ECLI:NL:RBMNE:2026:6036

ECLI:NL:RBMNE:2026:6036

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer UTR 25/2976 en UTR 25/2981
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Het college van B&W van de gemeente Hilversum mocht het pand aan de Leeuwenstraat aanwijzen als monument. Dat in het verleden geen monumentale waarde aan het pand is toegekend staat daar niet aan in de weg. Het college mocht daarbij afgaan op het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit en monumenten, die vindt dat het object een lokale zeldzaamheidswaarde heeft. De belangen van de toenmalige eigenaar, die voor het object sloop-en nieuwbouwplannen had, zijn daarbij meegewogen, en wegen niet op tegen het belang van het behoud van het object als monument. Door de aanwijzing als monument mocht het college ook besluiten de sloopvergunning te weigeren en ook de nieuwbouwplannen konden daardoor niet doorgaan.

Uitspraak

JOMIJ Ontwikkeling B.V. en

JOMIJ Ontwikkeling Hilversum B.V, gevestigd in de gemeente Wijdemeren, eisers

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Driel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum

(gemachtigden: mr. K. Hoogenboom en mr. drs. A.M.C. van Wijngaarden)

Als derde-belanghebbenden in de zaak UTR 25/2981 hebben deelgenomen:

- Stichting Hilversum Pas OP!

- [derde-belanghebbende 2] uit [woonplaats] .

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit waarbij het gaat om zowel de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een centrumvoorziening met detailhandel/horeca op de begane grond en 12 woonappartementen op de verdiepingen op het adres Leeuwenstraat 21-21A en Kampstraat 2-2A in Hilversum als om de weigering een sloopvergunning te verlenen (UTR 25/2976). Ook gaat de uitspraak over de aanwijzing van het pand Leeuwenstraat 21-27 tot gemeentelijk monument (UTR 25/2981).

Eisers zijn het niet eens met de beide besluiten. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag en de aanwijzing tot gemeentelijk monument.

Voorgeschiedenis

Eisers hebben op 22 november 2022 de panden Leeuwenstraat 21-21A (Gooische Herberg) en Kampstraat 2-2A (Gooisch Podium) gekocht.

Op 15 mei 2023 hebben zij na een vooroverleg met de gemeente een aangepaste aanvraag ingediend voor een sloop-nieuwbouwplan voor een centrumvoorziening met detailhandel/horeca op de begane grond en 12 woonappartementen op de verdiepingen op de hoek Leeuwenstraat 21-21A en Kampstraat 2-2A.

Op 8 juni 2023 heeft de Stichting Hilversum Pas Op! het college verzocht om de panden Leeuwenstraat 21-27A aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit verzoek heeft (van rechtswege) geleid tot een voorbescherming.

Op 26 oktober 2023 heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Monumenten (CRKM) positief geadviseerd om de panden aan te wijzen als gemeentelijk monument. Deze commissie heeft zich daarbij gebaseerd op het bouwhistorische rapport Leeuwenstraat 21, 21A, 25, 27 en 27A Hilversum, Bouwhistorische opname en waardestelling van het Bureau voor Bouwkunst & Bouwhistorie van 6 oktober 2023.

Op 9 november 2023 heeft de CRKM negatief geadviseerd over het nieuwbouwplan, omdat het zowel wat betreft de massaopbouw als de architectonische uitwerking niet in harmonie is met het dorpse karakter van dit deel van Hilversum.

Het college heeft met het besluit van 21 november 2023 geweigerd de omgevingsvergunning voor het aangevraagde sloop-nieuwbouwplan te verlenen. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt.

Het college heeft met het besluit van 8 februari 2024 de redengevende omschrijving vastgesteld en het complex Leeuwenstraat 21-27A als gemeentelijk monument aangewezen. Ook daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt.

Op 23 mei 2024 heeft de CRKM een nader advies uitgebracht naar aanleiding van de ingediende bezwaren. De commissie handhaaft het eerdere welstandsadvies van 9 november 2023.

Op 7 november 2024 hebben eisers hun bezwaren tijdens een hoorzitting van de adviescommissie bezwaarschriften toegelicht. Die adviescommissie heeft op 10 december 2024 haar advies aan het college uitgebracht.

Op 4 februari 2025 heeft de CRKM een nader advies uitgebracht naar aanleiding van door de adviescommissie gestelde vragen. De commissie concludeert nog steeds negatief, omdat het plan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand zoals vastgelegd in de Welstandsnota.

Met het besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eisers is het college met een aanvullende motivering bij zijn weigering gebleven om geen vergunning te verlenen voor het aangevraagde sloop-nieuwbouwplan.

Met een tweede besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit II) heeft het college de aanwijzing van het complex Leeuwenstraat 21, 21A, 25, 27 en 27A als gemeentelijk monument in stand gelaten met een nadere motivering onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften.

Procedureverloop

2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd met zaaknummer UTR 25/2976. Eisers hebben ook beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II. De rechtbank heeft dat beroep geregistreerd met zaaknummer UTR 25/2981.

3. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben daarop nog een nadere reactie gegeven. Vervolgens heeft het college nog nadere stukken en een nader verweer ingediend.

4. De rechtbank heeft de beide beroepen op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de directeuren [A] en [B] , de gemachtigde van eisers en de beide gemachtigden van het college.

Overwegingen

5. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.

Procesbelang

Eisers hebben in juli 2024 respectievelijk april 2025 de panden aan de Leeuwenstraat 21-21A en Kampstraat 2-2A verkocht, omdat zij het door hen beoogde bouwplan niet meer kunnen uitvoeren. Eisers stellen dat zij, ook al zijn zij geen eigenaar meer, wel procesbelang hebben, omdat zij enorme schade geleden hebben als gevolg van de bestreden besluiten. Als het aanwijzingsbesluit niet was genomen, hadden zij een vergunning aangevraagd voor een ander sloop-nieuwbouwplan binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

Als iemand stelt schade te hebben geleden kan dat betekenen dat diegene belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daartoe is wel vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat schade is geleden als gevolg van het besluit.

De rechtbank volgt het standpunt van het college dat eisers het eventuele bestaan van schade voldoende aannemelijk hebben gemaakt. Eisers hebben dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang hebben bij de uitkomst van deze procedure vanwege mogelijk geleden schade.

UTR 25/2981: Aanwijzing Leeuwenstraat 21- 27A tot gemeentelijk monument

Het bestreden besluit II

7. Het college heeft onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften zijn motivering van zijn besluit tot aanwijzing van het complex Leeuwenstraat als gemeentelijk monument nader aangevuld.

Beoordeling beroepsgronden

De aanwijzing wijkt af van onderzoeken uit voorgaande jaren

8. Eisers vinden het onbegrijpelijk en onvoldoende onderbouwd waarom - anders dan in voorgaande jaren - nu opeens wel monumentale waarden zijn toegekend aan het complex Leeuwenstraat. In het verleden is steeds - ook na uitvoerige onderzoeken - de monumentenstatus afgewezen. Zo is in 2013 op basis van een advies van de Commissie Welstand en Monumenten (CWM) en na een gedegen onderzoek besloten het complex niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. Ook de wethouder heeft in 2013 nog uitdrukkelijk opgemerkt dat “uitvoerig is bestudeerd welke panden op de monumentenlijst moeten komen te staan" en dat de panden Leeuwenstraat 21-27 daar niet voor in aanmerking kwamen. Verder blijkt uit de zienswijzennota in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan dat Leeuwenstraat 21-21A na gedegen onderzoek niet wordt aangewezen als gemeentelijk monument. Vervolgens is het complex ook nog in december 2018 in het kader van de aanwijzingsronde 2013-2018 voor het centrum als niet beschermingswaardig beoordeeld. Ook aan die aanwijzingsronde is uitvoerig onderzoek voorafgegaan waarbij het Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis en de CWM betrokken waren en ook de historische verenigingen, zoals de 'Hilversumse Historische Kring Albertus Perk’, vaste gesprekspartner van het gemeentebestuur op het gebied van monumentenzorg. De Commissie Cultureel Erfgoed van die vereniging heeft zich ook duidelijk negatief uitgelaten over een monumentenstatus.

