RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11973694 \ UC EXPL 25-9196
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
Gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Incassonet B.V.,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. van Andel.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 november 2025,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek,- de akte van [eiseres] .
De kantonrechter heeft vervolgens beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiseres] heeft schoonmaakwerkzaamheden verricht in het kantoor van [gedaagde] aan de [adres 1] te [plaats] . Omdat de facturen voor deze werkzaamheden in de periode 1 juli tot en met 10 oktober 2024 niet zijn betaald, vordert [eiseres] in deze procedure betaling (na eisvermindering) van een bedrag van € 9.952,57, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [gedaagde] is de verkeerde partij gedagvaard en heeft [eiseres] het werk niet goed uitgevoerd, zodat zij niet hoeft te betalen. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de vordering van [eiseres] af.
3. De beoordeling
[eiseres] kan [gedaagde] niet aanspreken op betaling van de facturen
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten waarbij [eiseres] op basis van een vaste vergoeding schoonmaakt in het kantoor op de [adres 1] in [plaats] . Volgens [gedaagde] is niet zij, maar de moedermaatschappij ‘ [bedrijf 1] B.V.’ de contractspartij van [eiseres] en kan [gedaagde] daarom niet aangesproken worden om de facturen te betalen.
[gedaagde] verwijst naar de overeenkomst tussen [eiseres] en [bedrijf 1] B.V. In de aanhef van de overeenkomst staat dat deze is gesloten tussen [bedrijf 1] B.V. en [eiseres] B.V. Verder zijn in de overeenkomst - voor deze procedure relevant - de volgende bepalingen opgenomen:
‘ Artikel 1. De opdracht
De opdrachtnemer neemt op zich de uitvoering van het schoonmaakonderhoud in diverse panden te weten:
[bedrijf 2] B.V. gelegen aan [adres 2] te [plaats] - Startdatum 31-07-2009
[bedrijf 3] B.V. gelegen aan [adres 3] en [adres 4] te [plaats] - Startdatum 30-05-2013
[gedaagde] B.V. gelegen aan [adres 1] te [plaats] - Startdatum 30-05-2013
Artikel 8. Aanneemsom
De opdrachtgever zal de opdrachtnemer vaste vergoeding te betalen zoals bij gunning van de opdrachten afzonderlijk zijn omschreven.
Artikel 9. Betaling
Per locatie vindt telkens na één keer per maand facturering plaats in de vorm van ééntwaalfde deel van de in artikel 8 lid 1 bedoelde jaarvergoeding
Facturering zal vooraf plaatsvinden over de periode waarop de dienst is geleverd. De opdrachtgever zal de aangeboden facturen na ontvangst en goedkeuring daarna binnen 90 dagen voldoen. Bij gebreke van tijdige betaling zal de opdrachtgever over de periode van de vertraging rente, gelijk aan de wettelijke rente, verschuldigd zijn. Rente over rente is niet verschuldigd.’
Uit deze artikelen blijkt dat er per locatie (per dochtermaatschappij van [bedrijf 1] B.V.) een vaste vergoeding is afgesproken en dat er per locatie per maand een factuur wordt opgemaakt, die vervolgens door de opdrachtgever, [bedrijf 1] B.V. zal worden betaald. [gedaagde] voert aan dat het enkele feit dat verzocht is te factureren op naam van [gedaagde] niet met zich meebrengt dat er een wijziging is van contractspartij en dat [gedaagde] moet betalen. Er is ook geen contractsovername geweest volgens [gedaagde] . Volgens [eiseres] was het [bedrijf 1] B.V. zelf die uitdrukkelijk heeft verzocht om te facturen op naam van [gedaagde] en dat zij daarom aangesproken kan worden tot betaling. De tenaamstelling is volgens haar ook nooit eerder een punt van discussie geweest.
De kantonrechter concludeert dat [bedrijf 1] B.V. met [eiseres] een overeenkomst heeft gesloten om onder andere het kantoor van haar dochteronderneming [gedaagde] schoon te maken. Dit betekent dat [eiseres] alleen [bedrijf 1] B.V. als contractspartij kan aanspreken op betaling van de facturen die zijn gestuurd naar aanleiding van de schoonmaakwerkzaamheden die zijn verricht in het pand van [gedaagde] . Het enkele feit dat er is afgesproken dat de facturen op naam van [gedaagde] staan, maakt niet dat [gedaagde] ook in rechte aangesproken kan worden.
Het voorgaande betekent dat [eiseres] de verkeerde partij heeft gedagvaard en dat haar vordering zal worden afgewezen. Ook de gevorderde rente over de hoofdsom vanaf 1 juli 2025 en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 876,44 zullen worden afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten vergoeden
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.008,00.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
64510