RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12237067 \ MC EXPL 26-2719
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen,
tegen
[gedaagde] , (voorheen) h.o.d.n. [handelsnaam],
in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord, mondeling gegeven op de rolzitting van 27 mei 2026,- de conclusie van repliek,- de schriftelijke reactie daarop van [gedaagde] , aan te merken als conclusie van dupliek.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] heeft automaterialen gekocht en geleverd gekregen van [eiseres] . De facturen die [eiseres] daarvoor stuurde heeft [gedaagde] deels niet betaald. [eiseres] vordert nu de restantbetaling van € 6.800,69, plus rente. Dat bedrag is inclusief verschenen rente en incassokosten, en verminderd met de betalingen van [gedaagde] . [gedaagde] is het daarmee niet eens. Volgens hem voldeden enkele geleverde onderdelen niet en is op die onderdelen sprake van garantie. De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe.
3. De beoordeling
[gedaagde] moet de geleverde automaterialen betalen
[gedaagde] ontkent niet dat hij de automaterialen op de facturen die [eiseres] in deze procedure vordert, heeft ontvangen. Ook is hij het blijkbaar niet oneens met de in rekening gebrachte prijzen van de automaterialen op de facturen. De vordering van [eiseres] en de betalingsplicht staat daarmee voor de hoofdsom (alle facturen bij elkaar € 7.212,06) vast.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] aanvoert dat zijn betalingsplicht verminderd kan worden omdat hij onderdelen en schades met de facturen zou kunnen verrekenen. Op zichzelf is dat mogelijk, maar die verrekening moet dan wel volstrekt duidelijk zijn. Dat heeft [gedaagde] onvoldoende aangetoond. Ten eerste is [gedaagde] bij zijn antwoord onvoldoende concreet. [gedaagde] zegt daar alleen dat ‘sommige onderdelen’ niet goed waren en waarop garantie zou zitten. [eiseres] zou die niet willen terugbetalen omdat [gedaagde] eerst ‘de facturen’ zou moeten betalen. [gedaagde] zegt niet precies om welke onderdelen dat zou gaan, ook niet hoeveel hij dan zou kunnen verrekenen en verklaart ook niets over welke facturen dat zou gaan. Bij de reactie van [gedaagde] op de conclusie van repliek van [eiseres] wordt [gedaagde] wel iets concreter, en stelt [gedaagde] dat hij door levering van twee specifiek geleverde onderdelen gevolgschade heeft geleden. De onderdelen zouden niet geschikt zijn geweest, waarna [gedaagde] dezelfde onderdelen bij een andere leverancier moest bestellen, tegen hogere kosten. Maar daarop heeft [eiseres] niet meer kunnen reageren. [gedaagde] is met dat concretere verweer te laat, en de kantonrechter laat wat [gedaagde] daar stelt buiten beschouwing.
De kantonrechter kan dus niet vaststellen dat [gedaagde] iets kan verrekenen. Het verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet en de vordering wordt voor de hoofdsom toegewezen.
[gedaagde] moet nog € 6.800,69 betalen, plus rente
[eiseres] vordert € 971,05 aan verschenen rente tot 18 maart 2026, plus de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf die datum. Dat wordt als onweersproken toegewezen.
[eiseres] vordert € 735,60 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dat wordt toegewezen. [eiseres] heeft voldoende aangetoond dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht en het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de wettelijke staffel.
Omdat [gedaagde] ondertussen € 2.118,02 heeft betaald, resteert nog te betalen (€ 7.212,06 + € 971,05 + € 735,60 -/- € 2.118,02 =) € 6.800,69. Dat bedrag is het restant van de hoofdsom, omdat de betalingen van [gedaagde] eerst zien op de rente en incassokosten. Over het toe te wijzen bedrag moet [gedaagde] daarom nog de wettelijke handelsrente betalen, vanaf 18 maart 2026 tot de betaling.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,08
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.550,08
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.800,69, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.550,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door
mr. I.L. Rijnbout op 19 augustus 2026.
RW1368