Ten tijde van de besluitvorming gold de Monumentenverordening Hilversum 2016. Op basis van die verordening kan het college, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, een monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. Dit betekent, en dat is ook vaste rechtspraak, dat het college beoordelingsruimte heeft bij de aanwijzing van een monumentwaardige onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument. Die vrijheid vindt haar begrenzing in de verordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Dat in voorgaande jaren de panden niet zijn aangewezen als gemeentelijk monument maakt niet dat het college deze bevoegdheid niet meer zou hebben en dat de panden nu niet meer als monument mogen worden aangewezen. In dit beroep ligt het bestreden besluit ter toetsing voor en niet de beoordelingen over een al dan niet mogelijke monumentenstatus uit de voorgaande jaren.

Het standpunt van eisers dat het college ter voorkoming van willekeur beleidsregels zou moeten hebben zodat kenbaar is hoe het college invulling geeft aan zijn bevoegdheid om een pand aan te wijzen als gemeentelijk monument, volgt de rechtbank niet. Het college is niet verplicht om zijn beoordelingsvrijheid in te vullen met nadere beleidsregels. De rechtbank beoordeelt hierna of het college in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot de aanwijzing heeft kunnen komen. De ten tijde van de besluitvorming bestaande situatie is daarbij van belang.

De aanwijzing is onvoldoende onderbouwd en niet transparant

10. Eisers vinden het onvoldoende onderbouwd en niet transparant waarom en op welke gronden aan het complex Leeuwenstraat monumentale waarden worden toegekend. Uit het rapport van het Bureau voor Bouwkunst en Bouwhistorie blijkt niet dat sprake is van een ‘hoge monumentenwaarde’ en ook vertegenwoordigen de panden op geen enkel onderdeel ‘bijzondere’ cultuurhistorische waarden. Het bepalende motief zou de scherpte van de hoek zijn die de Leeuwenstraat met de Kampstraat maakt in combinatie van de oudheid van het pand, maar eisers vinden dit onbegrijpelijk want deze straathoekscherpte was altijd al aanwezig. Dat er sinds 2013 schaalvergroting in het centrum zou hebben plaatsgevonden waarvoor karakteristieke panden in het centrum zouden zijn gesloopt en dat daarom de combinatie 'straathoekscherpte met oud gebouw’ als zeldzaam en waardevol en als beschermingswaardig moet worden aangemerkt, vereist volgens eisers een nadere uitleg en een verzwaarde motivering. Juist ook omdat nu niet kenbaar is hoe het college en de CRKM invulling geven aan het zeldzaamheidsbegrip. Een objectieve en verifieerbare methodiek voor een consistente invulling van het begrip ontbreekt en daardoor is de beoordeling niet transparant en leidt dit tot willekeur.

Het college heeft tien jaar na de eerdere aanwijzingsprocedure de adviescommissie CRKM gevraagd een advies over de aanwijzing uit te brengen. Die commissie heeft haar advies op 26 oktober 2023 uitgebracht en heeft zich daarbij gebaseerd op het bouwhistorisch rapport van het Bureau voor bouwkunst en Bouwhistorie. Dat bureau heeft in opdracht van het college een bouwhistorisch- en architectuurhistorisch onderzoek verricht en heeft daarvoor een waardestelling opgesteld volgens de “Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek” uit 2009. Daaruit komt dat de panden op vier van de vijf deelwaarden positieve monumentale waarden hebben. De CRKM onderschrijft de conclusies en de waardestellingen uit dat rapport, maar niet de conclusie dat de stedenbouwkundige waarde tot positief beperkt blijft. De commissie vindt juist dat er een hoge stedenbouwkundige en daarmee hoge monumentenwaarde is, “(...) omdat de bijzondere landschappelijke wegenstructuur van het voormalig brinkdorp Hilversum met zijn brinken, krommingen en scherpe hoeken kenmerkend is voor het historisch centrum van Hilversum. De scherphoekige structuur op deze locatie - entree vanaf het station naar de binnenstad – markeert daarbij nadrukkelijk de overgang tussen de nieuwe en de oude stad. (…) ook zeer bijzonder dat een deel van de panden al op de kadastrale minuut 1811 -1832 zichtbaar zijn en dus een uiterst hoge ouderdom hebben. Het hoekpand (daterend uit 1877 en 156 jaar oud) sluit daarbij aan. Deze panden met hoge ouderdom maken daarmee de ontstaansgeschiedenis van Hilversum en de karakteristiek van de historiciteit van het oude dorpsweefsel duidelijk afleesbaar. Een korte inventarisatie van vergelijkbare scherpe stedenbouwkundige hoeken in het weefsel van Hilversum heeft aangetoond dat de combinatie van hoge ouderdom van panden op markante scherpe hoeken in het landschappelijk stedelijk weefsel van de binnenstad slechts beperkt voorkomt en dus ook een lokale zeldzaamheidswaarde heeft. Voor de hoge monumentenwaarde is bepalend het silhouet, het casco (muren, gevels, dak), de bebouwingscontour en de schil van de bebouwing met, op onderdelen, nog goed herkenbare historische elementen.”

De rechtbank stelt vast dat het college zich voor zijn besluit tot aanwijzing gebaseerd heeft op het op 26 oktober 2023 uitgebrachte advies van de CRKM.

Een bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de onderbouwing van het advies van de onafhankelijke CRKM bestaande uit deskundigen op het gebied van architectuurhistorie, stedenbouw, cultuurhistorie en monumentenzorg en ook met lokale kennis. Gemotiveerd is uiteengezet en goed te volgen dat anders dan in 2013 een uitgebreider bouwhistorisch onderzoek is verricht en dat de voorgaande onderzoeken verouderd zijn ten opzichte van het bouwhistorische rapport van het Bureau voor bouwkunst en Bouwhistorie uit 2023. Bovendien is gemotiveerd dat in die tussenliggende periode van tien jaar meerdere veranderingen zijn opgetreden in het stedelijk weefsel van Hilversum. Zo hebben schaalvergroting en de sloop van karakteristieke panden in het centrum ervoor gezorgd dat de zeldzaamheid van de lage bebouwing aan de Leeuwenstraat is vergoot.

Het college wil daarom een zo min mogelijke aantasting van het karakter van het oude dorp Hilversum. Het complex Leeuwenstraat 21-27a draagt bij aan het behoud van het karakter van dit stukje Hilversum. Door karakteristieke gebouwen, zoals die aan de Leeuwenstraat, als gemeentelijk monument aan te wijzen wordt voorkomen dat ze verloren gaan. Behoud ervan maakt de ontwikkelingsgeschiedenis van het centrum zichtbaar en beleefbaar en versterkt de identiteit van het centrum.

De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan hij heeft besloten het complex Leeuwenstraat aan te wijzen als monument. Eisers hebben geen ander onderzoeksrapport daar tegenover gesteld. Verder wordt niet betwist dat er panden in het centrum zijn verdwenen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Het college was dan ook niet gehouden om een nader advies te vragen.

De aanwijzing is in strijd met het evenredigheidsbeginsel

12. Eisers voeren aan dat zij als gevolg van het aanwijzingsbesluit onevenredige schade hebben geleden en hiermee onvoldoende rekening is gehouden in de belangenafweging. Zij hebben meer dan 1,8 miljoen euro aan investeringskosten gemaakt, bestaande uit niet alleen de aankoopprijs voor beide panden en overdrachtsbelasting, maar ook nabetalingsverplichtingen, financieringskosten, bemiddelingskosten en ontwikkelkosten, waaronder ontwerpkosten architect en legeskosten bouwaanvraag. Ondanks dat zij het pand Leeuwenstraat 21-21A gunstig hebben kunnen verkopen, hebben zij als gevolg van het aanwijzingsbesluit en de weigering van de omgevingsvergunning onevenredige schade geleden met name in de vorm van waardeverlies en gederfde ontwikkelwinst. Eisers verwijzen naar het door Metafoor Ruimtelijke Ontwikkeling opgestelde schaderapport van 29 augustus 2024. Eisers vinden dat de nadelige gevolgen van de aanwijzing onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Eisers wijzen in dat verband op een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS).

13. De rechtbank overweegt dat het college, wanneer een onroerende zaak volgens het college van monumentale waarde is, beleidsruimte heeft om te bepalen of die onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument moet worden aangewezen. Dan moet hij de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de nadelige gevolgen van de aanwijzing niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen.

14. Vast staat dat Leeuwenstraat 21-21A met de monumentale status verkocht is voor 1 miljoen euro, dus een hoger bedrag dan waarvoor eisers het in 2022 hebben aangekocht. Het pand was dus niet onverkoopbaar en de economische waarde van het pand is niet verminderd door de monumentale status. Dat eisers andere plannen en verwachtingen hadden en alvast grote investeringen hadden gedaan en teleurgesteld zijn in het feit dat zij het beoogde bouwplan niet hebben kunnen uitvoeren, is te begrijpen. De schade in de vorm van al gedane investeringen terwijl nog niet vaststaat dat een vergunning wordt verleend en mis te lopen winst is echter geen directe schade en behoort tot het ondernemersrisico. De rechtbank is dan ook van oordeel dat die schade niet maakt dat het besluit tot aanwijzing van het pand als monument onevenredig is.

De aanwijzing staat zinvol hergebruik in de weg

15. Eisers betwisten dat de monumentenstatus kennelijk niet in de weg staat aan een zinvol hergebruik van de Leeuwenstraat 21-21A. Eisers stellen zich op het standpunt dat als de nieuwe eigenaar een onevenredig hoog bedrag moet investeren om hergebruik mogelijk te maken, er dan geen sprake kan zijn van zinvol economisch haalbaar hergebruik. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor eisers alsnog een zinvol (economisch haalbaar) hergebruik van het pand mogelijk zou zijn geweest. Juist omdat zij al enorm hadden geïnvesteerd op het moment van de aanwijzing, beschikten zij niet meer over de financiële middelen om de panden te renoveren met het oog op hergebruik als horeca, zoals de huidige eigenaar dat wel heeft kunnen doen.

16. De rechtbank stelt vast dat eisers niet weerleggen dat de huidige eigenaar het pand Leeuwenstraat 21-21A in gebruik heeft genomen. Er is dus niet gebleken dat er geen mogelijkheden zijn voor een zinvol hergebruik van het pand. Dat eisers stellen dat de huidige eigenaar om het in gebruik te kunnen nemen veel geld erin heeft gestoken en dat zij zelf daar geen geld meer voor hadden, is niet onderbouwd en doet niet af aan het feit dat het pand inmiddels in gebruik is binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Nog daargelaten dat eisers het pand ook zelf niet meer wilden gaan gebruiken, heeft het college gewezen op de mogelijkheden voor een eigenaar van een monument om een restauratiesubsidie aan te vragen of een restauratiefondshypotheek.

De aanwijzing was niet voorzienbaar

17. Eisers voeren aan dat vóórdat zij besloten de panden aan te kopen de gemeente de verwachting had gewekt dat de Leeuwenstraat 21-21A zich niet leende voor een monumentenstatus en ook gelet op de voorgeschiedenis was dat niet te verwachten. De aanwijzing was dus voor hen volstrekt onvoorzienbaar en onder die omstandigheden valt dit in redelijkheid niet onder ‘normaal’ ondernemersrisico.

18. Zoals hiervoor onder 9 is overwogen maakt het feit dat in voorgaande jaren het pand niet werd aangewezen als monument niet dat het college niet meer bevoegd is om het pand alsnog aan te wijzen als gemeentelijk monument. Niet gebleken is dat er toezeggingen zijn gedaan vanuit het college of gedragingen verricht waaruit eisers hebben kunnen afleiden dat het pand nooit als monument zou worden aangewezen. Dat eisers nu winst mislopen vanwege het niet kunnen uitvoeren van de door hen beoogde herontwikkeling, maakt niet dat de aanwijzing niet valt onder het normale ondernemersrisico.

De aanwijzing doorkruist de regels uit het bestemmingsplan

19. Eisers voeren aan dat het aanwijzingsbesluit de regels van het bestemmingsplan ontoelaatbaar doorkruist en wijst erop dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan nadrukkelijk geen monumentenstatus en ook geen behoud van de bestaande bebouwing wilde, maar een grootschalig, hoog sloopnieuwbouwproject heeft willen toestaan.

20. De Monumentenverordening 2016 is, evenals het bestemmingsplan, vastgesteld door de raad en geeft het college de bevoegdheid om een pand aan te wijzen als gemeentelijk monument. De aanwijzing als monument verloopt via de Monumentenverordening en staat los van het bestemmingsplan. Het is niet zo dat een pand niet aangewezen zou kunnen worden als gemeentelijk monument, vanwege bepaalde bestemmingen of mogelijkheden in het bestemmingsplan. Dat door een aanwijzing als monument de maximale mogelijkheden van een bestemmingsplan niet benut kunnen worden betekent nog niet dat er sprake is van een ontoelaatbare doorkruising. Het bestemmingsplan en de Monumentenverordening zijn ieder op zichzelf staande stelsels.

De aanwijzing is in strijd met het gelijkheidsbeginsel

21. Eisers verwijzen naar de zaak over de [naam] aan de [adres] om aan te tonen dat het college een verzoek om aanwijzing op ongelijke wijze beoordeelt. Dat betekent dat er geen sprake is van een consistent aanwijzingsbeleid en dat leidt tot willekeur en een ongelijke behandeling. Zo heeft het college bij de boordeling van de [naam] meegewogen dat de financiële belangen van de eigenaren onevenredig zouden worden aangetast bij de aanwijzing tot monument.

22. De rechtbank merkt op dat het college de [naam] in 2025 wel heeft aangewezen als gemeentelijk monument. Verder geldt dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen kan slagen als er sprake is van gelijke gevallen. Ten aanzien van de [naam] heeft het college gemotiveerd toegelicht dat geen sprake is van een gelijk geval. Het betreft een geheel ander object in een andere omgeving en ligging en met andere waarden. De rechtbank kan dit volgen. Vooral ook omdat het college van ieder pand op zichzelf staand moet beoordelen of het monumentale waarde heeft en beschermings-waardig is. Dit betekent niet dat sprake is van een inconsistent aanwijzingsbeleid dat tot willekeur leidt. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het college beoordelingsruimte bij het bepalen van de monumentale waarde van een pand. Als het college besluit tot aanwijzing van een monument moet dit goed worden gemotiveerd. Ten aanzien van het complex Leeuwenstraat heeft het college zijn besluit afdoende gemotiveerd en aan zijn besluit een zorgvuldig onderzoek en een positief advies van een deskundige commissie ten grondslag gelegd. Dit betekent dat het college in redelijkheid tot de aanwijzing heeft kunnen overgaan en dat niet gebleken is van willekeurig handelen.

Bij de aanwijzing zijn niet alle belangen meegewogen

23. Eisers voeren ook aan dat de belangenafweging onvoldoende is, omdat geen rekening is gehouden met de belangen van woningzoekenden en maatschappelijke belangen om de in het bestemmingsplan gegeven mogelijkheden (centrumvoorzieningen, woningbouw) te kunnen benutten. Met belangen van woningzoekenden is geen rekening gehouden. Ook had het college bij de belangenafweging de politiek-bestuurlijke keuze van de raad in het bestemmingsplan moeten betrekken om ter plaatse grootschalige hoogbouw mogelijk te maken.

24. Zoals hiervoor onder 13. overwogen, moet het college de betrokken belangen afwegen. Dat zijn in beginsel het belang van behoud van een object wegens de monumentale waarde ervan, en het belang van de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het object. De (financiële) belangen van eisers zijn betrokken bij het besluit en zijn hiervoor besproken. De andere door eisers genoemde belangen zijn geen belangen van henzelf. Zij kunnen daar dus niet voor opkomen. Het belang van een goede ruimtelijke ordening wordt niet meegewogen in het kader van de vraag of het college gebruik maakt van de bevoegdheid om een object als monument aan te wijzen. Door de aanwijzing als monument wijzigt er in beginsel immers feitelijk niets aan het object of de gebruiksmogelijkheden ervan. Het heeft geen direct effect op het woon- en leefklimaat van omwonenden of andere derden. Daarom worden belangen in het kader van de goede ruimtelijke ordening niet meegewogen bij de beslissing om een object aan te wijzen als monument. Hiervoor onder 19 e.v. is al overwogen dat het ruimtelijke beleid van de gemeenteraad zoals dat onder meer in het bestemmingsplan tot uiting is gekomen los staat van de afweging om een object als monument aan te wijzen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

25. Dit beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zijn besluit tot aanwijzing als gemeentelijk monument voldoende gemotiveerd en heeft het college aan het belang van aanwijzing een zwaarder gewicht mogen toekennen dan aan de met de aanwijzing gepaard gaande gestelde nadelige gevolgen van eisers. Omdat het beroep UTR 25/2981 ongegrond is, hebben eisers geen recht op een proceskostenvergoeding.

UTR 25/2976: Weigering voor de activiteiten bouwen en slopen

Het bestreden besluit I

26. Het college heeft onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften de motivering aangevuld. De weigering om de omgevingsvergunning voor de activiteit bouw te verlenen is nu niet langer gebaseerd op de stedenbouwkundige aspecten, maar alleen op de welstandsaspecten. Het college heeft aan zijn motivering het negatieve advies van de CKRM van 4 februari 2025 ten grondslag gelegd.

Het college heeft de vergunning voor de activiteit slopen geweigerd, omdat het belang van de monumentenzorg zich verzet tegen de sloop van het monument.

Beoordeling beroepsgronden tegen de weigering omgevingsvergunning activiteit sloop

27. Eisers vinden dat de omgevingsvergunning voor het slopen ten onrechte is geweigerd omdat het aanwijzingsbesluit ten onrechte is genomen. Zij verwijzen in dit kader naar hun beroepsgronden tegen het aanwijzingsbesluit.

Verder voeren zij aan dat het college ten onrechte geen advies heeft gevraagd aan de CRKM en dat had het college wel moeten doen juist ook in het kader van de belangenafweging. Een aanwijzing hoeft immers niet in de weg te staan aan sloop.

28. Voor het slopen van een gemeentelijk monument is een omgevingsvergunning nodig. Een aanvraag om zo’n omgevingsvergunning wordt getoetst aan de gemeentelijke monumentenverordening. De Monumentenverordening bepaalt dat de vergunning slechts kan worden verleend als naar het oordeel van het college het belang van de monumentenzorg zich niet verzet tegen de sloop, waarbij het college rekening houdt met het gebruik van het monument. Het college heeft bij een beslissing over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een monument binnen dit kader beoordelingsruimte. Het college moet bij deze beslissing de belangen van de aanvrager afwegen tegen het algemeen belang dat is gediend met het behoud van het monument.

29. Het college heeft toegelicht in beroep dat het verzoek tot aanwijzing als monument ingediend is zeer kort nadat eisers hun aanvraag voor de omgevingsvergunning hadden ingediend. De monumentenactiviteit is ook pas later toegevoegd aan de aanvraag omgevingsvergunning. Hierdoor liepen de beide procedures gelijk op. In het kader van de aanwijzing is advies gevraagd aan de CRKM en daarmee kwam het monumentenbelang vast te staan. Omdat beide procedures gelijktijdig liepen, er al een uitgebreid advies van de CRKM was en de belangenafweging niet anders zou zijn, heeft het college niet opnieuw advies opgevraagd.

