uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , in [plaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)
Inleiding
Feiten
5. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de auto van eiser met kenteken
[kenteken] op 9 juli 2024 om 10:50 uur geparkeerd stond aan de Deliuslaan in Utrecht op een plek die is aangewezen als plaats waar parkeerbelasting wordt geheven. Verder is niet in geschil dat eiser om 12:43 uur een dagkaart parkeren heeft aangeschaft die geldig was tot 21:00 uur.
Beoordeling door de rechtbank
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
6. Eiser voert aan dat hij altijd een dagkaart koopt na het parkeren. Ook die dag had eiser zoals gewoonlijk een dagkaart gekocht. Eiser is van mening dat hij hiermee aan de parkeerbelasting heeft voldaan.
7. De heffingsambtenaar heeft op zitting toegelicht dat de dagkaart ingaat vanaf het moment van aankoop en niet met terugwerkende kracht. Anders zou men ook achteraf na het zien van de scanauto’s snel nog een dagkaart kunnen aanschaffen. Dat is ongewenst, waardoor een dagkaart geen terugwerkende kracht heeft.
8. Op grond van artikel 234, tweede lid onder a, van de Gemeentewet moet de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren worden voldaan. Volgens vaste jurisprudentie brengt een redelijke uitleg van deze bepaling mee dat een belastingplichtige enige tijd moet worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen tot het voldoen van de parkeerbelasting. Aan het begrip ‘uitvoeringshandelingen’ moet een strikte uitleg worden gegeven. Het moet namelijk gaan om handelingen waaruit blijkt dat een aanvang wordt gemaakt met het betalen van parkeerbelasting. De uitvoeringshandelingen moeten voorts onverwijld nadat de auto is geparkeerd worden gestart en voortgezet.
9. De rechtbank begrijpt dat eiser de bedoeling heeft gehad om voor het parkeren te betalen door – zoals hij dit vaker heeft gedaan – achteraf een dagkaart te kopen. Parkeerbelasting is echter een zogenoemde objectieve belasting, waarbij intentie, opzet en schuld geen rol spelen. Eiser heeft niet voldaan aan de vereiste van artikel 234, tweede lid onder a, van de Gemeentewet door niet direct bij aanvang de parkeerbelasting te voldoen. In plaats daarvan heeft hij pas twee uur later, door het aanschaffen van de dagkaart, parkeerbelasting voldaan. Een betaling achteraf neemt de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag echter niet weg. Voor zover eiser verzoekt om coulance, overweegt de rechtbank dat het verlenen van coulance een discretionaire bevoegdheid is van het college van burgemeester en wethouders. De rechtbank heeft die bevoegdheid niet en kan ook het college van burgemeester en wethouders niet opdragen van die discretionaire bevoegdheid gebruik te maken.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.