uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , in [plaats] , eiser
(mr. N.G.A. Voorbach)
en
de heffingsambtenaar van de belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)
Inleiding
Feiten
5. Op 15 juni 2024 om 21:35 stond de auto met het kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [adres] te [plaats] zonder geldig parkeerrecht. De parkeerlocatie betreft [locatie] met zonenummer [nummer] .
6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
Is er voldaan aan het kenbaarheidsvereiste?
7. Eiser voert aan dat sprake is van strijd met het kenbaarheidsvereiste. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat op de desbetreffende plek een betaald parkeren regime van toepassing is. Ook blijkt niet dat de locatie is aangewezen en gepubliceerd in de belastingverordening. Eiser bestrijdt dat is voldaan aan de publicatievoorschriften.
8. Volgens de heffingsambtenaar is er wel degelijk sprake van bebording in de nabije omgeving van de parkeerlocatie van eiser. De heffingsambtenaar wijst erop dat er in de nabije omgeving van de parkeerplek diverse parkeerautomaten staan. Volgens de heffingsambtenaar is de verplichting tot betaling voldoende kenbaar gemaakt.
9. De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd parkeren van een voertuig dient zodanig kenbaar te zijn gemaakt, dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan over de verschuldigdheid daarvan. Daar staat tegenover dat een parkeerder een onderzoeksplicht heeft. Hij dient zich, voordat hij parkeert, op de hoogte te stellen van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften, komt naar vaste jurisprudentie voor rekening en risico van de parkeerder.
10. De rechtbank stelt vast dat voor de locatie Sumatrastraat ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen gemeente Utrecht 2024 (de Verordening) betaald parkeren geldt. Daarbij heeft de heffingsambtenaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat in de nabijheid van waar eiser geparkeerd stond meerdere parkeerautomaten staan en dat in de omgeving van de parkeerlocatie met bebording is aangegeven dat daar betaald parkeren geldt. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van strijd met het kenbaarheidsvereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de naheffingsaanslag bevoegd opgelegd?
11. Eiser voert aan dat hij geen aanwijzingsbesluit heeft kunnen vinden waarin het college van burgemeester en wethouders een met naam genoemde functionaris aanwijst als ambtenaar in de zin van artikel 231, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c van de Gemeentewet. De naheffingsaanslag is daarom onbevoegd opgelegd, aldus eiser.
12. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht heeft ingevolge de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020 de uitvoering van de heffing en invordering inzake de parkeerbelastingen overgedragen aan het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (BghU) door middel van een delegatiebesluit van 9 juni 2016. Het bestuur van de BghU bestaat onder andere uit de directeur. Middels het mandaatbesluit heffing en invordering voor de belastingen en heffingen Utrecht heeft de directeur De Integraal Resultaatverantwoordelijk Manager Vergunningen Toezicht en Handhaving (IRM VTH) gemandateerd voor de heffing en invordering van Parkeerbelastingen. De heffingsambtenaar heeft op de zitting toegelicht dat de brondocument voor de naheffingsaanslag is opgesteld door de IRM van het organisatieonderdeel VTH.
13. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat niet is gebleken dat de naheffingsaanslag onbevoegd is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.