RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/604840 / HA ZA 26-6
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.F. Smid,
tegen
GEMEENTE UTRECHTSE HEUVELRUG,
zetelend te Doorn,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaten: mr. H.A. Bijkerk en mr. K.F. Carbaat.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 23 december 2025 met 15 producties;
de conclusie van antwoord met 18 producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Namens [eiseres] is verschenen de heer [A] (statutair bestuurder) vergezeld door mr. Smid. Namens de Gemeente zijn verschenen mevrouw [B] (juridisch adviseur) en de heer [C] (wegbeheerder) vergezeld door mr. Bijkerk en mr. Carbaat. De spreekaantekeningen die mr. Smid en mr. Carbaat hebben voorgelezen, zijn toegevoegd aan het dossier. De griffier heeft aantekeningen bijgehouden van hetgeen verder is besproken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
[eiseres] is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] in [plaats] . Zij wil een uitweg aanleggen van dit perceel naar de openbare weg. Daarvoor heeft zij de toestemming gevraagd aan de Gemeente die eigenaar is van de openbare weg. De Gemeente heeft haar medewerking geweigerd.
In deze procedure vraagt [eiseres] – samengevat – een verklaring voor recht dat de Gemeente de uitweg moet dulden en de veroordeling van de Gemeente om de toestemming te verlenen. De vorderingen zullen worden afgewezen. Hieronder wordt dat oordeel toegelicht.
3. De beoordeling
Vast staat dat het perceel aan de [adres 1] (perceelnummer [nummer] ) geen eigen uitweg heeft. Het perceel wordt nu ontsloten via aansluitende percelen: i) via de [adres 2] (perceelnummers [nummer] en [nummer] ) dat eigendom is van [eiseres] dan wel ii) via de [adres 3] (perceelnummer [nummer] ) dat eigendom is van mevrouw [D] . Op onderstaande plattegrond zijn in het rood de ontsluitingen weergegeven. De rechtbank heeft in het geel toegevoegd waar [eiseres] de door haar gewenste uitweg wil aanleggen.
De Gemeente heeft de bevoegdheid toestemming te weigeren
Op grond van de Wegenwet moet een rechthebbende van een weg (in dit geval de Gemeente) de uitvoering van alle werken vereist voor de aansluiting van uitwegen dulden. De vraag is of deze bepaling zo moet worden uitgelegd dat elke eigenaar van een aangrenzend perceel het recht heeft om een uitweg aan te leggen en dat de rechthebbende van de weg dat niet kan weigeren. Dat is niet het geval. De bepaling in de Wegenwet geeft aan dat de rechthebbende de uitvoering van uitwegen moet dulden en niets over het recht op een uitweg.
De Gemeente heeft beleid gemaakt in welke gevallen geen uitweg mag worden aangelegd. Aangezien de Wegenwet niet zover gaat dat elk verzoek om een uitweg te mogen aanleggen, moet worden gehonoreerd, mocht de Gemeente beleid maken voor de beoordeling van aanvragen voor een uitweg.
De Gemeente mocht de aanvraag afwijzen
Op grond van het beleid van de Gemeente mag in beginsel geen uitweg worden aangelegd, als het veilig en doelmatig gebruik van de weg negatief wordt beïnvloed of het uiterlijk aanzien van de omgeving op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. In bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken.
De Gemeente heeft de aanvraag van [eiseres] afgewezen, omdat volgens haar het uiterlijk aanzien van de omgeving op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Daarbij is toegelicht dat een eventuele inrit het beeld van de straat en de groenstrook verstoort en er tevens werkzaamheden plaatsvinden in de wortelzone van bestaande bomen.
Gebleken is dat voor het aanleggen van de uitweg in ieder geval één boom moet worden verwijderd. Uit het door de Gemeente bij de adviseur groen ingewonnen advies blijkt namelijk dat de bomen op de [straat] als een dubbelzijdige lijn zijn aangeplant in driehoek verband. De afstand tussen de twee rijen is ca 3,5 meter en de afstand tussen bomen in dezelfde rij is ca 9,5 meter. De kronen zijn bijna volledig met elkaar in sluiting en dat betekent volgens het advies dat dit ook geldt voor de wortelstelsels. Als de uitweg midden tussen twee bomen wordt aangelegd, zoals verzocht, worden de wortelstelsels van beide bomen ernstig beschadigd. Als de uitweg wordt verplaatst door een boom te kappen en dan het midden te houden tussen de bomen op de volgende rij, zal er in ieder geval één boom moeten worden gekapt.
Hiermee heeft de Gemeente voldoende onderbouwd dat dat het uiterlijk aanzien van de omgeving op onaanvaardbare wijze wordt aangetast als de uitweg wordt aangelegd. Het verwijderen van (minimaal) één van de bomen zal het beeld van de straat en de groenstrook verstoren, omdat het patroon van bomen dan wordt doorbroken. In de nieuwe situatie zal er geen sprake meer zijn van vrijwel dekkend bladerdak.
Het is niet gebleken dat de Gemeente de belangen van [eiseres] onvoldoende heeft meegewogen. Weliswaar geven de beslissingen van 25 maart 2024 en 6 december 2024 geen blijk dat de belangen van [eiseres] zijn meegewogen. Wel blijkt uit de e-mailwisseling daarna dat de Gemeente de afwijzing heeft toegelicht en heeft meegenomen dat met het weghalen van (een deel van) het hek tussen de percelen [adres 2] en [adres 1] , de uitweg van [adres 2] kan worden gebruikt. Die uitweg ligt tegen de kadastrale grens tussen [adres 1] en [adres 2] B. De Gemeente heeft dus in ieder geval nagedacht over de gevolgen en alternatieven voor [eiseres] . Op de zitting heeft [eiseres] geschetst dat het de bedoeling is om op het perceel [adres 2] een service/tankstation te maken. Daarvoor zijn een aparte inrit en uitrit noodzakelijk. De huidige uitweg van [adres 1] via [adres 2] wordt dan alleen nog een uitrit en kan dus niet worden gebruikt als inrit door [adres 1] . Dit is echter niet de bestaande situatie. Op die aanvraag is namelijk nog niet positief beslist. De noodzakelijke toestemming voor een inrit voor [adres 2] is er ook nog niet. Hierbij geldt verder nog het volgende. De beperking van de gebruiksmogelijkheden van [adres 2] als [adres 1] via [adres 2] een uitweg moet houden, is onvoldoende om te oordelen dat de gemeente een eigen uitweg voor [adres 1] niet had mogen weigeren. Op dit moment heeft [adres 1] ook via [adres 3] een uitweg.
Ten slotte is niet komen vast te staan dat de Gemeente het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden of zich schuldig maakt aan willekeur. De Gemeente heeft onweersproken toegelicht dat de uitwegen bij percelen aan de [adres 2] , [adres 4] en [adres 5] zijn aangelegd vóór 2006 en die aanvragen zijn beoordeeld op grond van het toen geldende beleid. Voor de uitweg bij [adres 6] is onder het huidige beleid toestemming gegeven omdat daar sprake was van een grotere afstand tussen de bomen. Er hoefde daarom geen boom te worden gekapt voor die uitweg.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande mag de Gemeente het verzoek om een eigen uitweg voor perceel [adres 1] weigeren. De gevraagde verklaring voor recht en de veroordeling om alsnog de vereiste privaatrechtelijke toestemming te verlenen kunnen dus niet worden toegewezen. Ook de aanspraak [eiseres] op buitengerechtelijke kosten van € 925,- moet daarom worden afgewezen.
De proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.108,00
(2 punten × € 554,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.292,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 4.292,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.