ECLI:NL:RBMNE:2026:6018

ECLI:NL:RBMNE:2026:6018

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 30-08-2026
Zaaknummer 11961794 UC EXPL 25-8834 JH/1050
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Werkgever valt onder de verplichtstelling van PFZW.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 11961794 UC EXPL 25-8834 JH/1050

Vonnis van 19 augustus 2026

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nina.Care B.V.,

gevestigd in Haarlem,

verder ook te noemen Nina.Care,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J. Los,

tegen:

de stichting

Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn,

gevestigd in Utrecht,

verder ook te noemen PFZW,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. T. Huijg.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met 20 producties,

de conclusie van antwoord met eis in reconventie en 23 producties,

de door Nina.Care op 19 maart 2026 nagezonden stukken en de aanvullende productie 21,

de door PFZW nagezonden producties 24 en 25.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2026. Namens Nina.Care was aanwezig mevrouw [A] , [functie 1] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens PFZW was aanwezig mevrouw [B] , [functie 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Zij hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en hebben op elkaar kunnen reageren. Hiervan is door de griffier aantekeningen gemaakt.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De kern van de zaak

Het gaat in deze zaak om de vraag of Nina.Care vanaf 5 juni 2020 tot 1 januari 2024 onder de verplichte werkingssfeer van PFZW valt. De kantonrechter is van oordeel dat dit vanaf

1 november 2020 het geval is, omdat zij vanaf dat moment is aan te merken als ‘werkgever in de kinderopvang’ zoals omschreven in het verplichtstellingsbesluit van PFZW. Zij heeft namelijk (in meer dan verwaarloosbare mate) tegen vergoeding bemiddeld bij gastouderopvang. De door Nina.Care gevorderde verklaring voor recht dat zij niet valt onder de werkingssfeer van PFZW wordt daarom afgewezen. De reconventionele vorderingen van PFZW worden (grotendeels) toegewezen.

3. De achtergrond van de zaak

PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. De deelneming in PFZW is voor werkgevers en werknemers in de sector Zorg en Welzijn verplicht gesteld op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Het verplichtstellingsbesluit van PFZW bepaalt voor de periode waar het in deze zaak om gaat (5 juni 2020 tot 1 januari 2024) in artikel A sub h dat de verplichte deelneming geldt voor ‘werkgevers in de kinderopvang’. Tot 1 januari 2022 luidde de definitie van ‘werkgever in de kinderopvang’ als volgt:

“werkgever in de kinderopvang:

de natuurlijke persoon of rechtspersoon die:

tegen vergoeding kinderopvang verzorgt voor kinderen van 0 jaar tot en met het einde van de basisschoolleeftijd en/of

tegen vergoeding bemiddelende en/of begeleidende en/of ondersteunende diensten verricht ten behoeve van kinderopvang”

Met ingang van 1 januari 2022 is die definitie gewijzigd in:

“werkgever in de kinderopvang:

de natuurlijke persoon of rechtspersoon die:

1. tegen vergoeding kinderopvang (met uitzondering van het overblijven) verzorgt voor kinderen van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint. Deze kinderopvang omvat:

a. dagopvang;

b. voor-, tussen-, buiten- en naschoolse opvang;

c. peuter opvang (peuterspeelzaalwerk);

d. (bemiddeling bij) gastouderopvang;

en/of

2. tegen vergoeding begeleidende en/of ondersteunende diensten verricht ten behoeve van kinderopvang”.

Volgens PFZW is Nina.Care van 5 juni 2020 tot 1 januari 2024 aan te merken als ‘werkgever in de kinderopvang’ in de zin van het verplichtstellingsbesluit, omdat zij zich in die periode heeft beziggehouden met (bemiddeling bij) gastouderopvang. Op 21 juli 2025 heeft PFZW een (pro forma) premiefactuur aan Nina.Care gestuurd van € 378.176,06. Nina.Care heeft die factuur onbetaald gelaten.

Nina.Care is op 5 juni 2020 opgericht. Ze exploiteert een online platform gericht op culturele uitwisseling via au-pair matching tussen gastgezinnen en jongeren uit het buitenland. Daarnaast verricht zij informele oppasactiviteiten. Nina.Care betwist uitdrukkelijk dat zij zich ook bezig heeft gehouden met (bemiddeling bij) professionele en beroepsmatige gastouderopvang. Zij stelt dat zij in het kader van een pilot in de startup fase van het bedrijf heeft onderzocht of er behoefte bestond aan gastouderbemiddeling, maar al snel heeft besloten die activiteit af te bouwen en te beëindigen vanwege het structurele tekort aan beschikbare gastouders. De met gastouderbemiddeling behaalde omzet was volgens Nina.Care verwaarloosbaar in verhouding tot haar totale omzet. Nina.Care heeft geen pensioenregeling voor haar werknemers.

Nina.Care vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat zij niet valt onder de werkingssfeer van PFZW, dan wel dat zij vóór 1 januari 2022 en vanaf 23 oktober 2023 niet valt onder de werkingssfeer van PFZW, dan wel dat zij vanaf 1 januari 2022 althans

1 januari 2023 niet valt onder de werkingssfeer van PFZW, één en ander met veroordeling van PFZW in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

PFZW heeft verweer gevoerd tegen de vordering van Nina.Care. In reconventie vordert PFZW onder meer een verklaring voor recht dat Nina.Care vanaf 5 juni 2020 tot

1 januari 2024 onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt en verplicht is aangesloten bij PFZW. Daarnaast vordert zij (kort gezegd) dat Nina.Care al haar werknemers in die periode bij PFZW aanmeldt en voor hen premie betaalt.

4. De beoordeling

In conventie

Voor de vorderingen in conventie (en in reconventie) moet beoordeeld worden of Nina.Care in de periode van 5 juni 2020 tot 1 januari 2024 ‘werkgever in de kinderopvang’ is in de zin van het verplichtstellingsbesluit. PFZW heeft erkend dat de door Nina.Care verrichtte au-pairactiviteiten en informele oppasdiensten niet vallen onder de reikwijdte van haar verplichtstelling. Het gaat alleen nog om de vraag of (bemiddeling bij) gastouderopvang over de gehele periode onder de verplichtstelling viel en of Nina.Care zich met deze activiteiten bezig heeft gehouden.

(Bemiddeling bij) gastouderopvang viel ook vóór 2022 onder de verplichtstelling

Voor de uitleg van een bepaling in een verplichtstellingsbesluit geldt volgens vaste rechtspraak dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de tekst van het gehele verplichtstellingsbesluit, van doorslaggevende betekenis zijn (de zogenoemde cao-norm). Het komt dus niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de totstandkoming van het verplichtstellingsbesluit, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen of bijbehorende schriftelijke toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van het verplichtstellingsbesluit. Bij deze uitleg kan onder meer worden gekeken naar de op andere plekken in het verplichtstellingsbesluit gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

Anders dan Nina.Care heeft gesteld, is niet komen vast te staan dat de wijziging van de definitie van ‘werkgever in de kinderopvang’ in 2022 (voor zover hier van belang) een materiële wijziging of uitbreiding van de verplichtstelling inhoudt. PFZW heeft gemotiveerd gesteld dat (bemiddeling bij) gastouderopvang ook vóór 2022 al onder de verplichtstelling van PFZW viel. PFZW heeft hiervoor onder meer verwezen naar de toelichting van de sociale partners bij het verzoek van 30 juni 2021 tot actualisering van de verplichtstelling. Uit deze toelichting blijkt dat (bemiddeling bij) gastouderopvang vóór 2022 viel onder lid 2 van de definitie, te weten het tegen vergoeding verrichten van bemiddelende diensten ten behoeve van kinderopvang. Vanaf 2022 is deze vermelding in lid 2 niet meer nodig, omdat (bemiddeling bij) gastouderopvang in lid 1 sub d van de definitie is opgenomen.

De kantonrechter volgt Nina.Care niet in haar stelling dat uit de tekst van het verplichtstellingsbesluit vóór 2022 onvoldoende duidelijk blijkt dat (bemiddeling bij) gastouderopvang onder de verplichte werkingssfeer van PFZW viel. Nina.Care heeft zelf verwezen naar de definities in de Wet Kinderopvang. Hieruit volgt dat gastouderopvang een vorm van kinderopvang is. Bij lezing van de tot 2022 geldende definitie van ‘werkgever in de kinderopvang’ moet het een gemiddelde werkgever dan ook redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat (bemiddeling bij) gastouderopvang onder het verplichtstellingsbesluit viel.

Nina.Care hield zich bezig met (bemiddeling bij) gastouderopvang

Uit het door PFZW gestelde en de overgelegde stukken blijkt het volgende:

Nina.Care heeft zich in ieder geval in de periode van 2020 tot medio 2023 op haar website en sociale media gemanifesteerd als gastouderbureau.

In de oprichtingsakte van Nina.Care van 5 juni 2020 en de statutenwijziging van 10 februari 2023 is als doel van de onderneming (onder meer) opgenomen: “het exploiteren van een online platform met betrekking tot het bemiddelen bij kinderopvang”. Ook in het handelsregister van de Kamer van Koophandel waren de activiteiten van Nina.Care aanvankelijk zo aangeduid.

In de jaarrekeningen van Nina.Care van 2020 tot en met 2023 wordt het exploiteren van een online platform ter bemiddeling bij kinderopvang als belangrijkste activiteit genoemd.

Nina.Care was van 7 juni 2018 tot en met 31 december 2023 geregistreerd als gastouderbureau in het Landelijk Register Kinderopvang.

Nina.Care ontving via haar platform een vergoeding voor de bemiddeling als gastouderbureau.

Nina.Care heeft in 2020 een eigen bedrijfsschool opgericht ( [.] ) om oppassers te laten scholen tot gediplomeerde gastouders, waarbij zij een deel van de opleiding vergoedde als de student via haar gastouderbureau ging werken.

Uit dit alles kan worden afgeleid dat Nina.Care zich meerdere jaren heeft bezig gehouden met de bemiddeling bij (professionele) gastouderopvang. Zij heeft die activiteiten feitelijk verricht en hiermee omzet gegenereerd. Het verplichtstellingsbesluit van PFZW heeft geen hoofdzaakcriterium. Maar zelfs als bij de uitleg van het verplichtstellingsbesluit meerdere tekstinterpretaties mogelijk zijn en voor de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen enige ondergrens zou moeten gelden, dan is in dit geval niet gebleken dat de omzet van Nina.Care als gastouderbureau verwaarloosbaar was ten opzichte van haar totale omzet. Nina.Care heeft ter onderbouwing van die stelling verwezen naar een boekhoudersverklaring van 16 maart 2026. In die verklaring staat dat met de bemiddeling in gastouderopvang in de jaren 2020 tot en met 2023 een zeer beperkte omzet is gerealiseerd, namelijk ongeveer 4% in 2020, 3,5% in 2021, en minder dan 1% in 2022 en 2023. PFZW heeft er op de mondelinge behandeling op gewezen dat die percentages niet juist zijn. De kantonrechter is met PFZW van oordeel dat uit de jaarrekeningen volgt dat het aandeel van de gastouderactiviteiten (gastouders en [.] ) over 2020 tot en met 2022 meer dan 25% van de totale omzet bedroeg. Ook als de in de jaarrekeningen opgenomen posten gastouders en oppassers niet worden meegenomen, omdat een groot deel daarvan doorstroomkosten (te betalen loon) betreft, bedraagt het aandeel van de gastouderactiviteiten meer dan 5% van de totale omzet. Dat is niet verwaarloosbaar.

Dit betekent dat Nina.Care verplicht was om deel te nemen aan de door PFZW uitgevoerde pensioenregeling vanaf het moment dat zij werknemers in dienst kreeg, te weten

1 november 2020, tot 1 januari 2024. De door Nina.Care gevorderde verklaringen voor recht worden afgewezen.

In reconventie

PFZW vordert in reconventie:

te verklaren voor recht dat Nina.Care vanaf 5 juni 2020 tot 1 januari 2024 onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt en verplicht is aangesloten bij PFZW;

te verklaren voor recht dat Nina.Care verplicht is de statuten, reglementen en daarop gebaseerde bestuursbesluiten van PFZW na te leven vanaf 5 juni 2020 tot 1 januari 2024;

Nina.Care te veroordelen om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis alle werknemers die in de periode van 5 juni 2020 tot 1 januari 2024 bij Nina.Care in dienst zijn geweest bij PFZW aan te melden via de online werkgeversportal en daarbij alle gegevens van deze werknemers op te geven op de wijze als bepaald in de portal, alsmede om binnen 60 dagen na betekening van dit vonnis door verstrekking aan PFZW van een controleverklaring van een Nederlandse registeraccountant aan te tonen dat de door haar aangeleverde gegevens juist en volledig zijn, op straffe van een dwangsom;

Nina.Care te veroordelen om vervangende premienota’s en kosten te voldoen.

Nina.Care te veroordelen in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.

In conventie is geoordeeld dat Nina.Care verplicht was om deel te nemen aan de door PFZW uitgevoerde pensioenregeling vanaf 1 november 2020 tot 1 januari 2024. De door PFZW in reconventie gevorderde verklaring voor recht is in zoverre toewijsbaar.

Nina.Care is over die periode verplicht haar werknemers als deelnemers aan te melden en gegevens over haar werknemers te verstrekken aan PFZW. Ook die vordering is dus toewijsbaar. De daaraan gekoppelde dwangsom wordt afgewezen, omdat er geen reden is om aan te nemen dat Nina.Care niet aan de veroordeling zal voldoen.

De vordering van PFZW tot betaling van vervangene premienota’s en kosten wordt afgewezen omdat deze te onbepaald is. Op dit moment is onduidelijk om welke bedragen en kosten het gaat. Dit neemt niet weg dat Nina.Care wel gehouden is om pensioenpremies aan PFZW te betalen. Dat de financiële gevolgen van de verplichtstelling voor Nina.Care groot zijn, maakt niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat PFZW zich op de verplichtstelling beroept en dat Nina.Care premie moet betalen. Het was de verantwoordelijkheid van Nina.Care om in het kader van haar bedrijfsvoering onderzoek te doen naar verplichtgestelde pensioenregelingen. Het komt ook voor haar rekening en risico dat zij kennelijk geen premielasten heeft gereserveerd.

Proceskosten

Nina.Care wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten). Deze kosten van PFZW worden in conventie begroot op € 1.876, bestaande uit € 1.732 (2 punten x € 866) aan salaris gemachtigde en € 144 aan nakosten. Gelet op de samenhang met de vordering in conventie, worden de kosten van PFZW in reconventie begroot op nihil.

5. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Nina.Care in de proceskosten van € 1.876, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

verklaart dit vonnis in conventie voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie:

verklaart voor recht dat Nina.Care vanaf 1 november 2020 tot 1 januari 2024 onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt en verplicht is aangesloten bij PFZW;

verklaart voor recht Nina.Care verplicht is de statuten, reglementen en daarop gebaseerde bestuursbesluiten van PFZW na te leven vanaf 1 november 2020 tot 1 januari 2024;

veroordeelt Nina.Care om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis alle werknemers die in de periode van 1 november 2020 tot 1 januari 2024 bij Nina.Care in dienst zijn geweest bij PFZW aan te melden via de online werkgeversportal en daarbij alle gegevens van deze werknemers op te geven op de wijze als bepaald in de portal, alsmede om binnen 60 dagen na betekening van dit vonnis door verstrekking aan PFZW van een controleverklaring van een Nederlandse registeraccountant aan te tonen dat de door haar aangeleverde gegevens juist en volledig zijn;

veroordeelt Nina.Care in de proceskosten van PFZW in reconventie, tot op heden begroot op nihil;

verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.A.M. Pinckaers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand