RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12090877 \ MC EXPL 26-743
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met 5 producties;- de conclusie van antwoord;
- de akte van [eiseres] met aanvullende producties 6 tot en met 50;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[bedrijf] ( [bedrijf] ) heeft met [gedaagde] een arbeidsovereenkomst gesloten met ingang van 1 november 2023 voor de duur van 1 jaar, derhalve tot en met 31 oktober 2024 in de functie van [functie] . In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de overeenkomst van rechtswege eindigt zonder dat hiervoor enige opzeggingshandeling noodzakelijk is.
[gedaagde] heeft zich op 4 maart 2024 ziek gemeld.
Bij e-mail van de Arbo-arts Oudhof van 23 oktober 2024 is aan [gedaagde] medegedeeld: “Ik heb bevestiging ontvangen dat je contract eindigt eind oktober”.
[gedaagde] heeft zich voor juridisch advies gewend tot [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), die vervolgens op 18 november 2024 de opdrachtbevestiging en Algemene Voorwaarden heeft toegestuurd.
[gemachtigde] heeft op 3 december 2024 en 30 december 2024 haar declaraties aan [gedaagde] gestuurd, respectievelijk voor een bedrag van € 471,90 en € 1.698,84 incl. btw. Partijen hebben een betalingsregeling getroffen voor een bedrag van € 1.089,00 te betalen in drie maandelijkse termijnen van € 363,00. [gedaagde] heeft enkel een bedrag van € 363,00. De betalingsregeling is komen te vervallen.
3. De kern van de zaak
[eiseres] heeft voor [gedaagde] juridische werkzaamheden in een arbeidsgeschil verricht. Zij heeft hiervoor twee facturen gestuurd. [gedaagde] heeft deze facturen niet helemaal betaald. [eiseres] vordert in deze procedure het restantbedrag van € 1.807,74, met rente en kosten. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Zij vindt dat [eiseres] haar werk niet goed heeft gedaan en wil daarom niks meer betalen. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk. De kantonrechter is van oordeel dat [gemachtigde] een beroepsfout heeft gemaakt en is van oordeel dat enige betalingsverplichting van [gedaagde] zodanig in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat dat maatschappelijk onaanvaardbaar is. De vordering wordt daarom afgewezen. De kantonrechter legt dat hieronder uit.
4. De beoordeling
Aanzegplicht en voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
[gedaagde] heeft zich tot [gemachtigde] gewend voor advies over het aflopen van haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd per 1 november 2024. De vraag die ter beantwoording voorlag was in hoeverre de arbeidsovereenkomst bij [bedrijf] al dan niet (stilzwijgend) was verlengd.
Op grond van artikel 7:668 BW dient de werkgever de werknemer uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Indien de werkgever dit nalaat is de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand. In het onderhavig geval is in de arbeidsovereenkomst opgenomen dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt en dat opzegging daarvoor niet noodzakelijk is. Van (stilzwijgende) voortzetting van de arbeidsovereenkomst is in het onderhavige geval geen sprake; een mededeling terzake van de kant van de werkgever is ook niet gebleken. Dat [gedaagde] ten tijde van het aflopen van de arbeidsovereenkomst arbeidsongeschikt was maakt dat niet anders.
Correspondentie van en met [gemachtigde] (met onderstreping van de Kantonrechter)
[gemachtigde] heeft zich (echter ten onrechte) op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd stilzwijgend is voortgezet. Dit volgt uit de door [gemachtigde] hieronder geciteerde en gevoerde (e-mail) correspondentie.
Op 25 november 2024 (11:45 uur) schrijft [gemachtigde] aan het [bedrijf] het volgende:
“ Mevrouw [gedaagde] is in dienst bij het [bedrijf] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd sinds 1 november 2023, welke arbeidsovereenkomst op 1 november 2024 stilzwijgend is voortgezet .
Tot haar verbazing ontving mevrouw [gedaagde] van de HR-afdeling van het [bedrijf] een brief gedateerd 12 november 2023, welke brief zij pas op 20 november 2024 ontving, waarin het [bedrijf] haar meedeelde dat mevrouw [gedaagde] per 1 november 2024 uit dienst is vanwege het niet verlegen van haar tijdelijke arbeidsovereenkomst. Dit is echter niet het geval. Mevrouw [gedaagde] , die al sinds 4 maart 2024 arbeidsongeschikt is, heeft nooit aangegeven dat ze haar arbeidsovereenkomst niet wilde voortzetten. [bedrijf] heeft zelf ook nooit aan mevrouw [gedaagde] meegedeeld de arbeidsovereenkomst met haar niet te willen voortzetten. De arbeidsovereenkomst is op 1 november 2024 dus stilzwijgend voortgezet. Mevrouw [gedaagde] gaat er dan ook van uit dat de loonbetaling na 1 november 2024 zal worden voortgezet. Ik verzoek u vriendelijk uiterlijk 30 november a.s. aan mij te bevestigen dat het [bedrijf] aan haar verplichting tot doorbetaling van loon zal voldoen. Mevrouw [gedaagde] bevestigt hierbij van haar kant dat ze aan haar re-integratieverplichtingen zal voldoen”.
Op 25 november 2024 (15:38 uur) schrijft [gemachtigde] aan het [bedrijf] het volgende:
“Mevrouw [gedaagde] ontving vandaag de betaling van de transitievergoeding. Zoals ik u al meedeelde, is de arbeidsovereenkomst met het [bedrijf] niet beëindigd en is de transitievergoeding onverschuldigd betaald. Mevrouw [gedaagde] zal het bedrag hangende uw antwoord op mijn eerdere e-mail op een aparte rekening zetten”.
Op 28 november 2024 antwoordt [bedrijf] als volgt:
“Mevrouw [gedaagde] is met ingang van 1 november 2023 in dienst getreden bij de [bedrijf] . De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar. Conform artikel 2 van de arbeidsovereenkomst eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege zonder dat daar enige opzeggingshandeling voor noodzakelijk is.
Op 11 oktober 2024 heeft dr. [A] met uw cliënte gesproken en aangegeven dat haar tijdelijke arbeidsovereenkomst afloopt. Een feitelijke voortzetting heeft na de einddatum ook niet plaatsgevonden. Het standpunt van uw cliënte dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend zou zijn voortgezet volgen wij dan ook niet.
Wat er niet correct is verlopen is de aanzegging. Het telefoongesprek van 11 oktober jl. is niet schriftelijk aan uw cliënte bevestigd. Conform artikel 7:668 lid 3 BW heeft dat als gevolg dat wij aan uw cliënte een vergoeding verschuldigd zijn gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand. Dit bedrag zullen wij aan uw cliënte voldoen”.
Desondanks volhardt [gemachtigde] in haar standpunt en schrijft aan [gedaagde] op 29 november 2024:
“Zie hieronder. Ik denk dat je heel sterk staat en dat jouw dienstverband nog bestaat , maar je zal er waarschijnlijk voor moeten procederen. Laten we het er maandag over hebben”.
Op 2 december 2024 deelt [gemachtigde] aan [gedaagde] mede:
[B] belde mij vandaag om te vragen hoe ik de zaak tegen [bedrijf] inschat.
Zoals ik jullie tijdens onze Teams van 22 november jl. meedeelde, is jouw zaak geen doorsnee zaak. Had jij na 1 november 2024 doorgewerkt, dan was overduidelijk dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend was voortgezet voor dezelfde periode, overeenkomstig de wet.
Jij was echter ziek en dus niet aan het werk. Je hoorde noch voor noch na november iets van [bedrijf] . Pas ver in november ontving je een brief dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was beëindigd per 1 november.
Ik heb de casus voorgelegd aan een groep concollega's. Die zijn ook van mening dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet en dat het dus de moeite waard is hierover te procederen via de rechter .
Ik zal [bedrijf] eerst nog een e-mail sturen en ze een laatste kans geven om als nog te erkennen dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet. Erkennen ze niet dan ga ik namens jou dagvaarden om doorbetaling van loon te vorderen, wellicht zelfs in een kort geding, dan heb je het snelste resultaat. Ik zal [bedrijf] voorts zeggen dat je de transitievergoeding en de aanzegvergoeding zal terugbetalen en vragen op welke rekening deze bedragen kunnen worden terugbetaald.
Op 5 december 2024 schrijft [gemachtigde] [bedrijf] nogmaals aan:
“Juist is dat mevrouw [gedaagde] een arbeidsovereenkomst heeft voor bepaalde tijd van een jaar die per 1 november jl. van rechtswege zou zijn geëindigd, ware het niet dat de arbeidsovereenkomst voor dezelfde tijd op dezelfde voorwaarden is voortgezet en [bedrijf] de aanzegverplichting niet is nagekomen, zie artikel 7:668 lid 4 sub a BW.
Op 11 oktober 2024 heeft dr. [A] met mevrouw [gedaagde] gesproken en slechts gevraagd hoe het met haar ging en wat haar wensen waren ten aanzien van de arbeidsovereenkomst na 1 november 2024. Mevrouw [gedaagde] gaf aan daar niet over nagedacht te hebben, waarop mevrouw [A] aangaf intern na te zullen
vragen wat de bedoeling was. Nadien heeft mevrouw [gedaagde] niets meer van het [bedrijf] vernomen, totdat zij op 20 november jl. de brief gedateerd 12 november jl. ontving.
Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden (vraag van [bedrijf] wat mevrouw [gedaagde] zelf wilde (mevrouw [gedaagde] kon kiezen), mevrouw [gedaagde] die op dat moment geen antwoord kon geven op die vraag vanwege haar arbeidsongeschiktheid, geen aanzegging van [bedrijf] , het laten doorlopen van de arbeidsovereenkomst en de te late mededeling dat de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd) is de arbeidsovereenkomst voortgezet voor dezelfde tijd en eindigt dat arbeidsovereenkomst met mevrouw [gedaagde] derhalve pas per 1 november 2026 ”.
Verder wordt aanspraak gemakt op doorbetaling van het loon.
Nadat [bedrijf] [gemachtigde] er nogmaals op heeft gewezen dat voor stilzwijgende voortzetting is vereist dat na het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk is voortgezet, blijft [gemachtigde] volharden in haar standpunt. Zij schrijft op 6 december 2024:
“ Dat volgt uit het feit dat uit niets is gebleken dat [bedrijf] de arbeidsovereenkomst per 1 november 2024 niet heeft voortgezet, ook niet uit het laatste gesprek met mevrouw [gedaagde] op 11 oktober jl. Zonder enig bericht, mededeling of handeling van [bedrijf] waaruit mevrouw [gedaagde] had kunnen opmaken dat haar arbeidsovereenkomst niet is voortgezet, is de arbeidsovereenkomst na 1 november 2024 voortgezet voor dezelfde duur”.
Op 9 december 2024 deelt [bedrijf] dat het standpunt juridisch onhoudbaar is en verwijst daarvoor naar een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 2 februari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:981).
Op 10 december 2024 schrijft [gemachtigde] aan [gedaagde] onder meer het volgende:
“De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 2 februari 2024 is niet zo gunstig voor [gedaagde] ”.
“Ik heb niet alle arbostukken, alleen de laatste correspondentie tussen Covades en [gedaagde] . Daarin schrijft [C] aan [gedaagde] dat ze heeft vernomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Dat is juist niet zo gunstig voor [gedaagde] .
Overigens heeft de werkgever tot het einde van de arbeidsovereenkomst een re-integratieplicht. Dus dat het [bedrijf] tot datum einde dienstverband re-integratieactiviteiten heeft ondernomen is logisch.
Ik had gedacht dat het feit dat de werkgever niets onderneemt, wijst op stilzwijgende voortzetting. Dat de rechtbank Rotterdam er anders over denkt en vindt dat er feiten en omstandigheden moeten zijn waaruit geconcludeerd kan worden dat de arbeidsovereenkomst na 31 oktober 2024 is voortgezet, verbaast me eerlijk gezegd (ik was zelf nog niet op rechtspraak-onderzoek uitgegaan.)”
Tot slot schrijft [gemachtigde] op 18 december 2024 aan [gedaagde] het volgende:
“ Ik geef jullie alvast mee dat ik twee aanknopingspunten heb gevonden die pleiten voor het standpunt van [gedaagde] dat haar arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet :
-hoewel er in de wetsgeschiedenis niet wordt gerept over hoe het zit met stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst in het geval van een volledig arbeidsongeschikte werknemer, volt uit de wetsgeschiedenis heel duidelijk dat artikel 7:668 lid 4 BW (die gaat over die stilzwijgende voortzetting) bedoeld is om de werknemer te beschermen. Als [gedaagde] in de situatie waarin zij is beland ongelijk zou krijgen, dan is dat in strijd met de geest en de bedoeling van dit wetsartikel.
-de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 februari 2024, gaat over de situatie dat een werknemer, vlak voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigde, in kort geding doorbetaling van het volledige salaris vorderde. In dit kort geding, dat dus over wat anders ging dan stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, heeft het rechter schriftelijk vastgesteld dat partijen het erover eens waren dat de arbeidsovereenkomst met de werknemer in kwestie per 20 september 2024 van rechtswege eindigde (zie bijlage). Er was dus expliciet een uitspraak over gedaan door werkgever en werknemer.
In de zaak van [gedaagde] is er helemaal niets gezegd over beëindiging van de arbeidsovereenkomst, althans niet door de werkgever. Ze mocht er dus van uitgaan dat de arbeidsovereenkomst is voortgezet. Op basis van het bovenstaande, alsook mijn eigen overtuiging dat [gedaagde] gelijk heeft, zou ik het wel aandurven om in kort geding doorbetaling van salaris te vorderen als [gedaagde] het ook aan kan en aan wil.
Voor nu zou ik voor de zekerheid de aanzegvergoeding veilig willen stellen.”
Uiteindelijk laat [gedaagde] niets meer van zich horen totdat [gemachtigde] aanspraak op betalingen van haar facturen maakt. [gedaagde] reageert en maakt bezwaar tegen betaling van de facturen:
“12-11-2024 hebben wij met u een gesprek gehad over de zaak betreffende mijn partner
en haar dienstverband bij het [bedrijf] . Tijdens dit gesprek heeft u
aangegeven dat het een sterke zaak betrof, een inschatting die u tevens had voorgelegd
aan drie collega-advocaten, die eveneens tot dezelfde conclusie kwamen (eigenzegge).
Op basis van deze informatie en gezien de tijdsdruk, hebben wij u verzocht om namens
ons een email op te stellen.
Wij waren dan ook zeer verrast dat u, na contact met de tegenpartij, plotseling aangaf
dat de zaak niet langer sterk zou zijn vanwege door het [bedrijf]
aangeleverde jurisprudentie ((zoals blijkt uit uw e-mail van 10 december 2024). Dit roept
bij ons ernstige twijfels op over de aanvankelijke inschatting van de zaak en de wijze
waarop deze door u is behandeld. Een enkele mail van de werkgever kan geen volledig
juridisch sterke zaak ondermijnen. Dit duidt erop dat er mogelijk geen gedegen
juridische analyse vooraf is gemaakt en dat wij in een onjuiste verwachting zijn
geplaatst”.
“Gezien het bovenstaande ga ik ervan uit dat er sprake is van een misverstand of foutieve
facturatie. Ik verwacht dat u de facturatie herziet.”
Partijen treffen uiteindelijk een betalingsregeling, die is komen te vervallen.
De verdere beoordeling
De overeenkomst die partijen hebben gesloten, kwalificeert als een overeenkomst van opdracht tussen een handelaar ( [eiseres] ) en een consument ( [gedaagde] ). Op grond van artikel 7:401 BW is de opdrachtnemer gehouden bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. De zorgvuldigheidsplicht van een advocaat brengt met zich dat de client in staat wordt gesteld goed geïnformeerd te beslissen. Dit betekent dat de advocaat moet waarschuwen voor een bepaald risico over de haalbaarheid van de zaak. Dat heeft [gemachtigde] onvoldoende gedaan (Ik denk dat je heel sterk staat en dat jouw dienstverband nog bestaat). Mr [gemachtigde] heeft [gedaagde] onjuist geadviseerd en daar ook nadat zij daar door [bedrijf] op is gewezen volhardt in haar standpunt. Eenvoudig onderzoek naar de vraag in hoeverre de arbeidsovereenkomst stilzwijgend zou zijn voortgezet had niet tot een andere conclusie kunnen leiden dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake van was (zie overweging 4.2). Niet is gebleken dat [gemachtigde] gedegen onderzoek heeft gedaan. Zij heeft zich onder meer kennelijk laten leiden door informatie in de wandelgangen van drie collega advocaten (Ik heb de casus voorgelegd aan een groep concollega's). [gemachtigde] stelt in haar e-mail van 26 februari 2025 dat zij de eerste 1,5 uur heeft besteed aan haar eerste e-mail aan [bedrijf] inclusief het checken van literatuur over dit onderwerp, maar welke literatuur dat dan betreft die haar standpunt rechtvaardigt blijft onduidelijk. Uit de urenverantwoording van [gemachtigde] volgt verder dat zij eerst pas op 10 december 2024 jurisprudentie onderzoek heeft verricht, kennelijk pas naar aanleiding van de verwijzing daarnaar door [bedrijf] . Dat schrijft ze zelf ook nog in haar e-mail van 10 december 2024 aan [gedaagde] (ik was zelf nog niet op rechtspraak-onderzoek uitgegaan.) Desondanks blijft [gemachtigde] (ten onrechte) mogelijkheden zien om voortzetting van de arbeidsovereenkomst in een procedure af te dwingen (Ik geef jullie alvast mee dat ik twee aanknopingspunten heb gevonden die pleiten voor het standpunt van [gedaagde] dat haar arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet). Ook ter zitting is [gemachtigde] niet tot het inzicht gekomen dat haar advies onjuist is geweest. Zij verklaart dat zij zich in verband met de kosten haar onderzoek heeft beperkt aan de hand van handboeken en haar intervisiegroep. Zij verklaart verder ter zitting: “Ik denk nog steeds dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet”.
[gedaagde] , zo begrijpt de kantonrechter, stelt zich op het standpunt dat [gemachtigde] toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van opdracht door haar onjuist te adviseren. De kantonrechter stelt voorop dat de enkele stelling dat sprake is van wanprestatie, [gedaagde] niet zonder meer ontslaat van haar betalingsverplichting. Om bevrijd te kunnen worden van haar betalingsverplichting had [gedaagde] de overeenkomst in of buiten rechte geheel of gedeeltelijk moeten ontbinden. Dat heeft zij niet gedaan. Toch leidt dit niet tot een betalingsverplichting van [gedaagde] voor het restant van de facturen. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [gedaagde] verder dat zij het in strijd met de redelijkheid en billijkheid en maatschappelijk onaanvaardbaar acht dat zij moet betalen voor een evident onjuist gekozen juridische insteek van [gemachtigde] . Dat standpunt treft doel. Van een advocaat die als beroepsbeoefenaar optreedt, tegenover de partij als opdrachtgever, mag worden verwacht dat die de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend beroepsgenoot/vakgenoot mag worden verwacht. In art. 6:248 lid 2 BW komt een algemeen beginsel tot uitdrukking – zie ook art. 6:2 lid 2 BW – dat ertoe strekt dat iets wat als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt, rechtens niet gehonoreerd kan worden. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter sprake. Het zou ook onbegrijpelijk zijn wanneer een rechtspretentie, hoewel als onaanvaardbaar te kwalificeren, toch gehonoreerd zou moeten worden. De conclusie is dat de vordering van [gemachtigde] moet worden afgewezen.
Proceskosten
[eiseres] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. Omdat [gedaagde] zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde heeft zij recht op reis- en verletkosten. De kantonrechter begroot die kosten op € 50,00. Dit bedrag is gebaseerd op de aanwezigheid bij de zitting.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 50,00;
verklaart dit vonnis onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.