30. De rechtbank constateert dat juist is dat de beide procedures gelijk opliepen. In het kader van de aanwijzing als gemeentelijk monument lag er al een advies van de CRKM en stond voor het college het monumentenbelang vast. Gelet daarop is het te volgen dat het dan niet zinvol is om opnieuw een advies te vragen aan de CRKM specifiek in het kader van de aanvraag voor de sloop. Wel ontbreekt een aparte belangenafweging in het kader van de sloop in het bestreden besluit. Het college heeft niet expliciet de belangen van eisers als aanvrager van de sloopvergunning afgewogen tegen het belang van behoud van het monument. Dat is een gebrek in de motivering. Het college heeft op zitting toegelicht, en de rechtbank kan dat volgen, dat de gemaakte belangenafweging in het kader van de aanwijzing dezelfde is als die in het kader van de sloop. Bij de aanwijzing zijn de (financiële) belangen van eisers al meegewogen en ook is toen al gekeken naar zinvol hergebruik. Die afweging is in feite dezelfde als bij de belangenafweging in het kader van de sloop.

Beroep tegen de weigering omgevingsvergunning activiteit bouw

31. Gelet op de voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het aanwijzingsbesluit in stand blijft. Ook is de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid de vergunning voor de sloop heeft kunnen weigeren. Dit betekent dat bouwen niet mogelijk is. Om die reden laat de rechtbank de beroepsgronden ten aanzien van deze weigering verder onbesproken.

Conclusie en gevolgen

32. Zoals is overwogen in overweging 30 is sprake van een motiveringsgebrek. Dat betekent dat het beroep gegrond is. De in beroep door het college gegeven nadere toelichting over de belangenafweging in het kader van de sloop kan de rechtbank goed volgen. Daarom blijven de rechtsgevolgen wel in stand. Omdat het beroep gegrond is, hebben eisers recht op een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht.

33. De kosten van eisers voor de beroepsmatige rechtsbijstand van hun gemachtigde stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- onder een wegingsfactor 1). De genoemde tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Het college moet ook het door eisers in dit beroep betaalde griffierecht van € 385,- aan hen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van het beroep UTR 25/2976:

€ 1.868,-

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eisers vergoedt.

ten aanzien van het beroep UTR 25/2981:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(•••)

Artikel 2.2, eerste lid, van de Wabo

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

b. een monument als bedoeld in een zodanige verordening:

1° te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of

(…)

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2 van de Monumentenverordening Hilversum 2016

1. Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, een monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

2. Het college zendt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verzoek de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing aan de eigenaar.

3. Het college besluit over de aanwijzing nadat de Commissie voor Welstand en Monumenten heeft geadviseerd en de eigenaren en andere beperkt zakelijk gerechtigden in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. In spoedeisende gevallen kan het college hiervan afwijken.

4. In het geval zich de situatie als bedoeld in het eerste lid voordoet en voor het betreffende monument een aanvraag om een vergunning is ingediend, kan het verzoek worden opgevat als een spoedeisend geval als bedoeld in het derde lid, tweede volzin van dit artikel.

Artikel 3 van de Monumentenverordening Hilversum 2016

1. Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt, start het onderzoek naar de mogelijke aanwijzing, en zijn artikelen 9 tot en met 11 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9 van de Monumentenverordening Hilversum 2016

1. Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een beschermd gemeentelijk monument:

a. geheel of gedeeltelijk te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is;

b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel 10 van de Monumentenverordening Hilversum 2016

1. Het college vraagt advies aan de Commissie voor Welstand en Monumenten voordat het beslist op de aanvraag.

Artikel 11 van de Monumentenverordening Hilversum 2016

1. De vergunning kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van het college het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Het college houdt hierbij rekening met het gebruik van het monument.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand