ECLI:NL:RBMNE:2026:6031

ECLI:NL:RBMNE:2026:6031

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 30-08-2026
Zaaknummer C/16/612849 / KG ZA 26-342
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Kort geding. Aanbesteding voor treinvervangend vervoer. Geen sprake van (fundamentele) gebreken, beoordeling in lijn met vooraf gecommuniceerde systematiek en sprake van een deugdelijke gunningsbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/612849 / KG ZA 26-342

Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,

eisende partij,

advocaten: mr. M.G.G. van Nisselroij en mr. E.LB. Geraedts,

tegen

NS REIZIGERS B.V.,

gevestigd in Utrecht,

gedaagde partij,

advocaten: mr. P.F.C. Heemskerk en mr. J.M.E. Yilmaz,

met als tussenkomende partij

[derde belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,

tussenkomende partij,

advocaten: mr. J.W.A. Meesters en mr. I. Boukhedmi.

Partijen zullen hierna [eiseres] , NS en [derde belanghebbende] worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 juni 2026, met bijlagen;- de conclusie van antwoord, met bijlagen;

- de akte eiswijziging aan de zijde van [eiseres] ;

- de incidentele conclusie houdende vordering tot tussenkomst subsidiair voeging ex artikel 217 Rv;

- de akte houdende overlegging producties aan de zijde van NS, met bijlage; - de pleitnota van [eiseres] ;- de pleitnota van NS; en

- de pleitnota van [derde belanghebbende] .

De mondelinge behandeling is gehouden op 22 juli 2026. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eiseres] de heer [A] , directeur van [eiseres] , bijgestaan door mr. Van Nisselroij en mr. Geraedts aanwezig. Namens NS was de

heer [B] , [functie] bij NS, samen met mr. Heemskerk en mr. Yilmaz aanwezig. Eveneens waren bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer [C] , directeur van [derde belanghebbende] , samen met mr. Meesters en mr. Boukhedmi. Door en namens partijen zijn de standpunten, mede aan de hand van spreekaantekeningen, verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Daarna volgt dit vonnis.

2. De kern

NS heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure volgens de

onderhandelingsprocedure met aankondiging georganiseerd met als doel het sluiten van een raamovereenkomst voor het inzetten van en regie voeren over gepland en ongepland treinvervangend vervoer (de Opdracht). NS wenst met de aanbesteding een raamovereenkomst te sluiten met één opdrachtnemer voor een initiële periode van vijf jaren, met een mogelijke verlenging van maximaal drie jaren (de Raamovereenkomst). [eiseres] kan zich niet verenigen met de gunningsbeslissing omdat zij meent dat NS een

gunningssystematiek heeft gehanteerd die niet leidt tot gunning aan de inschrijver met de

economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding.

Daarnaast kan [eiseres] zich niet vinden in de wijze waarop de beoordeling op

subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen en de aan haar toegekende scores op

subgunningscriteria K2 en K3. Omdat wordt geoordeeld dat de beoordeling van de inschrijving van [eiseres] zorgvuldig en in overeenstemming met de vooraf bekendgemaakte aanbestedingsstukken tot stand is gekomen zijn haar bezwaren ongegrond. Om die reden worden de vorderingen van [eiseres] afgewezen, zoals hierna in dit vonnis zal worden toegelicht.

3. De achtergrond

De onder 2 genoemde aanbestedingsprocedure kende twee fases: een selectiefase waarvoor NS een selectieleidraad (de Selectieleidraad) had opgesteld en een gunningsfase waarvoor NS een gunningsleidraad (de Gunningsleidraad) had opgesteld.

In de selectiefase heeft een selectie plaatsgevonden van de aanmeldingen op basis van onder meer de vormvereisten, uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen. Na het doorlopen van de selectiefase zijn partijen al dan niet uitgenodigd om een inschrijving in te dienen en werd een begin gemaakt van de gunningsfase.

In de gunningsfase zijn de (initiële) inschrijvingen beoordeeld op de gestelde uitvoeringseisen en aan de hand van de gunningscriteria, waarna de onderhandelingen - ook wel het BAFO-gesprek genoemd - hebben plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is een vast aantal verbeterpunten besproken. Naderhand heeft iedere inschrijver de verbeterpunten ten aanzien van (sub)subgunningscriteria schriftelijk ontvangen. Dit betrof een selectie van de belangrijkste punten met het oog op de doelstelling van de Opdracht. Na het BAFO-gesprek zijn de inschrijvers in de gelegenheid gesteld om een hernieuwde en definitieve inschrijving in te dienen; het zogenoemde best and final offer (de BAFO). De BAFO is vervolgens opnieuw integraal beoordeeld op basis van de gestelde gunningscriteria.

In de Gunningsleidraad waren tevens uitvoeringseisen opgenomen. Eén van deze uitvoeringseisen betrof dat iedere inschrijver een algemeen implementatieplan diende op te stellen waarin werd beschreven welke implementatiewerkzaamheden een inschrijver zou verrichten om ervoor te zorgen dat de diensten tijdig bij aanvang van de Opdracht volledig zouden worden uitgevoerd in overeenstemming met het Programma van Eisen (het Algemene Implementatieplan).

Het Algemene Implementatieplan werd vervolgens door een zelfstandig beoordelingsteam integraal beoordeeld aan de hand van de onderstaande scoretabel, zoals opgenomen in paragraaf 4.1.6 van de Gunningsleidraad:

“Onvoldoende: Het Implementatieplan bevat niet alle gevraagde aspecten en/of met de wijze van beantwoording geeft Inschrijver het beoordelingsteam onvoldoende vertrouwen dat Inschrijver de Diensten vanaf 1 januari 2027 volledig kan uitvoeren in overeenstemming met het Programma van Eisen.

Voldoende: De beantwoording bevat alle in het Plan van Aanpak gevraagde aspecten en

met de beantwoording geeft Inschrijver het beoordelingsteam voldoende

vertrouwen dat Inschrijver de Diensten vanaf 1 januari 2027 volledig kan

uitvoeren in overeenstemming met het Programma van Eisen.”

Wanneer het Algemene Implementatieplan door het beoordelingsteam als 'onvoldoende' werd beoordeeld, werd de inschrijver de gelegenheid geboden om dit implementatieplan in de BAFO na verbeteringen opnieuw in te dienen. Wanneer na verbetering van het Algemene Implementatieplan opnieuw een 'onvoldoende' werd toegekend, zou de inschrijver volgens paragaaf 4.1.5 van de Gunningsleidraad worden uitgesloten van verdere beoordeling in de Aanbestedingsprocedure.

In hoofdstuk 5 van de Gunningsleidraad is opgenomen dat de Opdracht werd gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De inschrijving met de hoogste totale score na de BAFO kwam als eerste voor gunning van de Opdracht in aanmerking. In dat kader hanteerde NS een tweetal gunningscriteria, te weten: “prijs” en “kwaliteit”. Het subgunningscriterium “prijs” bestond uit twee prijselementen, te weten “tarieven uitvoering dienstverlening” en “tarieven IT”. Het gunningscriterium “kwaliteit” viel uiteen in een drietal subgunningscriteria: K1 IT & Data, K2 Samenwerking en K3 Efficiënte businzet. De subgunningscriteria K1 en K2 bestaan op hun beurt weer uit diverse subsubgunningscriteria.

Uit paragraaf 8.1.1 van de Gunningsleidraad volgt dat NS per sub(sub)gunningscriterium een beoordelingsteam heeft samengesteld, bestaande uit door NS aangewezen medewerkers en/of derden, die ter zake kundig zijn. Voor het onderhavige geschil zijn subgunningscriteria K2 en K3 relevant, zodat deze hierna verder worden toegelicht.

NS heeft in totaal zes inschrijvingen op de aanbesteding ontvangen, waaronder de

inschrijving van [eiseres] . De uitkomst van de beoordeling heeft NS aan alle inschrijvers

kenbaar gemaakt bij gunningsvoornemen van 22 mei 2026 (het Gunningsvoornemen),

waaruit volgde dat [derde belanghebbende] de economisch meest voordelige inschrijving had gedaan en daarmee winnaar van de aanbesteding was. Na beoordeling van de inschrijving van [eiseres] is deze als tweede geëindigd en heeft NS het voornemen om met [eiseres] een zogenaamde wachtkamerovereenkomst te sluiten voor de duur van 18 maanden zoals opgenomen in de Gunningsleidraad.

Standpunt en vordering van [eiseres]

[eiseres] is het – kort gezegd – niet eens met het Gunningsvoornemen. [eiseres] meent dat het Gunningsvoornemen in meerdere opzichten niet juist is en dat NS bij de onderhavige aanbesteding het gelijkheids- en transparantiebeginsel heeft geschonden. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat er onder meer sprake is van diverse fundamentele gebreken die moeten leiden tot het stopzetten van de aanbesteding.

Gezien het voorgaande vordert [eiseres] na wijziging van eis – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, NS veroordeelt:

Primair

te verbieden op basis van haar Gunningsvoornemen tot gunning van de Opdracht over te gaan;

te gebieden het Gunningsvoornemen in te trekken;

te gebieden, indien zij de Opdracht nog wenst te vergeven, over te gaan tot een heraanbesteding van de Opdracht;

Subsidiair

4. te gebieden het Gunningsvoornemen in te trekken en, indien NS de Opdracht nog wil vergeven, over te gaan tot een herbeoordeling van de inschrijving van [eiseres] ;

Meer subsidiair

5. te gebieden iedere andere maatregel te treffen in goede justitie te bepalen;

Primair, subsidiair en meer subsidiair

6. tot betaling van een dwangsom van € 100.000,- per overtreding van elk gebod en verbod;

7. tot betaling van de proces- en nakosten met rente.

Standpunt en verweer van NS

NS stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de beoordeling van de inschrijving van [eiseres] zorgvuldig en conform de vooraf in de aanbestedingsstukken gecommuniceerde systematiek tot stand is gekomen. De door [eiseres] ingenomen stelling inhoudende dat NS zou hebben gehandeld in strijd met de Gunningsleidraad en de nota van inlichtingen treft daarom volgens NS geen doel. Van fundamentele gebreken in de aanbestedingsprocedure is geen sprake. NS concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .

Standpunt van [derde belanghebbende]

In aanvulling op het verweer van NS heeft [derde belanghebbende] nog het volgende naar voren gebracht. In het kader subgunningscriterium K2 hanteert [eiseres] een te beperkte lezing van de rol van de daarbij aanwezige gedragspsycholoog van [deskundige] . De lezing van [eiseres] op dit punt vindt volgens haar geen steun in de aanbestedingstukken. Volgens [derde belanghebbende] is de aanbestedingsdocumentatie voor iedere normaal oplettende, redelijk geïnformeerde inschrijver voldoende duidelijk en heeft NS de vooraf bekendgemaakte kaders bij de concrete beoordeling van de inschrijvingen correct toegepast. Van onduidelijke of voor meerderlei uitleg vatbare aanbestedingstukken is volgens [derde belanghebbende] dus geen sprake.

4. De beoordeling

Geen proceskostenveroordeling in het incident tot tussenkomst

[derde belanghebbende] heeft gevorderd te mogen tussenkomen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het incident. [eiseres] en NS hebben zich niet verweerd tegen de vorderingen in het incident. Het verzoek tot tussenkomst is ter zitting toegewezen. Er is nog niet beslist op het verzoek [eiseres] te veroordelen in de kosten van het incident. Omdat [eiseres] en NS geen inhoudelijk verweer hebben gevoerd in het incident en een vordering tot tussenkomst dan wel voeging standaard zijn in aanbestedingszaken, zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd: iedere partij draagt haar eigen kosten.

In de hoofdzaak

Spoedeisend belang

Omdat NS voornemens is de Opdracht aan [derde belanghebbende] te gunnen en er tevens sprake is van een vervaltermijn voor het entameren van een juridische procedure, zoals is opgenomen in het Gunningsvoornemen, heeft [eiseres] een voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorlopige voorzieningen.

De te beantwoorden vragen en opbouw van dit vonnis

In deze procedure spelen drie (hoofd)vragen:

de eerste vraag is of er sprake is van een (fundamenteel) gebrek in de aanbestedingsprocedure met betrekking tot gunning van de Opdracht op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding en de BAFO-gesprekken;

indien de eerste vraagt ontkennend wordt beantwoord betreft de tweede vraag of de beoordeling van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen in lijn met het voorgeschreven beoordelingskader, zoals opgenomen in de Gunningsleidraad;

indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord betreft de derde vraag of bij de beoordeling van subsubgunningscriterium K2 en K3 sprake is van evidente procedurele en/of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden die meebrengen dat de gunningsbeslissing op dit onderdeel niet deugt.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vragen hierna.

1. Is er sprake van een (fundamenteel) gebrek in de aanbestedingsprocedure met betrekking tot gunning van de Opdracht op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding en de BAFO-gesprekken?

Fundamenteel gebrek - toetsingskader

[eiseres] stelt – primair – dat de gunningssystematiek (fundamenteel) gebrekkig is, omdat deze niet zou leiden tot gunning van de Opdracht aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding terwijl dit in hoofdstuk 5 van de Gunningsleidraad wel is voorgeschreven. In dat kader stelt [eiseres] tevens dat de onderhandelingen dan wel het BAFO-gesprek niet transparant is verlopen wat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is, hetgeen volgens [eiseres] eveneens tot een fundamenteel gebrek in de aanbesteding leidt dat met zich meebrengt dat tot een heraanbesteding moet worden overgegaan.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat van een fundamenteel gebrek in een aanbestedingsprocedure sprake is wanneer er een ernstige en onherstelbare fout in de procedure dan wel in de aanbestedingsstukken voorkomt, zoals bijvoorbeeld een onduidelijke gunningssystematiek of het hanteren van verkeerde formules. Dit druist in tegen de basisbeginselen van het aanbestedingsrecht (te weten het transparantie- en gelijkheidsbeginsel) en kan niet (meer) worden hersteld, waardoor de aanbesteding moet worden ingetrokken.

