026 met bijlage 5,
- de akte houdende wijziging en aanvulling van het verzoek van [verzoeker] .
Op 8 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is verschenen met zijn gemachtigde. [verweerder] is vertegenwoordigd door de heer [A] (CEO) met zijn gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnota’s, zij hebben op elkaars standpunten gereageerd en vragen van de kantonrechter beantwoord. Hoewel mr. Voorn (omdat hij in verband met file op de weg later is aangesloten bij de mondelinge behandeling) niet de hele pleitnota heeft voorgedragen zal deze toch in zijn geheel onderdeel uitmaken van het procesdossier. [verweerder] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
[verzoeker] was vanaf 1 december 2025 in dienst bij [verweerder] . Hij is op 15 december 2025, binnen de overeengekomen proeftijd, ontslagen. [verzoeker] komt in deze procedure op tegen dat ontslag en meent dat de opzegging vernietigd moet worden. Hij voert daarvoor verschillende grondslagen aan. De kantonrechter wijst de vorderingen af omdat geen van deze grondslagen, voor zover zij al (voldoende) onderbouwd zijn, naar het oordeel van de kantonrechter aanleiding geeft tot vernietiging van de opzegging. Ook de verzochte immateriële schadevergoeding zal (mede daarom) worden afgewezen, omdat deze onvoldoende onderbouwd is.
3. De achtergrond van de zaak
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1963, is sinds 1 december 2025 in dienst bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is [functie] met een loon van € 140.000,00 bruto per jaar, bestaande uit een vast basis salaris van € 98.000,00 en een variabel salaris van € 42.000,00, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De arbeidsovereenkomst gold voor onbepaalde tijd, met een (rechtsgeldig overeengekomen) proeftijd van 2 kalendermaanden.
Op zondag 7 december 2025 is [verzoeker] samen met de heer [B] , een door [verweerder] ingeschakelde en reeds lange tijd aan [verweerder] verbonden adviseur, voor een zakenreis afgereisd naar Duitsland.
Op 15 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen (onder meer) [A] en [verzoeker] . Tijdens dat gesprek is aan de orde geweest dat - volgens [verzoeker] - in Duitsland een incident had plaatsgevonden, waarbij [B] een zeer emotionele uitbarsting zou hebben gehad, gewelddadig en agressief werd, en waar [verzoeker] psychische schade van had ondervonden. [A] heeft tijdens datzelfde gesprek de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 15 december 2025. Dit ontslag is diezelfde dag schriftelijk bevestigd. In de brief staat dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd omdat ‘de houding van [verzoeker] en zijn persoon onvoldoende aansloten bij [verweerder] .’
4. Het verzoek en het verweer
Welke verzoeken moet de kantonrechter beoordelen?
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter – kort samengevat - de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon. Ook wil hij dat een rectificatie wordt rondgestuurd en dat [verweerder] in de proceskosten wordt veroordeeld.
[verzoeker] heeft verder tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoek aangepast, in die zin dat hij ook een immateriële schadevergoeding verzoekt (nader op te maken bij staat) wegens psychisch trauma, opgelopen tijdens het dienstverband. [verweerder] heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat dit in strijd met de daarvoor in het procesreglement genoemde termijnen is, zij geen kennis heeft kunnen nemen van het verzoek en zich er daarom niet op heeft kunnen voorbereiden. [verweerder] stelt daardoor te zijn geschaad haar mogelijkheid verweer te voeren.
De kantonrechter zal dit stuk toch toelaten. Het enkele feit dat het stuk in strijd met de in het procesreglement genoemde termijn is ingediend is op zichzelf genomen onvoldoende om dat stuk te weigeren. Het gaat hier om een relatief eenvoudige aanpassing, die is gedaan naar aanleiding van het verweerschrift en die voor [verweerder] in die zin niet nieuw is. Dat [verweerder] in haar verdediging geschaad wordt door deze late indiening is dan ook onvoldoende gebleken en de kantonrechter zal het stuk daarom toch toevoegen aan het dossier.
[verzoeker] heeft zich in het verzoekschrift het recht voorbehouden om tijdens de zitting nog de zogenaamde ‘switch’ te maken (dat wil zeggen dat alsnog berust wordt in de beëindiging, maar met toekenning van vergoedingen), maar heeft dat niet gedaan, zodat bespreking van de daarop gebaseerde en daarmee verband houdende verzoeken achterwege kunnen worden gelaten.
[verzoeker] legt het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag
[verzoeker] voert een aantal rechtsgronden aan op grond waarvan de opzegging van de arbeidsovereenkomst volgens hem moet worden vernietigd. [verweerder] heeft zich volgens [verzoeker] niet als goed werkgever gedragen door, ‘middels een proeftijdontslag dat misbruikt maakt van de situatie, [verzoeker] te ontslaan wegens een niet gerelateerde reden’. [verzoeker] werkt dat als volgt uit.
[verweerder] heeft volgens [verzoeker] misbruik gemaakt van haar bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, omdat die beslissing niet is ingegeven door de vraag of [verzoeker] zijn werk goed zou doen, maar door een conflict dat zou zijn ontstaan door een incident. [verzoeker] stelt dat [B] tijdens de dienstreis naar Duitsland begin december 2025 een emotionele uitbarsting heeft gehad, waarbij alcohol in het spel was en waarbij [B] zich gewelddadig en bedreigend zou hebben gedragen. [B] betwist dat dat incident heeft plaatsgevonden. [verzoeker] verwijt [A] dat deze in de discussie over dit incident, ten onrechte [B] gelooft of hem in ieder geval in bescherming heeft genomen, ten koste van [verzoeker] , dat dit de reden is geweest voor het proeftijdontslag en dat een oneigenlijke reden is. [verzoeker] meent dat de proeftijd ervoor dient om in te kunnen schatten of hij zijn werk goed doet. [verzoeker] meent dat dat het geval is en verwijt [verweerder] dat zij hem die kans niet heeft gegund, door op een oneigenlijke grond, voortijdig de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
Verder verwijt [verzoeker] [verweerder] dat zij geen hoor en wederhoor heeft toegepast met betrekking tot het incident in Duitsland en het daaruit volgende proeftijdontslag. [verweerder] heeft volgens [verzoeker] zonder meer de kant van [B] gekozen en hem niet in de gelegenheid gesteld een en ander te weerleggen. Ook dat is volgens [verzoeker] in strijd met goed werkgeverschap.
Daarnaast stelt [verzoeker] dat de opzegging in strijd is met het discriminatieverbod.
Tot slot stelt [verzoeker] dat hij immateriële schade heeft geleden door het optreden van een door [verweerder] ingeschakelde derde, te weten [B] . Hij stelt dat [verweerder] onvoldoende heeft gedaan om hem daartegen te beschermen en hij verzoekt de kantonrechter (op grond van artikel 7:658 BW, artikel 7:611 BW en artikel 6:162 BW) [verweerder] te veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding, waarvan de hoogte in een aparte schadestaatprocedure moet worden opgemaakt.
Het verweer van [verweerder]
[verweerder] betwist de stellingen van [verzoeker] , stelt dat sprake is van een rechtsgeldig proeftijdontslag en meent dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
[verweerder] betwist dat de reden voor het proeftijdontslag (alleen) is gelegen in de discussie rondom het door [verzoeker] gestelde incident in Duitsland, maar stelt dat dit een optelsom was van verschillende omstandigheden en gedragingen die zij tot dat moment had kunnen vaststellen. [verweerder] noemt daarbij:
[verweerder] hoorde indirect (van medewerkers én externe contacten) dat [verzoeker] niet tevreden was over de hem ter beschikking gestelde auto en apparatuur en daarover direct bij iedereen klaagde;
[verzoeker] wilde tegen de wens van [verweerder] last minute aansluiten bij een zakendiner bij een zakenrelatie van [verweerder] , hetgeen extra kosten met zich meebracht voor [verweerder] , die zij niet had willen maken;
Tijdens het diner had [verweerder] complottheorieën gedeeld met betrekking tot de aanslagen op 11 september 2011 (9/11) in Amerika. De klant had daarover geklaagd bij [verweerder] ;
Onenigheid over het Linkedin profiel, waaruit volgens [verweerder] een onjuist beeld werd geschetst over de rol die [verzoeker] (al dan niet) vervulde voor [verweerder] .
Daarnaast speelde volgens [verweerder] óók de discussie over het incident een rol, maar dan als onderdeel van het patroon in het gedrag dat [verweerder] meende te zien bij [verzoeker] en op basis waarvan zij heeft beslist en volgens haar ook mocht beslissen niet met hem verder te gaan.
[verweerder] beaamt dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden met betrekking tot het incident, maar stelt dat zij dat in het kader van een proeftijdontslag ook niet hoefde te doen. Dat sprake is van discriminatie wordt door [verweerder] ten stelligste betwist. Met betrekking tot de verzochte immateriële schadevergoeding stelt [verweerder] zich op het standpunt dat de grondslag daarvoor ontbreekt. De toedracht van het incident, zoals geschetst door [verzoeker] , wordt door [verweerder] betwist en ook de schade wordt betwist.
[verweerder] heeft ook een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend, te weten een ontbindingsverzoek voor zover de arbeidsovereenkomst niet al door het proeftijdontslag is geëindigd, en een (onvoorwaardelijke) kostenveroordeling van [verzoeker] .
5. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van loon. De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
De proeftijd is ervoor bedoeld om partijen in de gelegenheid te stellen enige tijd vrijblijvend te bezien of zij er goed aan hebben gedaan met elkaar een arbeidsovereenkomst te sluiten. Voor de opzegging tijdens de proeftijd hoeft de werkgever geen redelijke grond te hebben. Ook de opzegverboden zijn tijdens de proeftijd niet van toepassing en er hoeft in beginsel geen hoor en wederhoor plaats te vinden. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan toch bij een opzegging voor of tijdens de proeftijd sprake zijn van schending van het beginsel van goed werkgeverschap, als door de werkgever misbruik is gemaakt van zijn bevoegdheid. Ook kan de opzegging vernietigbaar zijn wanneer deze in strijd is met een discriminatieverbod.
Het uitgangspunt bij een proeftijdontslag is dat het een werkgever in beginsel vrij staat om een arbeidsovereenkomst met een werknemer op te zeggen zolang de proeftijd nog niet is verstreken. Een werkgever hoeft hiervoor geen redelijke grond te hebben en is dus niet verplicht een werknemer een reële kans te geven om te laten zien wat hij kan. [verzoeker] heeft daarom een bepaald risico aanvaard door een arbeidsovereenkomst met een proeftijd aan te gaan. Het argument van [verzoeker] dat sprake is van een oneigenlijke reden voor het proeftijdontslag en dat sprake is van misbruik van recht door reeds twee weken na aanvang van de arbeidsovereenkomst te beëindigen, zonder dat [verzoeker] de kans heeft gehad zijn vaardigheden te tonen, gaat al om die reden niet op. Daar komt nog bij dat [verweerder] gesteld én onderbouwd heeft, dat er meerdere redenen aan haar beslissing tot beëindiging ten grondslag hebben gelegen. [verzoeker] heeft ook niet betwist dat de gedragingen die [verweerder] heeft genoemd en die mede ten grondslag lagen aan haar beslissing hebben plaatsgevonden. Hij was het niet eens met die redenen en heeft getracht die tijdens de mondelinge behandeling te weerleggen. Maar hier geldt nog steeds: [verweerder] heeft die vrijheid in het kader van een proeftijdontslag.
Dat sprake is van een schending van het discriminatieverbod is ook niet gebleken. [verzoeker] stelt dat sprake is van discriminatie, maar onderbouwt dat eigenlijk helemaal niet. [verzoeker] heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij dit afleidt uit het feit dat hij – volgens hem - als enige binnen het bedrijf een VOG moest aanvragen en dat tijdens het gesprek van 15 december 2026 gezegd is dat men hem ‘niet meer vertrouwde’. Volgens [verzoeker] houden die zaken verband met zijn donkere huidskleur. Dat wordt door [verweerder] betwist en zij heeft bovendien aangegeven dat het vragen van een VOG in algemene zin is niet ongebruikelijk is en [verweerder] de VOG bovendien ook niet heeft opgevraagd.
De kantonrechter overweegt dat voor een succesvol beroep op het discriminatieverbod de aanwezigheid van die discriminatie wel objectief moet kunnen worden vastgesteld. Het enkele gevoel gediscrimineerd te worden is, hoe vervelend voor de betrokkene ook, niet voldoende. Omdat de onderbouwing van deze stelling door [verzoeker] nagenoeg volledig ontbreekt kan dit niet leiden tot een vernietiging van de opzegging.
Ook het argumenten van het ontbreken de toepassing van hoor en wederhoor gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Zoals gezegd is het uitgangspunt dat dit niet hoeft plaats te vinden. Als [verzoeker] meent dat er in zijn geval had moeten worden afgeweken van het uitgangspunt dat geen hoor en wederhoor hoeft plaats te vinden bij een proeftijdontslag, dan had hij feiten en omstandigheden moeten stellen en onderbouwen waaruit dat zou blijken. Dat heeft hij nagelaten. Ook dit kan dus niet leiden tot een vernietiging van de opzegging.
Het is voorstelbaar dat [verzoeker] erg teleurgesteld is doordat hij zich niet in de gelegenheid gesteld voelt om zichzelf te bewijzen, maar het is niet genoeg om te oordelen dat [verweerder] ontoelaatbaar heeft gehandeld of misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het verzoek tot vernietiging van de opzegging wordt daarom afgewezen en daarmee ook de vordering tot doorbetaling van loon en rectificatie.
Voor de vraag of [verweerder] op enige wijze aansprakelijk kan worden gesteld voor immateriële schade bij [verzoeker] , moet in ieder geval vast staan dat [verweerder] als werkgever onzorgvuldig en/of onrechtmatig heeft gehandeld én dat er schade is. Ook dat is aan [verzoeker] om stellen en te onderbouwen. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [verzoeker] zo dat hij vindt dat [verweerder] hem beter had moeten beschermen tegen [B] .
De kantonrechter overweegt daarover dat op basis van wat [verzoeker] heeft aangevoerd helemaal niet vast staat wat de gang van zaken precies is geweest, dat hij door deze gang van zaken schade heeft geleden en wat die schade dan precies inhoudt. Als een partij iets stelt en daaraan conclusies verbindt, moet die partij de juistheid van zijn stellingen in principe voldoende onderbouwen en bewijzen, tenzij de andere partij deze niet tegenspreekt. Wat [verzoeker] stelt over de door hem geleden schade en het causale verband met het handelen van [verweerder] wordt door [verweerder] betwist. Aangezien dit door [verzoeker] niet met concrete gegevens of bijvoorbeeld verklaringen van deskundigen is onderbouwd (waarbij de kantonrechter overweegt dat er weliswaar een verklaring van een verpleegkundige ligt, maar die niet bevoegd is een medische diagnose te stellen), komt zijn verhaal juridisch niet vast te staan. Ook deze vordering moet daarom worden afgewezen.
De kantonrechter komt niet toe aan het voorwaardelijk tegenverzoek
Omdat de verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen, en de voorwaarde voor het verzoek van [verweerder] (namelijk het nog voortbestaan van de arbeidsovereenkomst) niet is komen vast te staan, komt de kantonrechter niet toe aan behandeling van het voorwaardelijke tegenverzoek van [verweerder] .
[verzoeker] wordt in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad zal worden toegewezen. Dat betekent dat partijen direct aan de beschikking moeten voldoen, ook wanneer daartegen door één van partijen hoger beroep wordt ingesteld.
6. De beslissing
De kantonrechter
wijst de verzoeken van [verzoeker] af,
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
wijst af het meer of anders verzochte,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2019.