RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/612891 / KG ZA 26-345
Vonnis in kort geding van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] N.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
advocaten: mr. A.J.F. de Jager en mr. V.M. IJzerman,
tegen
NS REIZIGERS B.V.,
gevestigd in Utrecht,
gedaagde partij,
advocaten: mr. P.F.C. Heemskerk en mr. J.M.E. Yilmaz,
met als tussenkomende partij
[derde belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
tussenkomende partij,
advocaten: mr. J.W.A. Meesters en mr. M. van ’t Hof.
Partijen zullen hierna [eiseres] , NS en [derde belanghebbende] worden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juni 2026, met bijlagen;- de conclusie van antwoord, met bijlagen;
- de akte overlegging producties en eiswijziging aan de zijde van [eiseres] , met bijlagen;
- de incidentele conclusie houdende vordering tot tussenkomst subsidiair voeging ex artikel 217 Rv;
- de akte houdende overlegging producties aan de zijde van NS, met bijlagen; - de pleitnota van [eiseres] ;- de pleitnota van NS; en
- de pleitnota van [derde belanghebbende] .
De mondelinge behandeling is gehouden op 22 juli 2026. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eiseres] de heer [A] , directeur van [eiseres] en
de heer [deskundige 1] , IT deskundige, bijgestaan door mr. De Jager en
mr. IJzerman aanwezig. Namens NS was de heer [B] , [functie] bij NS, samen met mr. Heemskerk en mr. Yilmaz aanwezig. Eveneens waren bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer [C] , directeur van [derde belanghebbende] , samen met
mr. Meesters en mr. Van ’t Hof. Door en namens partijen zijn de standpunten, mede aan de hand van spreekaantekeningen, verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Daarna volgt dit vonnis.
2. De kern
NS heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure volgens de
onderhandelingsprocedure met aankondiging georganiseerd met als doel het sluiten van een raamovereenkomst voor het inzetten van en regie voeren over gepland en ongepland treinvervangend vervoer (de Opdracht). NS wenst met de aanbesteding een raamovereenkomst te sluiten met één opdrachtnemer voor een initiële periode van vijf jaren, met een mogelijke verlenging van maximaal drie jaren (de Raamovereenkomst). [eiseres] kan zich niet verenigen met de gunningsbeslissing omdat zij meent dat de motivering van de score op subsubgunningscriterium K1.1 innerlijk tegenstrijdig is en dat de beoordeling van het subgunningscriterium K2 niet tot stand is gekomen volgens de in de
gunningsleidraad omschreven systematiek. Omdat wordt geoordeeld dat de beoordeling van de inschrijving van [eiseres] zorgvuldig en in overeenstemming met de vooraf bekendgemaakte aanbestedingsstukken tot stand is gekomen zijn haar bezwaren ongegrond. Om die reden worden de vorderingen van [eiseres] afgewezen, zoals hierna in dit vonnis zal worden toegelicht.
3. De achtergrond
De onder 2 genoemde aanbestedingsprocedure kende twee fases: een selectiefase waarvoor NS een selectieleidraad (de Selectieleidraad) had opgesteld en een gunningsfase waarvoor NS een gunningsleidraad (de Gunningsleidraad) had opgesteld.
In de selectiefase heeft een selectie plaatsgevonden van de aanmeldingen op basis van onder meer de vormvereisten, uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen. Na het doorlopen van de selectiefase zijn partijen al dan niet uitgenodigd om een inschrijving in te dienen en werd een begin gemaakt van de gunningsfase.
In de gunningsfase zijn de (initiële) inschrijvingen beoordeeld op de gestelde uitvoeringseisen en aan de hand van de gunningscriteria, waarna de onderhandelingen - ook wel het BAFO-gesprek genoemd - hebben plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is een vast aantal verbeterpunten besproken. Naderhand heeft iedere inschrijver de verbeterpunten ten aanzien van (sub)subgunningscriteria schriftelijk ontvangen. Dit betrof een selectie van de belangrijkste punten met het oog op de doelstelling van de Opdracht. Na het BAFO-gesprek zijn de inschrijvers in de gelegenheid gesteld om een hernieuwde en definitieve inschrijving in te dienen; het zogenoemde best and final offer (de BAFO). De BAFO is vervolgens opnieuw integraal beoordeeld op basis van de gestelde gunningscriteria.
In de Gunningsleidraad waren tevens uitvoeringseisen opgenomen. Eén van deze uitvoeringseisen betrof dat iedere inschrijver een algemeen implementatieplan diende op te stellen waarin werd beschreven welke implementatiewerkzaamheden een inschrijver zou verrichten om ervoor te zorgen dat de diensten tijdig bij aanvang van de Opdracht volledig zouden worden uitgevoerd in overeenstemming met het Programma van Eisen (het Algemene Implementatieplan).
Het Algemene Implementatieplan werd vervolgens door een zelfstandig beoordelingsteam integraal beoordeeld aan de hand van de onderstaande scoretabel, zoals opgenomen in paragraaf 4.1.6 van de Gunningsleidraad:
“Onvoldoende: Het Implementatieplan bevat niet alle gevraagde aspecten en/of met de wijze van beantwoording geeft Inschrijver het beoordelingsteam onvoldoende vertrouwen dat Inschrijver de Diensten vanaf 1 januari 2027 volledig kan uitvoeren in overeenstemming met het Programma van Eisen.
Voldoende: De beantwoording bevat alle in het Plan van Aanpak gevraagde aspecten en
met de beantwoording geeft Inschrijver het beoordelingsteam voldoende
vertrouwen dat Inschrijver de Diensten vanaf 1 januari 2027 volledig kan
uitvoeren in overeenstemming met het Programma van Eisen.”
Wanneer het Algemene Implementatieplan door het beoordelingsteam als 'onvoldoende' werd beoordeeld, werd de inschrijver de gelegenheid geboden om dit implementatieplan in de BAFO na verbeteringen opnieuw in te dienen. Wanneer na verbetering van het Algemene Implementatieplan opnieuw een 'onvoldoende' werd toegekend, zou de inschrijver volgens paragaaf 4.1.5 van de Gunningsleidraad worden uitgesloten van verdere beoordeling in de Aanbestedingsprocedure.
In hoofdstuk 5 van de Gunningsleidraad is opgenomen dat de Opdracht werd gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De inschrijving met de hoogste totale score na de BAFO kwam als eerste voor gunning van de Opdracht in aanmerking. In dat kader hanteerde NS een tweetal gunningscriteria, te weten: “prijs” en “kwaliteit”. Het subgunningscriterium “prijs” bestond uit twee prijselementen, te weten “tarieven uitvoering dienstverlening” en “tarieven IT”. Het gunningscriterium “kwaliteit” viel uiteen in een drietal subgunningscriteria: K1 IT & Data, K2 Samenwerking en K3 Efficiënte businzet. De subgunningscriteria K1 en K2 bestaan op hun beurt weer uit diverse subsubgunningscriteria.
Uit paragraaf 8.1.1 van de Gunningsleidraad volgt dat NS per sub(sub)gunningscriterium een beoordelingsteam heeft samengesteld, bestaande uit door NS aangewezen medewerkers en/of derden, die ter zake kundig zijn. Voor het onderhavige geschil zijn subsubgunningscriterium K1.1 en subgunningscriterium K2 relevant, zodat deze hierna verder worden toegelicht.
NS heeft in totaal zes inschrijvingen op de aanbesteding ontvangen, waaronder de
inschrijving van [eiseres] . De uitkomst van de beoordeling heeft NS aan alle inschrijvers
kenbaar gemaakt bij gunningsvoornemen van 22 mei 2026 (het Gunningsvoornemen),
waaruit volgde dat [derde belanghebbende] de economisch meest voordelige inschrijving had gedaan en daarmee winnaar van de aanbesteding was. Na beoordeling van de inschrijving van [eiseres] is deze door NS om een tweetal redenen terzijde gelegd. Ten eerste had [eiseres] een 'onvoldoende' behaald op het subsubgunningscriterium K1.1, hetgeen volgens de Gunningsleidraad een terzijdelegging van de inschrijving tot gevolg heeft. Ten tweede heeft [eiseres] op het subgunningscriterium K2 geen gemiddelde van 40% per interview behaald. Ook dit heeft volgens de Gunningsleidraad uitsluiting als gevolg. Omdat [eiseres] om voormelde redenen is uitgesloten van verdere deelname is de inschrijving van [eiseres] niet verder beoordeeld op het gunningscriterium “prijs”.
Standpunt en vordering van [eiseres]
[eiseres] is het – kort gezegd – niet eens met het Gunningsvoornemen. Zij meent dat de motivering van de score op subsubgunningscriterium K1.1 innerlijk tegenstrijdig is en dat de beoordeling van het subgunningscriterium K2 niet tot stand is gekomen volgens de in de Gunningsleidraad en Nota van Inlichtingen (NvI) omschreven systematiek. Zij stelt tevens met een lagere prijs dan de huidige winnaar te hebben ingeschreven, die door de in haar ogen onterechte uitsluiting verder niet in de beoordeling is genomen. Het voorgaande heeft [eiseres] ertoe gebracht om eerst per brief van 9 juni 2026 haar bezwaren aan NS nader toe te lichten en na een daarop afwijzende reactie van NS onderhavig kort geding aanhangig te maken.
Volgens [eiseres] raken voormelde bezwaren de kern van het toepasselijke transparantie- en gelijkheidsbeginsel waardoor het Gunningsvoornemen niet in stand kan blijven. Gezien het voorgaande vordert [eiseres] na wijziging van eis – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, NS veroordeelt:
Primair
te verbieden op basis van haar Gunningsvoornemen tot gunning van de Opdracht over te gaan;
te gebieden het Gunningsvoornemen in te trekken;
te gebieden, indien zij de Opdracht nog wenst te vergeven, over te gaan tot een heraanbesteding van de Opdracht;
Subsidiair
te gebieden het Gunningsvoornemen in te trekken en, indien NS de Opdracht nog wil vergeven, over te gaan tot een herbeoordeling door een nieuw te benoemen beoordelingscommissie van het subsubgunningscriterium K1.1 en subgunningscriterium K2, waar bij dit laatste onderdeel geen afgevaardigde van [deskundige 2] betrokken is;
Meer subsidiair
te gebieden tot afgifte van de transcripties (en eventuele andere verslaglegging)
van de drie afgenomen interviews, zodat inzichtelijk is op welke wijze de beoordeling tot stand is gekomen, en tot afgifte van de interviewleidraad, waaruit volgt welke concrete vragen zijn voorbereid door NS, althans iedere andere maatregel in goede justitie te bepalen;
Primair, subsidiair en meer subsidiair
tot betaling van een dwangsom van € 100.000,- per overtreding van elk gebod en verbod met een maximum van € 500.000,-;
tot betaling van de proces- en nakosten met rente.
Standpunt en verweer van NS
NS stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de beoordeling van de inschrijving van [eiseres] zorgvuldig en conform de vooraf in de aanbestedingsstukken gecommuniceerde systematiek tot stand is gekomen. De door [eiseres] ingenomen stelling inhoudende dat NS zou hebben gehandeld in strijd met de Gunningsleidraad en de nota van inlichtingen treft daarom volgens NS geen doel.
Volgens NS is de score van [eiseres] op subsubgunningscriterium K1.1 door haar deugdelijk gemotiveerd en is de kwalificatie “onvoldoende” die door [eiseres] op dit onderdeel is behaald in overeenstemming met het gehanteerde beoordelingskader. NS stelt zich verder op het standpunt dat de beoordeling van subgunningscriterium K2 is uitgevoerd door een beoordelingsteam waarvan de samenstelling overeenstemde met de aanbestedingsstukken, waarbij de in aanbestedingstukken beschreven gedragspsycholoog van [deskundige 2] conform de Gunningsleidraad is opgetreden als gespreksbegeleider en medebeoordelaar. De in het kader van subgunningscriterium K2 afgenomen interviews zijn uitgevoerd binnen de vooraf bekendgemaakte kaders en alle interviews zijn op een juiste wijze voor intern gebruik vastgelegd, aldus NS. NS concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .
Standpunt van [derde belanghebbende]
In aanvulling op het verweer van NS heeft [derde belanghebbende] nog het volgende naar voren gebracht. In het kader subgunningscriterium K2 hanteert [eiseres] een te beperkte lezing van de rol van de daarbij aanwezige gedragspsycholoog van [deskundige 2] . De lezing van [eiseres] op dit punt vindt volgens haar geen steun in de aanbestedingstukken. Volgens [derde belanghebbende] is de aanbestedingsdocumentatie voor iedere normaal oplettende, redelijk geïnformeerde inschrijver voldoende duidelijk en heeft NS de vooraf bekendgemaakte kaders bij de concrete beoordeling van de inschrijvingen correct toegepast. Van onduidelijke of voor meerderlei uitleg vatbare aanbestedingstukken is volgens [derde belanghebbende] dus geen sprake.
4. De beoordeling
Geen proceskostenveroordeling in het incident tot tussenkomst
[derde belanghebbende] heeft gevorderd te mogen tussenkomen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het incident. [eiseres] en NS hebben zich niet verweerd tegen de vorderingen in het incident. Het verzoek tot tussenkomst is ter zitting toegewezen. Er is nog niet beslist op het verzoek [eiseres] te veroordelen in de kosten van het incident. Omdat [eiseres] en NS geen inhoudelijk verweer hebben gevoerd in het incident en een vordering tot tussenkomst dan wel voeging standaard zijn in aanbestedingszaken, zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd: iedere partij draagt haar eigen kosten.
In de hoofdzaak
Spoedeisend belang
Omdat NS voornemens is de Opdracht aan [derde belanghebbende] te gunnen en er tevens sprake is van een vervaltermijn voor het entameren van een juridische procedure, zoals is opgenomen in het Gunningsvoornemen, heeft [eiseres] een voldoende spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorlopige voorzieningen.
De te beantwoorden vragen en opbouw van dit vonnis
In deze procedure spelen drie (hoofd)vragen:
de eerste vraag is of er sprake is van een (fundamenteel) gebrek in de aanbestedingsprocedure met betrekking tot de beoordelingssystematiek voor subgunningscriterium K2;
indien de eerste vraagt ontkennend wordt beantwoord betreft de tweede vraag of de beoordeling van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen in lijn met het voorgeschreven beoordelingskader, zoals opgenomen in de Gunningsleidraad;
indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord betreft de derde vraag of bij de beoordeling van subsubgunningscriterium K1.1 sprake is van evidente procedurele en/of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden die meebrengen dat de gunningsbeslissing op dit onderdeel niet deugt.
De voorzieningenrechter beantwoordt die vragen hierna.
1. Is er sprake van een (fundamenteel) gebrek in de aanbestedingsprocedure met betrekking tot de beoordelingssystematiek voor subgunningscriterium K2?
Fundamenteel gebrek - toetsingskader
[eiseres] stelt – primair – dat de beoordelingssystematiek voor subgunningscriterium K2 en de daarbij afgenomen interviews conform de STARR-methode op voorhand onvoldoende duidelijk waren en zij zich daarom onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op de interviews. Dit, in combinatie met het gewicht van subgunningscriterium K2 en de daarbij geldende knockout-drempel, maakt volgens [eiseres] dat er gebreken kleven aan de aanbestedingsprocedure die volgens haar zodanig fundamenteel van aard zijn dat dit dient te leiden tot heraanbesteding.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat van een fundamenteel gebrek in een aanbestedingsprocedure sprake is wanneer er een ernstige en onherstelbare fout in de procedure dan wel in de aanbestedingsstukken voorkomt, zoals bijvoorbeeld een onduidelijke gunningssystematiek of het hanteren van verkeerde formules. Dit druist in tegen de basisbeginselen van het aanbestedingsrecht (te weten het transparantie- en gelijkheidsbeginsel) en kan niet (meer) worden hersteld, waardoor de aanbesteding moet worden ingetrokken.
Geen sprake van een fundamenteel gebrek
Van een dergelijk fundamenteel gebrek dat heraanbesteding tot gevolg zou moeten hebben is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de uitwerking van de beoordelingssystematiek niet overeen komt met het in de Gunningsleidraad beschreven uitgangspunt dat subGunningscriterium K2 Samenwerking wordt beoordeeld aan de hand van gestructureerde interviews (waarop bij beantwoording van de tweede hoofdvraag in dit vonnis uitgebreider wordt ingegaan) conform het daaraan te geven gewicht in de verhouding prijs/kwaliteit
Op basis van paragraaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad gold voor deze interviews dat:
i) dat drie interviews werden afgenomen op verschillende samenwerkingsniveaus;
ii) dat deze interviews maximaal 1,5 uur per interview zouden duren;
iii) waarin dieper werd ingegaan op de ervaringen en reflecties van de inschrijver uit eerdere samenwerkingen, welke ervaringen werden gekoppeld aan zes door NS vastgestelde competenties die essentieel zijn voor een succesvolle samenwerking;
iv) dat de interviews STARR-gericht werden ingestoken; en
v) dat een gedragspsycholoog (van [deskundige 2] ) tijdens deze interviews optrad
als gespreksbegeleider en medebeoordelaar om te waarborgen dat eenzelfde
interviewmethodiek en vraagstelling gelijkwaardig per interview werd
toegepast.
Gelet op voormeld uitgangspunt en de daarop door NS in de NvI gegeven toelichting is het voor inschrijvers inzichtelijk wat van ze wordt verwacht en waarop ze zich kunnen voorbereiden. Van ondermijning van dit uitgangspunt in de gehanteerde beoordelingssystematiek, waardoor (potentiële) inschrijvers (onbedoeld) op het verkeerde been zouden kunnen zijn gezet, is niet gebleken. [eiseres] heeft bovendien ook niet verder onderbouwd dat er daadwerkelijk sprake is van een fundamenteel gebrek. De enkele door haar ingenomen stelling dat de beoordelingssystematiek van subgunningscriterium K2 voor haar onvoldoende duidelijk was waardoor zij zich daarop niet goed kon voorbereiden is gezien hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende.
Grossmann-verweer
Nu is geoordeeld dat van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure dat een heraanbesteding tot gevolg zou moeten hebben, geen sprake is behoeven de door partijen ingenomen stellingen met betrekking tot het feit of [eiseres] haar recht om op dit onderdeel te klagen heeft verwerkt op basis van de leer uit het Grossmann-arrest geen verdere bespreking meer.
2. Is de beoordeling van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen in lijn met het voorgeschreven beoordelingskader uit de Gunningsleidraad?
Omdat hiervoor bij de beoordeling van hoofdvraag 1 is geoordeeld dat er geen sprake is van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure moet vervolgens de vraag worden beantwoord of de wijze van beoordelen door NS van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen conform het in de Gunningsleidraad opgenomen beoordelingskader. [eiseres] betwist dat dat het geval is.
Toetsingskader
Bij de beoordeling van dit onderdeel staat voorop dat de aan het aanbestedingsrecht ten grondslag liggende beginselen van transparantie en gelijke behandeling - vastgelegd in de artikelen 1.8 en 1.9 van de Aanbestedingswet (Aw) - vereisen dat voor betrokkenen de (procedurele) verplichtingen en eisen duidelijk zijn, en zij er zeker van kunnen zijn dat deze verplichtingen voor alle inschrijvers gelden, zodat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen. Hierbij dient de aanbestedende dienst nauwgezet de door haar vastgestelde criteria in acht te nemen. Voor de uitleg van aanbestedingsstukken geldt als toetsingskader dat die dient plaats te vinden aan de hand van de zogenaamde CAO-norm. Deze norm houdt in dat een bepaling naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van die bepaling en de overige aanbestedingsstukken, van doorslaggevende betekenis zijn, met dien verstande dat het daarbij aankomt op wat de normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver daaruit mocht begrijpen.
Het niet hanteren of afwijken van het voorgeschreven beoordelingskader in een aanbesteding leidt tot schending van het voormeld transparantie- en gelijkheidsbeginsel. Dit heeft een ongeldige gunningsbeslissing tot gevolg, waardoor de aanbestedende dienst de beslissing moet intrekken en de inschrijvingen opnieuw moet beoordelen of in een uiterst geval de opdracht moet heraanbesteden.
Systematiek van subgunningscriterium K2 Samenwerken
Vooropgesteld wordt dat met betrekking tot subgunningscriterium K2 Samenwerken in paragaaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad is opgenomen dat het van belang is dat een leverancier kan fungeren als een succesvolle samenwerkingspartner voor NS. Of, en in hoeverre, een inschrijver inderdaad een samenwerkingspartner kan zijn wordt door NS getoetst door het afnemen van een drietal interviews op de verschillende samenwerkingsniveaus: (i) voorbereiding, (ii) uitvoering en (iii) management.
De ervaringen en reflecties van de inschrijver uit/op eerdere samenwerkingen die tijdens de interviews worden besproken, zijn gekoppeld aan een zestal competenties, te weten: (1) proactief handelen, (2) klantgericht optreden, (3) samenwerken, (4) kwaliteitsgerichtheid, (5) flexibiliteit, en (6) transparantie. Voor elk samenwerkingsniveau heeft één interview plaatsgevonden van maximaal 1,5 uur, waarin alle zes competenties aan bod kwamen.
De interviews zijn aan de hand van de STARR-methodiek afgenomen. Over de STARR-methodiek is in de Gunningsleidraad het volgende opgenomen:
“De interviews worden STARR-gericht ingestoken. Dit betekent dat competenties gestructureerd worden uitgevraagd op basis van ervaringen die inschrijver in het verleden heeft opgedaan. STARR staat voor Situatie, Taak, Actie, Resultaat en Reflectie. Dit betekent dat per situatie wordt uitgevraagd wat iemands taak en verantwoordelijkheid was, welke acties en maatregelen zijn getroffen, wat deze acties en maatregelen hebben opgeleverd en hoe men op deze situatie terugkrijgt. (terugkijkt). Een gedragspsycholoog treedt tijdens deze interviews op als gespreksleider en medebeoordelaar om te waarborgen dat eenzelfde interviewmethodiek en vraagstelling gelijkwaardig per interview wordt toegepast.”
Voor wat betreft de inhoud van de interviews per onderdeel, volgt uit paragraaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad:
“Voorbereiden en plannen
Dit interview heeft betrekking op de voorbereidende werkzaamheden voor geplande
buitendienststellingen, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van het Programma van Eisen “voorbereiden en plannen”. Namens NS zullen 2 vertegenwoordigers het interview afnemen. Deze vertegenwoordigers hebben binnen NS een rol in deze voorbereiding van de buitendienststellingen.
(…)
Uitvoering regiecentrale
Dit interview heeft betrekking op de uitvoering van processen tussen NS Regievoerder Klantbegeleiding en Regiecentrale zoals beschreven in hoofdstuk 5 van het Programma van Eisen. Dit betreft calamiteiten en/of bijsturing van de lopende Geplande buitendienststelling(en). Namens NS zullen hiervoor 2 vertegenwoordigers het interview afnemen. Deze vertegenwoordigers hebben binnen de NS een rol in de uitvoering en/of bijsturing van de buitendienststellingen.
(…)
Management
Dit interview heeft betrekking op de tactische en/of strategische vraagstukken welke
kunnen gaan over de KPI's, escalaties, samenwerking en het behalen van gezamenlijke doelstellingen. Namens NS zullen hiervoor 2 vertegenwoordigers het interview afnemen. Deze vertegenwoordigers hebben binnen NS een rol in het tactisch/strategische overleg tijdens de uitvoering van de overeenkomst
(…)”
Het subgunningscriterium K2 is door het zelfstandige beoordelingsteam – bestaande uit twee vertegenwoordigers van NS en de gedragspsycholoog (van [deskundige 2] ) – beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader zoals opgenomen onder paragraaf 5.4.4 van de Gunningsleidraad.
Na de interviews heeft de gedragspsycholoog van [deskundige 2] ten behoeve van subgunningscriterium K2 aan de hand van de onder 4.14 genoemde zes competenties een rapport opgesteld, waarnaar in het Gunningsvoornemen wordt verwezen. De beoordeling van het subgunningscriterium K2 is vervolgens conform paragraaf 8.1.3 van de Gunningsleidraad als volgt tot stand gekomen. Elk lid van het beoordelingsteam heeft eerst zelfstandig een score toegekend per competentie en per interview, waarbij vooraf vastgestelde gedragsaspecten als leidraad dienden. Deze individuele scores zijn vervolgens in een gezamenlijke sessie, onder leiding van de gedragspsycholoog van [deskundige 2] met elkaar vergeleken en besproken. Tijdens deze sessie is per inschrijver, per competentie en per interview tot een gezamenlijke consensusscore gekomen.
De wijze van beoordelen van subgunningscriterium K2
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de beoordeling van subgunningscriterium K2 niet tot stand is gekomen in lijn met het hiervoor beschreven beoordelingskader, zoals opgenomen in de Gunningsleidraad. Daartoe voert [eiseres] aan dat (i) de gedragspsycholoog van [deskundige 2] een onjuiste rol zou hebben aangenomen tijdens de interviews en onterecht als beoordelaar zou hebben gefunctioneerd, (ii) tijdens de interviews ten onrechte een tijdslimiet van 15 minuten per competentie zou zijn gehanteerd en (iii) ten onrechte geen transcriptie van de interviews zou zijn gemaakt.
De gedragspsycholoog als gespreksleider
Zoals opgenomen in paragraaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad en geciteerd onder 4.15 was het de taak van de gedragspsycholoog van [deskundige 2] als gespreksbegeleider om de interviews af te nemen volgens de STARR-methodiek, nu een gedragspsycholoog daarin kundig is.
De STARR-methodiek vereist dat competenties gestructureerd worden uitgevraagd op basis van concrete ervaringen uit het verleden. Een deskundig gespreksbegeleider is daarbij noodzakelijk om te waarborgen dat deze methodiek bij alle interviews op gelijkwaardige wijze wordt toegepast. Het voorgaande voorkomt willekeur en zorgt ervoor dat iedere inschrijver op dezelfde wijze de gelegenheid krijgt om de gevraagde competenties aan te tonen, waarbij het aan de inschrijver is om ervoor te zorgen dat alle “STARR-elementen” aan bod komen.
In dit kader is de voorzieningenrechter van oordeel dat de stelling van [eiseres] , inhoudende dat de door [deskundige 2] in haar rapport gehanteerde terminologie als toelichting op de gunningsbeslissing met betrekking tot subgunningscriterium K2 als “niet
toetsbaar” en “onvoldoende inzichtelijk” of “onvoldoende aantoonbaar” niet te relateren is aan het beoordelingskader zoals bekendgemaakt in de Gunningsleidraad, niet kan slagen. Deze terminologie correspondeert immers rechtstreeks met de elementen van de voorgeschreven STARR-methodiek: een antwoord is “niet toetsbaar”, “onvoldoende inzichtelijk” of “onvoldoende aantoonbaar” wanneer de Situatie onvoldoende is geschetst, de Taak onduidelijk blijft, de Actie niet concreet is benoemd, het Resultaat niet wordt gekwantificeerd, of de Reflectie ontbreekt. Dergelijke terminologie is dus een nadere invulling van het bekendgemaakte kader zoals opgenomen in de Gunningsleidraad. Daar komt bij dat de door [deskundige 2] gehanteerde terminologie tevens aansluit op de beoordelingstabel van subgunningscriterium K2 uit paragraaf 5.4.4 van de Gunningsleidraad volgens welke de antwoorden “helder” en “concreet” dienen te zijn en het beoordelingsteam moeten “overtuigen”. Zo geldt dat wanneer een antwoord “onvoldoende inzichtelijk” is, het daarmee niet “concreet” en “helder” is.
[eiseres] heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat in het (derde) interview over het onderdeel Management de gedragspsycholoog een te dominante rol zou hebben ingenomen omdat de gedragspsycholoog de enige was die de vragen stelde terwijl dit interview volgens de Gunningsleidraad zou worden afgenomen door twee vertegenwoordigers van de NS die een rol in het tactische/strategische overleg tijdens de uitvoering van de overeenkomst hebben. NS heeft gemotiveerd weersproken dat de gedragspsycholoog van [deskundige 2] een dergelijke dominante rol heeft aangenomen en daarmee het interview zou hebben “overgenomen”. De in dat verband door de gedragspsycholoog gestelde vragen hadden enkel betrekking op de competenties. De verdiepende (vervolg)vragen die NS heeft gesteld hadden betrekking op de inhoud van de Opdracht. Dit is in lijn met de STARR-methodiek en ook met hetgeen door NS is beschreven in de Gunningsleidraad, zoals hiervoor is opgenomen onder 4.14 en 4.15. Immers de rol van de gedragspsycholoog zag op toezien van een juiste toepassing van de STARR-methode, waarbij de medewerkers van NS de inhoudelijke vragen voor hun rekening namen. Van een afwijking van het voorgeschreven beoordelingskader op dit punt is dus niet gebleken.
De gedragspsycholoog als medebeoordelaar
De stelling van [eiseres] dat de gedragspsycholoog onterecht als medebeoordelaar heeft gefungeerd en daarmee door NS in strijd is gehandeld met het beoordelingskader uit de Gunningsleidraad kan eveneens niet slagen.
Uit paragraaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad – opgenomen onder 4.15 – volgt dat de gedragspsycholoog twee onderscheiden rollen vervult: die van gespreksbegeleider en die van medebeoordelaar. De stelling van [eiseres] dat de gedragspsycholoog uitsluitend als medebeoordelaar zou zijn betrokken om te waarborgen dat eenzelfde interviewmethodiek en vraagstelling gelijkwaardig per interview werden toegepast, vindt geen steun in de aanbestedingsstukken. Daarin wordt immers enkel het doel van de inzet van een gedragspsycholoog, niet een beperking van haar rol tot enkel procesbewaking. De rol van medebeoordelaar houdt in dat de gedragspsycholoog, samen met de twee vertegenwoordigers van NS, individueel scores toekent en vervolgens het consensusoverleg leidt om tot een eindscore te komen. De term medebeoordelaar uit paragraaf 5.4.2 van de Gunningsleidraad is ook niet voor meerdere uitleg vatbaar. Wie mede beoordeelt is daarmee ook lid van het beoordelingsteam. Dat de gedragspsycholoog volwaardig lid is van het beoordelingsteam wordt overigens ook bevestigd in onder andere het antwoord op vraag 89 in de Nota van Inlichtingen:
“Vraag 89: 2. Gunningsleidraad en ARNS Gunningsleidraad, 8 Beoordeling inschrijving, blz 28
Kunt u per subsubgunningscriterium aangeven hoeveel personen deelnemen in de
beoordelingscommissie en wat de achtergrond/functie is van de personen die zitting nemen
in de beoordelingscommissie?"
Antwoord: "Per subsubgunningscriterium zullen tenminste 3 personen deelnemen in de
beoordelingscommissie. (…).”
Het feit dat de gedragspsycholoog de inschrijving van [eiseres] mede heeft beoordeeld is indachtig het bovenstaande in lijn met de door NS uitgeschreven beoordelingssystematiek. Van een afwijking van het voorgeschreven beoordelingskader is ook op dit onderdeel dus geen sprake.
Tijdslimiet van 15 minuten per competentie
[eiseres] heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat vooraf niet bekend is gemaakt dat de interviews met een tijdlimiet van 15 minuten per competentie zouden worden afgenomen. Door dit in de praktijk wel te doen zou door NS in strijd met het voorgeschreven beoordelingskader uit de Gunningsleidraad zijn gehandeld.
Zoals onder 4.14 is opgenomen is in de Gunningsleidraad bepaald dat elk interview maximaal anderhalf uur (90 minuten) zou duren. Tijdens de interviews werden de zes beschreven competenties getoetst. Indien de beschikbare tijd gelijkmatig over de zes competenties wordt verdeeld, resulteert dit in vijftien minuten per competentie. Het voorgaande behoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aparte aankondiging omdat dit voortvloeit uit de duidelijk vooraf bekendgemaakte interviewduur en het daarin aantal te behandelen competenties. Een normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver kon dit ook als zodanig begrijpen.
De gedragspsycholoog van [deskundige 2] heeft vervolgens bewaakt dat de beschikbare tijd evenwichtig over alle competenties werd verdeeld, zodat iedere competentie ook daadwerkelijk aan bod kon komen.
Ook hier geldt dat geen andere systematiek is gehanteerd dan op voorhand in de Gunningsleidraad is gedeeld, zodat van een afwijking van het beoordelingskader geen sprake is.
Het verstrekken van de transcripties van de interviews
[eiseres] stelt dat tijdens het derde interview over samenwerking op het onderdeel management aan haar zou zijn medegedeeld dat geen opnames gemaakt zouden worden. Volgens [eiseres] is dat in strijd met de toezegging in de nota van inlichtingen, nu als antwoord op vraag 169 het volgende is opgenomen:
“Om te komen tot een betrouwbare, transparante en uitlegbare verslaglegging van de gesprekken, transcriberen wij de gesprekken met behulp van een transcriptie-applicatie. Op deze manier worden de gegeven antwoorden zorgvuldig vastgelegd en zijn de toegekende scores herleidbaar en onderbouwd. De gebruikte applicatie voldoet aan alle geldende privacy- en securityvereisten. De data wordt uiterlijk bewaard tot na definitieve gunning van het contract. De transcripties dienen uitsluitend als naslagwerk en als onderbouwing van de scores op dit subGunningscriterium die ten grondslag ligt aan de gunning. Met inschrijving op deze aanbesteding gaat u hiermee akkoord.”
NS heeft gemotiveerd weersproken dat het derde interview niet zou zijn getranscribeerd. Zij stelt dat alle drie de interviews van [eiseres] conform de aanbestedingsdocumentatie zijn opgenomen. De transcriptie-applicatie is bij alle interviews in dat kader op dezelfde wijze ingezet en daarmee beschikt zij over de volledige vastlegging van alle drie de interviews. Van een afwijking van het beoordelingskader is dus niet gebleken.
[eiseres] heeft in deze procedure onder andere een gebod tot afgifte gevorderd van de transcripties van de drie afgenomen interviews, zodat inzichtelijk is op welke wijze de beoordeling tot stand is gekomen, en tevens tot afgifte van de interviewleidraad, waaruit volgt welke concrete vragen zijn voorbereid door NS. Deze vordering moet afgewezen. Daarvoor het volgende redengevend.
De aanbestedende dienst dient op grond van artikel 2.130 lid 1 Aw (dat via artikel 3.75 Aw ook van toepassing is op speciale sector opdrachten) bij de mededeling van de gunningsbeslissing de relevante redenen voor die beslissing mede te delen. In het tweede lid van voornoemd artikel is vervolgens omschreven wat in ieder geval wordt verstaan onder relevante redenen. Dit zijn de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijving en de naam van de winnende inschrijver(s). De MvT bij artikel 6 Wira (oud), de voorloper van artikel 2.130 Aw, geeft aan dat de precieze invulling van het begrip relevante redenen afhangt van de omstandigheden. Daarbij gelden volgens de MvT wel de volgende uitgangspunten:
verplichte bekendmaking van de eindscores zowel van de afgewezen inschrijver als van de geselecteerde ondernemer. Het gaat hier om de totale eindscores op prijs en kwaliteit;
de scores van de afgewezen inschrijver op specifieke kenmerken (i.e. de subgunningscriteria), en de reden waarom op dat specifieke kenmerk eventueel niet de maximale score is toegekend;
verduidelijking van de toepassing van de gehanteerde criteria bij gunning volgens het criterium economisch meest voordelige inschrijving.
Voor het overige wordt de invulling van het criterium overgelaten aan de rechtspraak. Uit de jurisprudentie volgt (in navolging van de MvT) dat wat onder de ‘relevante redenen’ moet worden volstaan, sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.
Door middel van haar Gunningsvoornemen heeft NS aan [eiseres] gemotiveerd hoe de gunningsbeslissing tot stand is gekomen. Voor het subgunningscriterium K2 wordt daarin bovendien voor een nadere motivering verwezen naar het rapport van [deskundige 2] met bijbehorende bijlagen. Daarmee heeft NS [eiseres] voldoende inzicht en informatie verschaft over hoe zij tot haar beoordeling is gekomen. De voorzieningenrechter overweegt dat het op grond van artikel 2.130 lid 1 Aw bij het benoemen van de in de gunningsbeslissing relevante redenen, niet nodig is dat NS om te voldoen aan haar motiveringsplicht nadere (interne) stukken overlegd zodat een inschrijver zelf kan beoordelen of de aanbestedende dienst de beoordeling op juiste wijze heeft uitgevoerd. De motiveringsplicht van een aanbestedende dienst gaat immers niet zo ver dat de aanbestedende dienst inzicht moet verschaffen in (interne) aantekeningen om, een niet uitgekozen inschrijver de gelegenheid te geven om te controleren of de aanbestedende dienst conform de voorgeschreven beoordelingssystematiek te werk is gegaan. Dit kan immers worden afgeleid uit de gegeven motivering in de gunningsbeslissing, waarbij niet is gesteld of gebleken dat het Gunningsvoornemen op dit onderdeel niet deugt.
Daar komt bij dat NS in antwoord op vraag 169 in de NvI te kennen heeft gegeven dat de transcripties uitsluitend dienen als naslagwerk en als onderbouwing van de scores op subgunningscriterium K2 die ten grondslag liggen aan de gunning. Door in te schrijven is een inschrijver met dit voorschrift akkoord gegaan. De transcripties dienden dus enkel als hulpmiddel voor het beoordelingsteam, niet als document aan de hand waarvan een inschrijver achteraf zijn beoordeling kan verifiëren.
In het kader van de beoordeling van subgunningscriterium K2 heeft [eiseres] nog gesteld dat NS de daarbij gehanteerde STARR-methode in zijn algemeenheid onjuist heeft toegepast. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij in dat kader diverse rapporten overgelegd, waaronder het zogenaamde VU-rapport. Dit rapport kan echter niet als onderbouwing dienen voor de door [eiseres] ingenomen stelling dat de STARR-methode bij afname van de interviews door NS onjuist is toegepast. NS is bij het rapport niet betrokken geweest en heeft de feitelijke vaststellingen die daarin zijn gedaan, gemotiveerd weersproken. Het rapport gaat bovendien uit van zogenaamde “best practices” uit de wetenschappelijke literatuur over de STARR-methode, die noch in algemene zin noch specifiek zijn opgenomen in de Gunningsleidraad. Conclusie is dan ook dat de beoordeling van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen in lijn met het voorgeschreven beoordelingskader. Van schending van het transparantie- en gelijkheidsbeginsel bij de beoordeling van subgunningscriterium K2 is daarmee niet gebleken, zodat een heraanbesteding dan wel een herbeoordeling niet in de rede ligt.
3. Is er bij de beoordeling van subsubgunningscriterium K1.1 sprake is van een situatie die maakt dat de gunningsbeslissing op dit onderdeel niet deugt?
Omdat hiervoor bij de beoordeling van hoofdvraag 2 is geoordeeld dat de wijze van beoordelen door NS van subgunningscriterium K2 tot stand is gekomen conform het in de Gunningsleidraad vooraf bekendgemaakte beoordelingskader moet vervolgens als derde en laatste hoofdvraag worden beantwoord of bij de beoordeling van subsubgunningscriterium K1.1 sprake is van omstandigheden die meebrengen dat de gunningsbeslissing op dit onderdeel niet deugt.
Toetsingskader
De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling tot uitgangspunt dat aan de deskundigen/beoordelaars van de aanbestedende dienst een ruime beoordelingsvrijheid wordt gegund als het gaat om de beoordeling aan de hand van kwalitatieve criteria, zolang de aanbestedende dienst maar transparant handelt en de inschrijvers gelijk behandelt. Deze verplichtingen, die voortvloeien uit de artikelen 1.8 en 1.9 Aanbestedingswet 2012 (Aw), brengen mee dat (i) het voor inschrijvers duidelijk moet zijn wat van hen wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem moeten worden beoordeeld, en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk moet worden gemotiveerd dat de afgewezen inschrijvers kunnen toetsen op welke wijze de beoordeling heeft plaatsgevonden. Dat brengt met zich dat de voorzieningenrechter een beperkte toetsingsvrijheid heeft wanneer het aankomt op de beoordeling van (de toepassing van) kwalitatieve criteria. Voor ingrijpen is slechts plaats in geval van kennelijke procedurele of inhoudelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden die kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt. Het gaat dus om een vrij marginale toetsing.
Systematiek van subsubgunningscriterium K1.1 Implementatie - softwareontwikkeling en systeemintegratie
Het subgunningscriterium K1 IT & Data is onderverdeeld in de volgende
subsubgunningscriteria:
K1.1: Implementatie – Softwareontwikkeling en systeemintegratie
K1.2: Beheer en doorontwikkeling – Applicatieonderhoud, incidentbeheer, continue
verbetering en innovatie
Bij dit onderdeel is het voor NS van belang dat voor de uitvoering van de opdracht de IT-oplossingen van de winnende inschrijver (i) realtime inzicht geven in de uitvoering van het vervoer, (ii) een transparante en herleidbare financiële afwikkeling ondersteunen, en (iii) een efficiënte digitale samenwerking in de gehele keten mogelijk maken. Zoals is beschreven in paragraaf 5.4.1 van de Gunningsleidraad zijn inschrijvers om deze reden gevraagd om een kwalitatieve uitwerking te geven van hun aanpak met betrekking tot de inrichting, implementatie en het beheer van de IT- en dataondersteuning voor het treinvervangend vervoer.
Om bij subsubgunningscriterium K1.1 te beoordelen of een inschrijver in staat is om de IT-voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de digitale samenwerking tussen NS en de inschrijver te implementeren, heeft iedere inschrijver een IT implementatieplan moeten opstellen, waarin onder meer moest worden beschreven hoe de samenwerking met NS, onderaannemers en eventuele realisatiepartners werd ingericht. Zoals opgenomen in paragraaf 5.4.1. van de Gunningsleidraad diende het IT implementatieplan in dat verband een omschrijving te omvatten van softwareontwikkeling en kwaliteitsborging, mijlpaalplanning, systeemintegratie en IT-architectuur, risicobeheersing, data-kwaliteit, beschikbaarheid, integriteit, cybersecurity en privacy en ondersteuning van operationeel personeel.
Het subsubgunningscriterium K1.1 werd vervolgens door een zelfstandig beoordelingsteam integraal en absoluut beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader zoals opgenomen onder paragraaf 5.4.4 van de Gunningsleidraad. Conform paragraaf 8.1.2 van de Gunningsleidraad werd de score per kwalitatief sub(sub)gunningscriterium door elk lid van het beoordelingsteam individueel bepaald. Vervolgens werden de individuele scores naast elkaar gelegd en besproken gedurende een gezamenlijke sessie onder begeleiding van een procesbegeleider. Hierin werden de scores per inschrijver per kwalitatief sub(sub)gunningscriterium uiteindelijk in consensus bepaald.
Na de beoordeling van de initiële inschrijving zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun inschrijving aan te passen en vervolgens de BAFO in te dienen. Indien na beoordeling van de BAFO (alsnog) bleek dat een inschrijver een 'onvoldoende' of een 'slecht' scoorde op een van de subsubgunningscriteria die onderdeel uitmaakte van subgunningscriterium K1, werd deze inschrijver, volgens hetgeen is opgenomen in paragraaf 5.4.4 van de Gunningsleidraad, uitgesloten van het vervolg van de aanbestedingsprocedure.
NS heeft in paragraaf 4.1.5 van de Gunningsleidraad benadrukt dat het IT implementatieplan een ander implementatieplan betreft dan het Algemene Implementatieplan, zoals beschreven onder 3.4. In elk van deze implementatieplannen diende een inschrijver andere onderwerpen te behandelen en elk van deze uitwerkingen is integraal door een ander beoordelingsteam beoordeeld dat ter zake kundig is aan de hand van een ander beoordelingskader.
De beoordelingssystematiek
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van dit onderdeel voorop dat de hiervoor door NS beschreven beoordelingssystematiek uit de Gunningsleidraad duidelijk is en potentiële inschrijvers daarmee weten wat er van hen verwacht wordt. Tevens biedt dit beoordelingskader de mogelijkheid om de inschrijvingen aan de hand van een objectief systeem te beoordelen en de gunningsbeslissing inzichtelijk te motiveren op een wijze dat het voor de afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. NS kan immers aan de hand van de vooraf kenbaar gemaakte beoordelingscriteria en beoordelingsproces uitleggen hoe de uiteindelijke consensusscore tot stand is gekomen.
Beoordeling van het kwalitatieve subsubgunningscriterium K1.1
Van belang is dat het voor dit onderdeel het centraal staande kwalitatieve subsubgunningscriterium K1.1 als zodanig duidelijk is. Er zijn door de inschrijvers daar ook geen vragen over gesteld in de inlichtingenfase van de aanbestedingsprocedure. [eiseres] stelt ook niet dat dit criterium op zichzelf genomen onduidelijk is maar dat het commentaar en de daarbij toegekende punten door NS op haar IT implementatieplan bij dit criterium onjuist zijn.
[eiseres] stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de motivering van de score op subsubgunningscriterium K1.1 innerlijk tegenstrijdig zou zijn, omdat NS aan het Algemene Implementatieplan in het kader van de uitvoeringseisen wel aan haar een 'voldoende' heeft toegekend. Volgens [eiseres] heeft dat tot gevolg dat haar IT implementatieplan niet als 'onvoldoende' kan worden beoordeeld. Daarnaast kan [eiseres] zich niet verenigen met de score van een 'onvoldoende', omdat zij alle feedbackpunten na de BAFO onderhandelingen in haar IT implementatieplan heeft verwerkt.
Onderscheid tussen Algemeen implementatieplan en IT implementatieplan
Zoals onder 3.4 is beschreven zijn in de Gunningsleidraad uitvoeringseisen opgenomen. Eén van deze uitvoeringseisen betrof dat iedere inschrijver een algemeen implementatieplan diende op te stellen waarin werd beschreven welke implementatiewerkzaamheden een inschrijver zou verrichten om ervoor te zorgen dat alle diensten tijdig bij aanvang van de Opdracht volledig zouden worden uitgevoerd in overeenstemming met het Programma van Eisen, het zogenaamde Algemene Implementatieplan. Het IT implementatieplan en de daarin op te nemen aspecten is, zoals aangegeven in 4.41, nader beschreven in paragraaf 5.4.1 van de Gunningsleidraad en zag enkel op de implementatie van de IT-voorzieningen die noodzakelijk waren voor de digitale samenwerking tussen NS en de leverancier.
Er bestaat dus een concreet onderscheid tussen het Algemene Implementatieplan en het IT Implementatieplan, hetgeen ook door NS in paragraaf 4.1.5 van de Gunningsleidraad is benadrukt. Daar komt bij dat beide implementatieplannen tevens los van elkaar worden beoordeeld, zoals is beschreven onder 4.44. Om voormelde redenen kan [eiseres] er dan ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat een positieve beoordeling van het Algemene Implementatieplan automatisch leidt tot een positieve beoordeling van het IT implementatieplan. Dit zijn tenslotte twee los van elkaar staande plannen. Van een innerlijk tegenstrijdige beoordeling op dit punt en daarmee een niet deugdelijke gunningsbeslissing zoals door [eiseres] wordt gesteld, is daarom geen sprake.
Gehanteerde technische terminologie
[eiseres] heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de motivering in de gunningsbeslissing op het onderdeel K1.1 vrij technisch van aard is. Zij verwijst daarbij naar de motivering van NS met termen als "NeTEx-ontwikkeling is onderbelicht", "de datahub als ontkoppelpunt", "de uitwerking had concreter gekund: SIRI-ET, NeTEx-verwerking".
Niet duidelijk is welk gevolg [eiseres] aan deze stelling wenst te verbinden. Daarbij heeft te gelden dat wanneer [eiseres] daarmee wil betogen dat de gunningsbeslissing op dit onderdeel niet inzichtelijk is gemotiveerd en daarmee niet deugt, die stelling niet kan slagen. De voormelde technische terminologie komt immers niet alleen expliciet terug in hoofdstuk 9 van het Programma van Eisen waaraan het IT implementatieplan moest voldoen, maar zijn ook cruciale onderdelen van IT-dienstverlening in zijn algemeenheid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarom van een normaal oplettende en redelijk geïnformeerde inschrijver mag worden verwacht dat deze begrijpt wat met voormelde terminologie wordt bedoeld. Dit wordt bevestigd door het feit dat diezelfde (technische)terminologie tevens terugkomt in de feedbackpunten die NS na het BAFO-gesprek aan [eiseres] heeft meegegeven en wat destijds voor [eiseres] ook geen probleem vormde.
Na BAFO-gesprek is score “onvoldoende” mogelijk
[eiseres] heeft het standpunt ingenomen dat NS niet aan een BAFO een onvoldoende kan geven op aspecten die niet in de lijst met verbeterpunten van NS stonden die [eiseres] na het BAFO-gesprek heeft ontvangen en dat zij voor de door haar geoptimaliseerde punten naar aanleiding van de lijst met verbeterpunten minimaal een voldoende zou moeten scoren. Volgens [eiseres] zou de lijst met verbeterpunten haar anders op het verkeerde been hebben gezet en zou zij daardoor ten opzichte van andere inschrijvers zijn benadeeld. [eiseres] stelt dat het doel van de BAFO is om inschrijvers de mogelijkheid te geven hun inschrijving te verbeteren en dat dit betekent dat zodra een inschrijver alle verbeteringen op de lijst met verbeterpunten van NS heeft doorgevoerd, zij minimaal een voldoende moet scoren.
De door [eiseres] met betrekking tot de BAFO ingenomen standpunten berusten echter op een onjuiste uitleg van het doel en de ratio van de onderhandelingsfase in een aanbestedingsprocedure. De onderhandelingsfase heeft immers als doel dat de aanbesteder daardoor definitieve aanbiedingen ontvangt die beter aansluiten op hetgeen hij nodig heeft en de inschrijver krijgt de kans om zijn inschrijving op dat punt gericht te verbeteren. Voor de inschrijver is het een belangrijk voordeel om de onderhandelingsfase te doorlopen en de daar ontvangen feedback te gebruiken in zijn finale inschrijving. Het doel van een onderhandelingsfase is nadrukkelijk niet om alle verbeterpunten te benoemen en om alle inschrijvingen op exact hetzelfde niveau te brengen. Uitgangspunt is dat er tussen inschrijvingen inherente verschillen zijn en dat brengt ook inherente kwaliteitsverschillen met zich mee. In dat kader zou het benoemen van alle verbeterpunten en het gericht aangeven wat er allemaal nog moet gebeuren om tot een maximale kwaliteitsscore te komen, juist onverenigbaar zijn met de aanbestedingsrechtelijke beginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel. Inschrijvers met een kwalitatief minder goede initiële inschrijving zouden daardoor immers worden bevoordeeld en bovendien zou op voorhand ieder onderscheidend vermogen uit de BAFO’s worden gehaald, terwijl een onderhandelingsfase de concurrentie juist beoogt te stimuleren.
Los van de voorgaande beschreven systematiek geldt dat [eiseres] ook op grond van de beschreven feiten er niet op mocht vertrouwen dat volledige verwerking van de verbeterpunten automatisch tot een 'voldoende' zou leiden. Zoals NS bij brief van 16 april 2026 gericht aan [eiseres] in het kader van het Algemene Implementatieplan heeft aangegeven, zou het aanpakken van alle verbeterpunten niet tot de garantie leiden dat een ‘voldoende’ zou worden behaald. Na indiening van de BAFO vond immers opnieuw een integrale beoordeling plaats. Hetzelfde heeft te gelden voor de beoordeling van het IT implementatieplan. Daar komt bij dat NS, zoals toegelicht onder 3.3, aan iedere inschrijver een gelijk aantal verbeterpunten heeft medegedeeld. Dit betrof een selectie van voor NS belangrijkste punten met het oog op de doelstelling van de Opdracht en daarmee nadrukkelijk geen uitputtende opsomming. Na verbetering van de meegegeven punten bestond daarom geen garantie op een positieve(re) score hetgeen door NS ook vooraf in de Gunningsleidraad was opgenomen, zodat dit voor iedere normaal oplettende, redelijk geïnformeerde inschrijver voldoende duidelijk kon zijn.
Gezien het voorgaande is van een ongelijke behandeling en daarmee benadeling van [eiseres] niet gebleken, zodat de door [eiseres] ingenomen stellingen met betrekking tot de BAFO-procedure eveneens niet kunnen slagen.
Integrale beoordeling van subsubgunningscriterium K1.1
[eiseres] stelt verder dat de motivering in de gunningsbeslissing van NS op het onderdeel K1.1 deels lovend is over haar inschrijving en vervolgens diverse minpunten belicht, waarbij ogenschijnlijk meer waarde wordt gehecht aan bepaalde "cruciale" onderdelen die vooraf niet kenbaar waren.
Het feit dat NS in de motivering zowel positieve als negatieve punten benoemt, maakt niet dat de beoordeling van de gunningsbeslissing op dit onderdeel niet deugt. Dat [eiseres] op sommige onderdelen goede elementen heeft uitgewerkt, neemt niet weg dat de uitwerking op andere – cruciale –onderdelen tekortschoot. Het is inherent aan een kwalitatieve beoordeling dat zowel sterke als zwakke punten worden gewogen om tot een totaalscore te komen. Niet gebleken is dat er door NS een onbekende verborgen weging is toegepast. Dat bepaalde negatieve bevindingen zwaarder wegen in het eindoordeel, vloeit voort uit de aard en ernst van die bevindingen en niet uit een achteraf vastgestelde onderlinge rangorde, zodat de stellingen van [eiseres] ook op dit onderdeel falen.
Geen ontoelaatbare aanvulling van de gunningsbeslissing
Ter zitting heeft [eiseres] aangevoerd dat NS haar gunningsbeslissing met betrekking tot subsubgunningscriterium K1.1 met de introductie van 47 nieuwe punten ontoelaatbaar heeft aangevuld. Dit zou volgen uit de reactie van NS op de door [eiseres] overgelegde deskundigenrapportages waaruit zou blijken dat de gunningsbeslissing op het onderdeel K1.1 niet deugt.
Omdat [eiseres] zijn stelling inhoudende dat de gunningsbeslissing op het onderdeel K1.1. niet deugt onder meer baseert op het feit dat er door NS ontoelaatbare nieuwe gronden zijn aangevoerd, dient zij te stellen en bij betwisting voldoende aannemelijk te maken dat de gunningsbeslissing niet in stand kan blijven door toevoeging van nieuwe gronden. Wat voldoende is, hangt af van het verweer van de wederpartij.
Op grond van het voorgaande geldt dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat NS de gunningsbeslissing op ontoelaatbare wijze heeft aangevuld. De enkele overlegging bij haar pleitnota van een zogenaamde infographic waaruit zou volgen dat NS op 47 onderdelen een ontoelaatbare aanvullende motivering heeft gedaan is in dat kader onvoldoende. Uit voornoemde infographic kan immers niet worden afgeleid dat de gunningsbeslissing daadwerkelijk op 47 onderdelen is aangevuld. Bovendien heeft NS ter zitting aan de hand van meerdere voorbeelden in detail gemotiveerd weersproken dat van een ontoelaatbare aanvulling van de motivering geen sprake is maar dat het gaat om een (toelaatbare) nadere onderbouwing van de reeds gegeven motivering. De conclusie is dat van ontoelaatbare aanvulling van de gunningsbeslissing met betrekking tot subsubgunningscriterium K1.1 daarom niet is gebleken. Nu verder tevens niet is gebleken van andere procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden, dan wel onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt, is er geen grond om te oordelen dat de NS buiten haar beoordelingskader is getreden. De beoordeling doorstaat de door de voorzieningenrechter aan te leggen marginale toetsing. De op dit punt ingenomen stellingen van [eiseres] kunnen daarom niet slagen.
Slotsom en proceskosten
Uit al hetgeen in dit vonnis is geoordeeld volgt dat de aanbestedingsprocedure geen (fundamentele) gebreken vertoont, de beoordeling van de inschrijving van [eiseres] conform de vooraf in de aanbestedingsstukken gecommuniceerde systematiek tot stand is gekomen en er niet van procedurele of inhoudelijke onjuistheden dan wel onduidelijkheden is gebleken die meebrengen dat het Gunningsvoornemen niet deugt. De vorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen.
Omdat NS er blijk van heeft gegeven nog altijd uitvoering te willen geven aan haar Gunningsvoornemen brengt voormelde beslissing mee dat [derde belanghebbende] geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. [derde belanghebbende] zal worden veroordeeld in de kosten van NS, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat NS als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks deze afwijzing moet [eiseres] in haar verhouding tot [derde belanghebbende] worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [derde belanghebbende] was tenslotte om te voorkomen dat het NS zou worden verboden om uitvoering te geven aan haar Gunningsvoornemen, welk doel is bereikt. [eiseres] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van [derde belanghebbende] . Verder zal [eiseres] , als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van NS. De proceskosten worden tot op heden aan de zijde van zowel NS als [derde belanghebbende] begroot op een bedrag van:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.661,00
- nakosten € 178,00 (plus verhoging als in het dictum vermeld)
Totaal € 2.574,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt, als niet weersproken, toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
In het incident
compenseert de proceskosten tussen partijen;
In de hoofdzaak
Vorderingen [eiseres]
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van NS worden begroot op een bedrag van € 2.574,00 te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval betaling binnen deze termijn uitblijft en betekening van het vonnis plaatsvindt - te verhogen met een bedrag van € 92,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, inclusief nakosten, vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten die tot op heden aan de zijde van [derde belanghebbende] worden begroot op een bedrag van € 2.574,00, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval voldoening binnen deze termijn uitblijft en betekening van het vonnis plaatsvindt - te verhogen met een bedrag van € 92,00 plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, inclusief nakosten, vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
Vorderingen [derde belanghebbende]
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [derde belanghebbende] voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens NS in de kosten van NS, tot dusver begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, voorzieningenrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het in het openbaar uitgesproken door
mr. J.K.J. van den Boom op 19 augustus 2026.
type: BEv / 4998
coll: HSt