Geen sprake van een fundamenteel gebrek

Van een dergelijk fundamenteel gebrek dat heraanbesteding tot gevolg zou moeten hebben is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake, zoals hierna wordt toegelicht.

Gunning op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding

[eiseres] stelt dat niet op basis van beste prijs/kwaliteitverhouding wordt gegund,

terwijl dat wel het door NS gehanteerde toepasselijke gunningscriterium is. Hoewel uit de vooraf in paragraaf 5.1 van de Gunningsleidraad bekendgemaakte weging (kwaliteit 650 punten en prijs 350 punten) blijkt dat kwaliteit voor NS zwaarder weegt dan prijs, stelt [eiseres] dat onder de streep de prijs toch de doorslaggevende factor is. Reden hiervoor zou zijn dat een relatief gering verschil in prijs met [derde belanghebbende] leidt tot een veel groter verschil in punten tussen haar en [derde belanghebbende] . Volgens [eiseres] klopt daardoor de verhouding prijs/kwaliteit van 350/650 niet waardoor de gunningssystematiek niet tot gunning aan de inschrijving met de beste prijs-kwaliteitverhouding leidt.

In de aanbestedingsstukken is vooraf bekendgemaakt hoe de inschrijvingen op prijs

en kwaliteit werden beoordeeld. De formule waarmee de prijs werd beoordeeld, is opgenomen in paragraaf 5.3 van de Gunningsleidraad en luidt:

Bij die formule is in de Gunningsleidraad de volgende toelichting opgenomen:

“De Inschrijving met de laagste prijs krijgt de maximale score van 350 punten. De logfactor is 1,2. Dit betekent dat een inschrijfprijs die (meer dan) 20% hoger is dan de laagste prijs 0 punten scoort. Het is niet mogelijk een negatieve score te ontvangen op dit onderdeel: de laagste score is 0 punten. Scores worden afgerond op 1 decimaal achter de komma.”

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt hieruit dat NS waarde hecht aan een scherpe prijs: indien de prijs van de inschrijving namelijk 20% of hoger is dan de laagste prijs, dan krijgt die inschrijving voor prijs 0 punten. Uit het kwadratische karakter van de formule kan eveneens worden afgeleid dat kleine prijsverschillen resulteren in grote verschillen in score. Hoe groter het prijsverschil, hoe sneller het aantal punten voor prijs daalt. Met andere woorden: inschrijvers zijn door NS uitgedaagd om zo scherp mogelijk in te schrijven en op voorhand is duidelijk dat inschrijvers veel punten kunnen verliezen indien hun prijs minder scherp is dan die van de concurrent.

In dit kader is tevens van belang dat NS tevens op voorhand duidelijk is geweest over de weging van de verschillende tarieven die samen resulteren in de fictieve totaalprijs. In de instructies bij het prijzenblad heeft NS immers helder uiteengezet wat van inschrijvers werd verwacht. Daaruit volgde dat de opgegeven tarieven voor de uitvoering van de dienstverlening werden vermenigvuldigd met een fictieve waarde (Tarieven 'uitvoering dienstverlening') dan wel een fictief gewicht (Tarieven 'IT'). Uit deze fictieve waarden en gewichten kon worden afgeleid dat NS verhoudingsgewijs veel gewicht toekende aan de IT-component. De fictieve totaalprijs voor IT, op basis van de aangeboden tarieven

vermenigvuldigd met de fictieve gewichten, woog zwaar mee in de totaalprijs van de

inschrijving. En daarmee dus ook in de uiteindelijke prijsscore.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het een aanbestedende dienst vrij staat om zelf te bepalen welke accenten hij in zijn beoordelingssystematiek legt en welk gewicht hij aan de verschillende gunningscriteria toekent, zolang deze systematiek maar vooraf kenbaar is gemaakt en het op basis daarvan mogelijk is om op deugdelijke wijze de rechtmatige winnaar van de aanbesteding te bepalen. Dat is hier het geval. De gehanteerde weging was - zoals hiervoor aan de orde is gekomen - er bewust op gericht inschrijvers te stimuleren zo scherp mogelijk in te schrijven. Een dergelijke keuze staat NS vrij. Bovendien volgt uit het voorgaande niet dat de uitwerking van deze beoordelingssystematiek niet overeen komt met het in de Gunningsleidraad beschreven uitgangspunt dat wordt gegund op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding conform het daaraan gegeven gewicht in de verhouding prijs/kwaliteit. Ondanks dat NS beoogt te bewerkstelligen dat inschrijvers met een zo scherp mogelijke prijs inschrijven weegt kwaliteit immers nog steeds zwaarder dan het prijscomponent. Van ondermijning van dit uitgangspunt in de gehanteerde beoordelingssystematiek dat maakt dat (potentiële) inschrijvers (onbedoeld) op het verkeerde been zouden kunnen zijn gezet is niet gebleken. [eiseres] heeft bovendien ook niet verder onderbouwd dat er daadwerkelijk sprake is van een fundamenteel gebrek. De enkele door haar ingenomen stelling dat een relatief gering verschil in prijs leidt tot een veel groter verschil in punten is gezien hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende.

[eiseres] heeft voorts gesteld dat er sprake is van een “inconsistentie” in de prijsbeoordeling omdat de in de beoordeling gehanteerde fictieve prijs een andere prijs is dan de werkelijke maximale waarde van de aanbesteding. Deze stelling kan eveneens niet slagen. Ook op dit punt geldt immers dat de wijze van prijsvergelijking op voorhand duidelijk in de aanbestedingsstukken was vastgelegd waarbij NS ervoor heeft gekozen om de prijsbeoordeling te baseren op een fictieve inschrijfprijs. Dat dit fictieve volume afwijkt van de werkelijkheid, is inherent aan het werken met een fictief prijzenblad en daarmee een logische en vooraf kenbare consequentie van die keuze. Elke inschrijver werd op basis van datzelfde fictieve volume beoordeeld, zodat de vergelijkbaarheid tussen de inschrijvingen

gewaarborgd bleef. Daarmee heeft NS tevens het door [eiseres] ter zitting aangedragen argument ontkracht dat zij als niet zittende leverancier niet bekend was met het werkelijke volume van de Opdracht en daardoor niet met een reële prijs kon inschrijven. Van het ontbreken van een gelijkwaardig beoordelingskader en daarmee een level playing field is dus geen sprake. Integendeel, het hanteren van fictieve prijzen stimuleert juist de gelijkwaardigheid tussen partijen omdat bij het hanteren van deze systematiek kennis van de werkelijke omzet en volumes niet nodig is.

Beoordeling na BAFO-gesprek

Het door [eiseres] ingenomen standpunt dat de onderhandelingen dan wel het BAFO-gesprek niet transparant is verlopen en daarmee strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, hetgeen een fundamenteel gebrek in de aanbesteding is dat met zich

brengt dat NS de aanbesteding moet afbreken, kan eveneens niet slagen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiseres] met betrekking tot de BAFO ingenomen standpunten berusten op een onjuiste uitleg van het doel en de ratio van de onderhandelingsfase in een aanbestedingsprocedure. De onderhandelingsfase heeft immers als doel dat de aanbesteder daardoor definitieve aanbiedingen ontvangt die beter aansluiten op hetgeen hij nodig heeft en de inschrijver krijgt de kans om zijn inschrijving op dat punt gericht te verbeteren. Voor de inschrijver is het een belangrijk voordeel om de onderhandelingsfase te doorlopen en de daar ontvangen feedback te gebruiken in zijn finale inschrijving. Het doel van een onderhandelingsfase is nadrukkelijk niet om alle verbeterpunten te benoemen en om alle inschrijvingen op exact hetzelfde niveau te brengen. Uitgangspunt is dat er tussen inschrijvingen inherente verschillen zijn en dat brengt ook inherente kwaliteitsverschillen met zich mee. In dat kader zou het benoemen van alle verbeterpunten en het gericht aangeven wat er allemaal nog moet gebeuren om tot een maximale kwaliteitsscore te komen, juist onverenigbaar zijn met de aanbestedingsrechtelijke beginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel. Inschrijvers met een kwalitatief minder goede initiële inschrijving zouden daardoor immers worden bevoordeeld en bovendien zou op voorhand ieder onderscheidend vermogen uit de BAFO’s worden gehaald, terwijl een onderhandelingsfase de concurrentie juist beoogt te stimuleren. NS heeft om die reden ervoor gekozen om in de BAFO-gesprekken aan iedere inschrijver een gelijk aantal verbeterpunten mee te geven. Hoewel dit geen vereiste is, geeft NS er hierdoor wel blijk van dat zij zich bewust was van haar verplichting om objectief en kansgelijk te handelen en in dit stadium geen inschrijver te bevoor- of benadelen. Voornoemde verbeterpunten betrof een selectie van voor NS belangrijkste punten met het oog op de doelstelling van de Opdracht en daarmee nadrukkelijk geen uitputtende opsomming. Na verbetering van de meegegeven punten bestond daarom geen garantie op een positieve(re) score hetgeen door NS ook vooraf in de Gunningsleidraad was opgenomen, zodat dit voor iedere normaal oplettende, redelijk geïnformeerde inschrijver voldoende duidelijk kon zijn.

[eiseres] stelt dat onduidelijk is op welke punten NS de andere

inschrijvers wel of niet heeft gewezen en welke kansen NS hen daarmee heeft

geboden om middels hun BAFO een verbeterde inschrijving te doen. Zoals hiervoor aan de orde is gekomen is iedere inschrijving anders en iedere inschrijver biedt daarmee andere meerwaarde aan. Het is dan ook inherent aan een onderhandelingsprocedure dat feedback wordt toegespitst op de individuele inschrijving van iedere inschrijver. Daar komt bij dat, zoals tevens hiervoor is uiteengezet, het ging om een gelijk aantal verbeterpunten die een selectie waren van de voor NS belangrijkste punten met het oog op de doelstelling van de Opdracht. Gelet op doel en strekking van BAFO in de onderhandelingsfase en het gelijke aantal verbeterpunten dat NS aan de inschrijvers heeft meegegeven, vereisen het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel niet dat NS openheid van zaken moet geven zoals door [eiseres] bepleit.

De conclusie luidt dan ook dat de omstandigheid dat [eiseres] niet op ieder onderdeel feedback heeft ontvangen waarop zij naderhand bij beoordeling van haar BAFO een lagere score heeft behaald niet strijdig is met het toepasselijke transparantie- en gelijkheidsbeginsel. Evenmin brengen die beginselen met zich dat NS openheid van zaken had moeten geven over de verbeterpunten die NS in het kader van de onderhandelingsfase aan de andere inschrijvers heeft meegegeven. Van een fundamenteel gebrek in de procedure dat tot heraanbesteding moet leiden is daarom geen sprake.

Grossmann-verweer

Nu is geoordeeld dat van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure dat een heraanbesteding tot gevolg zou moeten hebben geen sprake is behoeven de door partijen ingenomen stellingen met betrekking tot het feit of [eiseres] haar recht om op dit onderdeel te klagen heeft verwerkt op basis van de leer uit het Grossmann-arrest geen verdere bespreking meer.

2. Is de beoordeling van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen in lijn met het voorgeschreven beoordelingskader uit de Gunningsleidraad?

Omdat hiervoor bij de beoordeling van hoofdvraag 1 is geoordeeld dat er geen sprake is van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure moet vervolgens de vraag worden beantwoord of de wijze van beoordelen door NS van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen conform het in de Gunningsleidraad opgenomen beoordelingskader. [eiseres] betwist dat dat het geval is.

Toetsingskader

Bij de beoordeling van dit onderdeel staat voorop dat de aan het aanbestedingsrecht ten grondslag liggende beginselen van transparantie en gelijke behandeling - vastgelegd in de artikelen 1.8 en 1.9 van de Aanbestedingswet (Aw) - vereisen dat voor betrokkenen de (procedurele) verplichtingen en eisen duidelijk zijn, en zij er zeker van kunnen zijn dat deze verplichtingen voor alle inschrijvers gelden, zodat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Hierbij dient de aanbestedende dienst nauwgezet de door haar vastgestelde criteria in acht te nemen. Voor de uitleg van aanbestedingsstukken geldt als toetsingskader dat die dient plaats te vinden aan de hand van de zogenaamde CAO-norm. Deze norm houdt in dat een bepaling naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van die bepaling en de overige aanbestedingsstukken, van doorslaggevende betekenis zijn, met dien verstande dat het daarbij aankomt op wat de normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver daaruit mocht begrijpen.

Het niet hanteren of afwijken van het voorgeschreven beoordelingskader in een aanbesteding leidt tot schending van het voormeld transparantie- en gelijkheidsbeginsel. Dit heeft een ongeldige gunningsbeslissing tot gevolg, waardoor de aanbestedende dienst de beslissing moet intrekken en de inschrijvingen opnieuw moet beoordelen of in een uiterst geval de opdracht moet heraanbesteden.

Systematiek van subgunningscriterium K2 Samenwerken

Vooropgesteld wordt dat met betrekking tot subgunningscriterium K2 Samenwerken in paragaaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad is opgenomen dat het van belang is dat een leverancier kan fungeren als een succesvolle samenwerkingspartner voor NS. Of, en in hoeverre, een inschrijver inderdaad een samenwerkingspartner kan zijn wordt door NS getoetst door het afnemen van een drietal interviews op de verschillende samenwerkingsniveaus: (i) voorbereiding, (ii) uitvoering en (iii) management.

De ervaringen en reflecties van de inschrijver uit/op eerdere samenwerkingen die tijdens de interviews worden besproken, zijn gekoppeld aan een zestal competenties, te weten: (1) proactief handelen, (2) klantgericht optreden, (3) samenwerken, (4) kwaliteitsgerichtheid, (5) flexibiliteit, en (6) transparantie. Voor elk samenwerkingsniveau heeft één interview plaatsgevonden van maximaal 1,5 uur, waarin alle zes competenties aan bod kwamen.

De interviews zijn aan de hand van de STARR-methodiek afgenomen. Over de STARR-methodiek is in de Gunningsleidraad het volgende opgenomen:

“De interviews worden STARR-gericht ingestoken. Dit betekent dat competenties gestructureerd worden uitgevraagd op basis van ervaringen die inschrijver in het verleden heeft opgedaan. STARR staat voor Situatie, Taak, Actie, Resultaat en Reflectie. Dit betekent dat per situatie wordt uitgevraagd wat iemands taak en verantwoordelijkheid was, welke acties en maatregelen zijn getroffen, wat deze acties en maatregelen hebben opgeleverd en hoe men op deze situatie terugkrijgt. (terugkijkt). Een gedragspsycholoog treedt tijdens deze interviews op als gespreksleider en medebeoordelaar om te waarborgen dat eenzelfde interviewmethodiek en vraagstelling gelijkwaardig per interview wordt toegepast.”

Voor wat betreft de inhoud van de interviews per onderdeel, volgt uit paragraaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad:

“Voorbereiden en plannen

Dit interview heeft betrekking op de voorbereidende werkzaamheden voor geplande

buitendienststellingen, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van het Programma van Eisen “voorbereiden en plannen”. Namens NS zullen 2 vertegenwoordigers het interview afnemen. Deze vertegenwoordigers hebben binnen NS een rol in deze voorbereiding van de buitendienststellingen.

(…)

Uitvoering regiecentrale

Dit interview heeft betrekking op de uitvoering van processen tussen NS Regievoerder Klantbegeleiding en Regiecentrale zoals beschreven in hoofdstuk 5 van het Programma van Eisen. Dit betreft calamiteiten en/of bijsturing van de lopende Geplande buitendienststelling(en). Namens NS zullen hiervoor 2 vertegenwoordigers het interview afnemen. Deze vertegenwoordigers hebben binnen de NS een rol in de uitvoering en/of bijsturing van de buitendienststellingen.

(…)

Management

Dit interview heeft betrekking op de tactische en/of strategische vraagstukken welke

kunnen gaan over de KPI's, escalaties, samenwerking en het behalen van gezamenlijke doelstellingen. Namens NS zullen hiervoor 2 vertegenwoordigers het interview afnemen. Deze vertegenwoordigers hebben binnen NS een rol in het tactisch/strategische overleg tijdens de uitvoering van de overeenkomst

(…)”

Het subgunningscriterium K2 is door het zelfstandige beoordelingsteam – bestaande uit twee vertegenwoordigers van NS en de gedragspsycholoog (van [deskundige] ) – beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader zoals opgenomen onder paragraaf 5.4.4 van de Gunningsleidraad.

Na de interviews heeft de gedragspsycholoog van [deskundige] ten behoeve van subgunningscriterium K2 aan de hand van de onder 4.22 genoemde zes competenties een rapport opgesteld, waarnaar in het Gunningsvoornemen wordt verwezen. De beoordeling van het subgunningscriterium K2 is vervolgens conform paragraaf 8.1.3 van de Gunningsleidraad als volgt tot stand gekomen. Elk lid van het beoordelingsteam heeft eerst zelfstandig een score toegekend per competentie en per interview, waarbij vooraf vastgestelde gedragsaspecten als leidraad dienden. Deze individuele scores zijn vervolgens in een gezamenlijke sessie, onder leiding van de gedragspsycholoog van [deskundige] met elkaar vergeleken en besproken. Tijdens deze sessie is per inschrijver, per competentie en per interview tot een gezamenlijke consensusscore gekomen.

De wijze van beoordelen van subgunningscriterium K2

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de beoordeling van subgunningscriterium K2 niet tot stand is gekomen in lijn met het hiervoor beschreven beoordelingskader, zoals opgenomen in de Gunningsleidraad. Daartoe voert [eiseres] aan dat de gedragspsycholoog van [deskundige] een onjuiste rol zou hebben aangenomen tijdens de interviews door zelf het volledige Management-interview af te nemen in plaats van de medewerkers van NS.

De gedragspsycholoog als gespreksleider

Zoals opgenomen in paragraaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad en geciteerd onder 4.23 was het de taak van de gedragspsycholoog van [deskundige] als gespreksbegeleider om de interviews af te nemen volgens de STARR-methodiek, nu een gedragspsycholoog daarin kundig is.

De STARR-methodiek vereist dat competenties gestructureerd worden uitgevraagd op basis van concrete ervaringen uit het verleden. Een deskundig gespreksbegeleider is daarbij noodzakelijk om te waarborgen dat deze methodiek bij alle interviews op gelijkwaardige wijze wordt toegepast. Het voorgaande voorkomt willekeur en zorgt ervoor dat iedere inschrijver op dezelfde wijze de gelegenheid krijgt om de gevraagde competenties aan te tonen, waarbij het aan de inschrijver is om ervoor te zorgen dat alle “STARR-elementen” aan bod komen.

NS heeft gemotiveerd weersproken dat de gedragspsycholoog in het interview op het onderdeel “management” een dominante rol heeft aangenomen en daarmee het interview zou hebben “overgenomen”. De in dat verband door de gedragspsycholoog gestelde vragen hadden enkel betrekking op de competenties. De verdiepende (vervolg)vragen die NS heeft gesteld hadden betrekking op de inhoud van de Opdracht. Dit is in lijn met de STARR-methodiek en ook met hetgeen door NS is beschreven in de Gunningsleidraad, zoals hiervoor is opgenomen onder 4.22 en 4.23. Immers de rol van de gedragspsycholoog zag op toezien van een juiste toepassing van de STARR-methode, waarbij de medewerkers van NS de inhoudelijke vragen voor hun rekening namen. Van een afwijking van het voorgeschreven beoordelingskader op dit punt is niet gebleken. Ook uit andere feiten en omstandigheden volgt niet dat er van een dergelijke afwijking sprake is. Gezien het voorgaande is een heraanbesteding of herbeoordeling op dit onderdeel daarom niet gerechtvaardigd.

3. Is er bij de beoordeling van subgunningscriterium K2 en K3 sprake is van een situatie die maakt dat de gunningsbeslissing op die onderdelen niet deugt?

Omdat hiervoor bij de beoordeling van hoofdvraag 2 is geoordeeld dat de wijze van beoordelen door NS van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen conform het in de Gunningsleidraad vooraf bekendgemaakte beoordelingskader moet vervolgens als derde en laatste hoofdvraag worden beantwoord of bij de beoordeling van subgunningscriterium K2 en K3 sprake is van omstandigheden die meebrengen dat de gunningsbeslissing op die onderdelen niet deugt.

Toetsingskader

De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling tot uitgangspunt dat aan de deskundigen/beoordelaars van de aanbestedende dienst een ruime beoordelingsvrijheid wordt gegund als het gaat om de beoordeling aan de hand van kwalitatieve criteria, zolang de aanbestedende dienst maar transparant handelt en de inschrijvers gelijk behandelt. Deze verplichtingen, die voortvloeien uit de artikelen 1.8 en 1.9 Aw, brengen mee dat (i) het voor inschrijvers duidelijk moet zijn wat van hen wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem moeten worden beoordeeld, en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk moet worden gemotiveerd dat de afgewezen inschrijvers kunnen toetsen op welke wijze de beoordeling heeft plaatsgevonden. Dat brengt met zich dat de voorzieningenrechter een beperkte toetsingsvrijheid heeft wanneer het aankomt op de beoordeling van (de toepassing van) kwalitatieve criteria. Voor ingrijpen is slechts plaats in geval van kennelijke procedurele of inhoudelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden die kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt. Het gaat dus om een vrij marginale toetsing.

De beoordelingssystematiek voor subgunningscriterium K2

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van dit onderdeel voorop dat de hiervoor onder 4.21 e.v. beschreven beoordelingssystematiek uit de Gunningsleidraad duidelijk is en potentiële inschrijvers daarmee weten wat er van hen verwacht wordt. Tevens biedt dit beoordelingskader de mogelijkheid om de inschrijvingen aan de hand van een objectief systeem te beoordelen en de gunningsbeslissing inzichtelijk te motiveren op een wijze dat het voor de afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. NS kan immers aan de hand van de vooraf kenbaar gemaakte beoordelingscriteria en beoordelingsproces uitleggen hoe de uiteindelijke consensusscore tot stand is gekomen.

Het beoordelingskader voor subgunningscriterium K2, zoals opgenomen in paragraaf 5.4.4. van de Gunningsleidraad, vereist voor het toekennen van een 'voldoende' op dit onderdeel dat (i) er ten dele helder en concreet antwoord wordt gegeven op de gestelde vragen, dat (ii) door de wijze van beantwoorden de inschrijver aannemelijk maakt dat zij beschikt over de uitgevraagde competentie en voor deze competentie zowel positieve als negatieve gedragsaspecten vertoont en dat (iii) met de wijze van beantwoording de inschrijver het beoordelingsteam voldoende heeft overtuigd dat zij door middel van deze competentie als succesvolle samenwerkingspartner voor NS kan fungeren.

Een score 'onvoldoende' wordt toegekend indien (i) er ten dele helder en concreet antwoord wordt gegeven op de gestelde vragen, (ii) door de wijze van beantwoorden de inschrijver beperkt aantoont dat zij beschikt over de uitgevraagde competentie en voor deze competentie overwegend negatieve gedragsaspecten vertoont en (iii) met de wijze van beantwoording de inschrijver het beoordelingsteam onvoldoende heeft overtuigd dat zij door middel van deze competentie als succesvolle samenwerkingspartner voor NS kan fungeren.

Beoordeling van het kwalitatieve subgunningscriterium K2

Van belang is dat het voor dit onderdeel centraal staande kwalitatieve subgunningscriterium K2 als zodanig duidelijk is. [eiseres] stelt ook niet dat dit criterium op zichzelf genomen onduidelijk is maar dat de beoordeling onvoldoende is gemotiveerd, niet transparant en daarmee oncontroleerbaar is. [eiseres] stelt voorts dat de motivering in het rapport van [deskundige] niet concreet is en niet aangeeft op welke wijze het interview is beoordeeld.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de Gunningsleidraad volgt dat inschrijvers met een concrete, realistische en heldere aanpak aantoonbare meerwaarde konden bieden en daarmee het beoordelingsteam moesten overtuigen dat de doelstellingen zouden worden behaald. De terugkoppeling in het rapport van [deskundige] sluit rechtstreeks aan op deze beoordelingselementen, evenals op de onderdelen van de STARR-methodiek zoals toegelicht in paragraaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad. Dit volgt ook uit hetgeen is opgenomen op pagina 7 van het [deskundige] -rapport, zoals dat door [eiseres] zelf is aangehaald. Daarin staat dat [eiseres] moeite had om concreet en helder het samenwerkingsgedrag te beschrijven, dat antwoorden algemeen bleven op cultuur- en gevoelsniveau, zonder zichtbare gedragingen rondom afstemming, gezamenlijke besluitvorming en conflicthantering. [eiseres] heeft in dat verband gesteld dat haar medewerkers beperkt getraind zijn op het geven van STARR-interviews en dat de terugkoppeling eerder blijk geeft van een “afrekening” op het getoonde gedrag van medewerkers van [eiseres] in plaats van een “afrekening” op de inhoud en de deskundigheid. Dit door [eiseres] ingenomen standpunt kan niet slagen. De terugkoppeling in het [deskundige] -rapport ziet immers niet op de persoonlijke vaardigheden of het trainingsniveau van de medewerkers van [eiseres] , maar op de inhoud van de gegeven antwoorden. De beoordeling richt zich op de vraag of de inschrijver door middel van concrete voorbeelden heeft aangetoond te beschikken over de gevraagde competenties. De terugkoppeling correspondeert rechtstreeks met de elementen van de STARR-methodiek. De constatering dat antwoorden ‘algemeen’ bleven duidt erop dat de Situatie onvoldoende concreet is geschetst, de constatering dat antwoorden op 'cultuur- en gevoelsniveau' bleven duidt erop dat de Taak en Actie niet specifiek zijn benoemd, en de constatering dat 'zichtbare gedragingen' ontbraken duidt erop dat het Resultaat niet concreet is gemaakt en de Reflectie onvoldoende is uitgewerkt. Dit zijn inhoudelijke constateringen over de kwaliteit van de gegeven antwoorden, niet een oordeel over de personen die deze antwoorden hebben gegeven. Het feit dat medewerkers van [eiseres] kennelijk beperkt zijn getraind in het geven van STARR-interviews laat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onverlet dat de gegeven antwoorden kennelijk inhoudelijk niet aan de gestelde eisen voldeden, zoals door NS is gemotiveerd.

[eiseres] heeft verder gesteld dat zij tijdens het interview op het onderdeel “management” 12 voorbeelden moest verstrekken bij 12 verschillende opdrachtgevers. Dit zou volgens [eiseres] tot een niet transparante beoordeling leiden, omdat niet controleerbaar is of andere inschrijvers eveneens 12 unieke voorbeelden moesten geven. Deze stelling kan eveneens niet slagen omdat conform de vooraf bekende STARR-methode heeft te gelden dat wanneer een voorbeeld onvoldoende aansloot bij de competentie die op dat moment werd getoetst het NS vrijstond om te vragen naar een ander voorbeeld dat de betreffende competentie beter illustreerde. Een dergelijke handelswijze is daarmee in lijn met de vooraf door NS bekend gemaakte beoordelingssystematiek. Van een procedurele of inhoudelijke onjuistheid is niet gebleken.

[eiseres] stelt verder dat de transcripties van de interviews bij de

gunningsbeslissing ontbraken en dat de gunningsbeslissing daarmee oncontroleerbaar zou zijn. Bovendien zou de aan [eiseres] toegekende score op het onderdeel K2 in het [deskundige] -rapport verschillen van de score die op dit onderdeel was opgenomen in het Gunningsvoornemen, waardoor er volgens [eiseres] sprake is van een motiveringsgebrek.

In dit kader overweegt de voorzieningenrechter dat de aanbestedende dienst op grond van artikel 2.130 lid 1 Aw (dat via artikel 3.75 Aw ook van toepassing is op speciale sector opdrachten) bij de mededeling van de gunningsbeslissing de relevante redenen voor die beslissing dient mede te delen. In het tweede lid van voornoemd artikel is vervolgens omschreven wat in ieder geval wordt verstaan onder relevante redenen. Dit zijn de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijving en de naam van de winnende inschrijver(s). De MvT bij artikel 6 Wira (oud), de voorloper van artikel 2.130 Aw, geeft aan dat de precieze invulling van het begrip relevante redenen afhangt van de omstandigheden. Daarbij gelden volgens de MvT wel de volgende uitgangspunten:

verplichte bekendmaking van de eindscores zowel van de afgewezen inschrijver als van de geselecteerde ondernemer. Het gaat hier om de totale eindscores op prijs en kwaliteit;

de scores van de afgewezen inschrijver op specifieke kenmerken (i.e. de subgunningscriteria), en de reden waarom op dat specifieke kenmerk eventueel niet de maximale score is toegekend;

verduidelijking van de toepassing van de gehanteerde criteria bij gunning volgens het criterium economisch meest voordelige inschrijving.

Voor het overige wordt de invulling van het criterium overgelaten aan de rechtspraak. Uit de jurisprudentie volgt (in navolging van de MvT) dat wat onder de ‘relevante redenen’ moet worden volstaan, sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.

Door middel van haar Gunningsvoornemen heeft NS aan [eiseres] gemotiveerd hoe de gunningsbeslissing tot stand is gekomen. Voor het subgunningscriterium K2 wordt daarin bovendien voor een nadere motivering verwezen naar het rapport van [deskundige] met bijbehorende bijlagen. Daarmee heeft NS [eiseres] voldoende inzicht en informatie verschaft hoe zij tot haar beoordeling is gekomen. De voorzieningenrechter overweegt dat het op grond van artikel 2.130 lid 1 Aw bij het benoemen van de in de gunningsbeslissing relevante redenen, niet nodig is dat NS om te voldoen aan haar motiveringsplicht nadere (interne) stukken overlegd zodat een inschrijver zelf kan beoordelen of de aanbestedende dienst de beoordeling op juiste wijze heeft uitgevoerd. De motiveringsplicht van een aanbestedende dienst gaat immers niet zo ver dat de aanbestedende dienst inzicht moet verschaffen in (interne) aantekeningen om, een niet uitgekozen inschrijver de gelegenheid te geven te controleren of de aanbestedende dienst conform de voorgeschreven beoordelingssystematiek te werk is gegaan. Dit kan immers worden afgeleid uit de gegeven motivering in de gunningsbeslissing, waarbij niet is gesteld of gebleken dat het Gunningsvoornemen op dit onderdeel niet deugt.

Daar komt bij dat NS in antwoord op vraag 169 in de NvI te kennen heeft gegeven dat de transcripties uitsluitend dienen als naslagwerk en als onderbouwing van de scores op subgunningscriterium K2 die ten grondslag liggen aan de gunning. Door in te schrijven is een inschrijver met dit voorschrift akkoord gegaan. De transcripties dienden dus enkel als hulpmiddel voor het beoordelingsteam, niet als document aan de hand waarvan een inschrijver achteraf zijn beoordeling kan verifiëren.

Omdat hiervoor is geconcludeerd dat het Gunningsvoornemen leidend is en NS gemotiveerd heeft weersproken dat de in het Gunningsvoornemen opgenomen scores de juiste zijn kan ook de door [eiseres] ingenomen stelling inhoudende dat er sprake is van een motiveringsgebrek omdat de scores tussen het [deskundige] -rapport en het Gunningsvoornemen van elkaar verschillen niet slagen. [eiseres] stelt verder dat in het [deskundige] -rapport ten onrechte geen toelichting is opgenomen op de scores van de winnaar. [eiseres] heeft echter hoger gescoord dan de winnaar ( [derde belanghebbende] ) op het onderdeel “interviews”, zodat niet gemotiveerd behoeft te worden waarom [derde belanghebbende] de

door haar behaalde score heeft behaald. Nu verder tevens niet is gebleken van andere procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt, is er geen grond om te oordelen dat de NS buiten haar beoordelingskader is getreden. De beoordeling van de inschrijving van [eiseres] op subgunningscriterium K2 doorstaat daarmee de door de voorzieningenrechter aan te leggen marginale toetsing.

Beoordeling van het kwalitatieve subgunningscriterium K3

Uit paragraaf 5.4.3 van de Gunningsleidraad volgt dat voor de uitvoering van de Opdracht NS tevens een leverancier zoekt die aantoonbaar het beste in staat is bij te dragen aan het realiseren van de meest efficiënte, robuuste en realistische busomlopen voor de toekomstige buitendienststellingen.

In het kader van de beoordeling van het voorgaande wordt bij subgunningscriterium K3 van iedere inschrijver gevraagd om een plan van aanpak op te stellen, waarin wordt omschreven hoe de inschrijver daaraan invulling geeft (Plan van Aanpak). In het Plan van Aanpak dienen inschrijvers in ieder geval aandacht te besteden aan (A) busomloop en chauffeursdiensten, (B) zero emissie touringcars en de laadstrategie, (C) een verkeersplan rondom buslocaties en begeleidend operationeel personeel en (D) tools en processen.

Het gunningscriterium K3 wordt door een zelfstandig beoordelingsteam – bestaande uit door NS aangewezen medewerkers en/of derden – beoordeeld aan de hand van het

beoordelingskader dat is opgenomen onder paragraaf 5.4.4 van de Gunningsleidraad. De score wordt door elk lid van het beoordelingsteam individueel bepaald. Vervolgens worden de individuele scores naast elkaar gelegd en besproken gedurende een gezamenlijke sessie onder begeleiding van een procesbegeleider. Hierin worden de scores per inschrijver in consensus bepaald.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat evenals als bij de beoordeling van het kwalitatieve subgunningscriterium K2 heeft te gelden dat de voormeld beschreven beoordelingssystematiek uit de Gunningsleidraad duidelijk is en potentiële inschrijvers daarmee weten wat er van hen verwacht wordt. Tevens biedt dit beoordelingskader de mogelijkheid om de inschrijvingen aan de hand van een objectief systeem te beoordelen en de gunningsbeslissing inzichtelijk te motiveren op een wijze die het voor de afgewezen inschrijver mogelijk maakt om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. NS kan immers aan de hand van de vooraf kenbaar gemaakte beoordelingscriteria en beoordelingsproces uitleggen hoe de uiteindelijke consensusscore tot stand is gekomen.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat subgunningscriterium K3 als zodanig ook niet onduidelijk is maar dat de beoordeling van haar inschrijving op dit subgunningscriterium onjuist is, omdat - kort gezegd - de door haar in het Plan van Aanpak beschreven planning niet inefficiënt is en aansluit bij de doelstellingen van NS, haar pauzemomenten voldoende concreet en inzichtelijk zijn, de keertijden voldoende robuust en realistisch zijn, het [eiseres] Ecosysteem voldoende is uitgewerkt, de omlopen realistisch zijn, één chauffeur niet gelijk staat aan één dienst, haar inschrijving niet uitgaat van één regiecoördinator, en de contactgegevens niet zouden ontbreken.

[eiseres] heeft in de kern genomen 10 afzonderlijke inhoudelijke bezwaren tegen de beoordeling van subgunningscriterium K3 aangevoerd. Daarmee vraagt zij feitelijk om een herbeoordeling van de reeds door NS uitgevoerde beoordeling. Zoals in het onder 4.32 beschreven toetsingskader is opgenomen geldt echter dat bij de beoordeling tot uitgangspunt wordt genomen dat aan de deskundigen/beoordelaars van de aanbestedende dienst een ruime beoordelingsvrijheid wordt gegund als het gaat om de beoordeling aan de hand van kwalitatieve criteria, zolang de aanbestedende dienst maar transparant handelt en de inschrijvers gelijk behandelt. Voor ingrijpen is slechts plaats in geval van kennelijke procedurele of inhoudelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden die kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt. Het gaat dus om een vrij marginale toetsing. Dat is ook logisch omdat van een rechter niet kan worden verlangd dat hij specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de Opdracht. Om die reden is het ook niet aan de rechter om op de stoel van de aanbestedende dienst te gaan zitten om vervolgens de beoordeling van die aanbestedende dienst over te doen hetgeen hier in feite wel door [eiseres] wordt gevraagd.

In plaats van het enkel aanvoeren van inhoudelijke bezwaren tegen het Gunningsvoornemen met betrekking tot het subgunningscriterium K3 had [eiseres] moeten stellen en bij betwisting voldoende aannemelijk moeten maken dat het Gunningsvoornemen niet in stand kan blijven doordat er op het onderdeel K3 sprake is van procedurele of inhoudelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden die meebrengen dat de gunningsbeslissing op dat onderdeel niet deugt.

Op grond van het voorgaande geldt dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een situatie waaruit blijkt dat het Gunningsvoornemen ten aanzien van subgunningscriterium K3 niet deugt en daarom niet in stand kan blijven, Het enkel aanvoeren van inhoudelijke bezwaren is in dat kader - zoals overwogen - onvoldoende. Er is dan ook geen aanleiding om afzonderlijk op deze door [eiseres] aangevoerde bezwaren in te gaan. Nu verder niet uit andere feiten of omstandigheden is gebleken dat er sprake is van procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing met betrekking tot het onderdeel K3 niet deugt, is er geen grond om te oordelen dat de NS buiten haar beoordelingskader is getreden. De beoordeling doorstaat daarmee de door de voorzieningenrechter aan te leggen marginale toetsing. De op dit punt ingenomen stellingen van [eiseres] kunnen daarom niet slagen.

Slotsom en proceskosten

Uit al hetgeen in dit vonnis is geoordeeld volgt dat de aanbestedingsprocedure geen (fundamentele) gebreken vertoont, de beoordeling van de inschrijving van [eiseres] conform de vooraf in de aanbestedingsstukken gecommuniceerde systematiek tot stand is gekomen en er niet van procedurele of inhoudelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden is gebleken die meebrengen dat het Gunningsvoornemen niet deugt. De vorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen.

Omdat NS er blijk van heeft gegeven nog altijd uitvoering te willen geven aan haar Gunningsvoornemen brengt voormelde beslissing mee dat [derde belanghebbende] geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. [derde belanghebbende] zal worden veroordeeld in de kosten van NS, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat NS als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks deze afwijzing moet [eiseres] in haar verhouding tot [derde belanghebbende] worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [derde belanghebbende] was tenslotte om te voorkomen dat het NS zou worden verboden om uitvoering te geven aan haar Gunningsvoornemen, welk doel is bereikt. [eiseres] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van [derde belanghebbende] . Verder zal [eiseres] , als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van NS. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van zowel NS als [derde belanghebbende] begroot op een bedrag van:

- griffierecht € 735,00

- salaris advocaat € 1.661,00

- nakosten € 178,00 (plus verhoging als in het dictum vermeld)

Totaal € 2.574,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt, als niet weersproken, toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

In het incident

compenseert de proceskosten tussen partijen;

In de hoofdzaak

Vorderingen [eiseres]

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van NS worden begroot op een bedrag van € 2.574,00 te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval betaling binnen deze termijn uitblijft en betekening van het vonnis plaatsvindt - te verhogen met een bedrag van € 92,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, inclusief nakosten, vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van [derde belanghebbende] worden begroot op een bedrag van € 2.574,00, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval voldoening binnen deze termijn uitblijft en betekening van het vonnis plaatsvindt - te verhogen met een bedrag van € 92,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, inclusief nakosten, vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

Vorderingen [derde belanghebbende]

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [derde belanghebbende] voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens NS in de kosten van NS, tot dusver begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, voorzieningenrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het in het openbaar uitgesproken door

mr. J.K.J. van den Boom op 19 augustus 2026.

type: BEv / 4998

coll:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand