RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16-242455-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 augustus 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2009] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 18 augustus 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
primair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen gepoogd heeft om [slachtoffer 1] van het leven te beroven;
subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;
meer subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen gepoogd heeft om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
feit 2
op 14 september 2025 in Amsterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld;
feit 3
op 14 september 2025 in Amsterdam [slachtoffer 3] heeft mishandeld;
feit 4
primair: op 14 september 2025 in Amsterdam openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , terwijl dit geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;
subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1] ) (feit 1 primair), mishandeling (feiten 2 en 3), en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, met enig letsel tot gevolg (feit 4 primair).
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt [verdachte] vrij te spreken van het medeplegen van poging tot doodslag (feit 1 primair) en het medeplegen van zware mishandeling (feit 1 subsidiair). De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair). De verdediging heeft ook geen verweer gevoerd ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4.
De verdediging voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken in paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair), mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 2), mishandeling van [slachtoffer 3] (feit 3) en openlijke geweldpleging met letsel tot gevolg (feit 4 primair). De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De rechtbank komt tot een vrijspraak van het medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen zware mishandeling (feit 1 primair en subsidiair). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Omdat de verdediging geen verweer heeft gevoerd tegen de feiten 2 en 3, verwijst de rechtbank voor de bewezenverklaring van deze feiten naar de bewijsmiddelen.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 14 september 2025 gaan verschillende leden van de familie [familie] een avond uit in Amsterdam. De groep heeft een leuke avond gehad, maar wanneer ze onderweg naar huis in de Halvemaansteeg lopen, gaat het volledig mis.
[verdachte] , een van de jongens, ziet [slachtoffer 3] lopen. Omdat zij een bekende Nederlander is besluit hij haar aan te spreken om een foto te vragen. Terwijl [verdachte] [slachtoffer 3] aanspreekt krijgt hij uit het niets van een onbekende man een vuistslag in zijn gezicht. Deze vuistslag is het begin van een heftig gevecht. De onbekende man blijkt later [slachtoffer 1] te zijn.
Wie waren erbij betrokken?
Niet alleen [verdachte] was bij het gevecht betrokken, maar ook zijn medeverdachten met wie hij die avond uit was. Dat waren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .
[verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zelf gezegd dat zij bij het gevecht waren, zij op de camerabeelden te zien zijn en dat zij geweld tegen [slachtoffer 1] hebben gebruikt.
Hoewel [medeverdachte 4] ontkent dat hij bij het gevecht was, is de rechtbank van oordeel dat ook [medeverdachte 4] bij het gevecht betrokken was.
Welke geweldshandelingen staan vast?
Uit het dossier blijkt dat [verdachte] en zijn medeverdachten, nadat hij eerst een klap van [slachtoffer 1] had gekregen, vervolgens in gevecht zijn gegaan met [slachtoffer 1] en daarbij fors geweld hebben gebruikt.
Op grond van de camerabeelden en de getuigenverklaringen is het voor de rechtbank niet duidelijk geworden welk geweld precies is toegepast. Op de beelden is wel te zien dat de verdachten meerdere klappen uitdelen, waarna [slachtoffer 1] op de grond terechtkomt en vervolgens, terwijl hij op de grond blijft liggen, meerdere klappen en trappen krijgt.
Hoewel zichtbaar is dat ook getrapt wordt richting het hoofd van [slachtoffer 1] , is in de meeste gevallen op de beelden niet te zien of en waar deze trappen [slachtoffer 1] raken. Verschillende getuigen hebben verklaard dat zij niet de hele tijd hebben kunnen zien wat er precies gebeurde, wat begrijpelijk is in de hectiek. Ook kan aan de hand van de beelden niet worden vastgesteld met welke kracht tegen [slachtoffer 1] is getrapt.
Van één trap vindt de rechtbank wel bewezen dat deze [slachtoffer 1] op het hoofd heeft geraakt. Dat volgt zowel uit de camerabeelden als uit de verklaring van [slachtoffer 3] , die naast het gevecht stond. Zij heeft verklaard dat zij zag dat [slachtoffer 1] op een bepaald moment met zijn hoofd in haar richting lag en een trap tegen zijn hoofd kreeg.
Vrijspraak medeplegen poging doodslag – geen aanmerkelijke kans
[verdachte] wordt verweten dat hij samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachten met hun handelen vol opzet hadden op de dood van [slachtoffer 1] .
De rechtbank is ook van oordeel dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat bewezen kan worden dat [slachtoffer 1] één keer tegen zijn hoofd is getrapt. Niet duidelijk is met welke kracht dit is gebeurd. Bovendien ontbreekt een letselbeschrijving waardoor niet duidelijk is wat het gevolg is geweest van deze trap. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de trap tegen het hoofd een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer 1] met zich mee heeft gebracht. Ook van het overige geweld tegen [slachtoffer 1] kan dit niet worden vastgesteld. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het medeplegen van poging tot doodslag.
Vrijspraak medeplegen zware mishandeling – zwaar lichamelijk letsel?
Onder feit 1 is subsidiair ten laste gelegd dat [verdachte] zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verdachte] en zijn medeverdachten aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel hebben toegebracht.
De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer 1] later op de dag van het geweldsincident verklaart pijn te hebben aan zijn hoofd, nek en rug. En dat zijn gezicht pijn doet en blauw/ paars is, hetgeen ondersteund wordt met foto’s. Uit deze verklaring en foto’s kan echter niet worden opgemaakt dat deze pijn wordt veroorzaakt door toegebracht zwaar lichamelijk letsel.
[slachtoffer 1] verklaart verder dat een arts hem heeft verteld dat zijn zicht in beide ogen met 20 procent is achteruitgegaan, en dat hij de volgende maand weer terug moest komen voor controle. De achteruitgang van zijn gezichtsvermogen zou een indicatie kunnen zijn voor zwaar lichamelijk letsel, maar omdat verdere (medische) onderbouwing ontbreekt kan de rechtbank niet vaststellen of dat het geval is. Zo is niet duidelijk of een arts daadwerkelijk achteruitgang van gezichtsvermogen heeft vastgesteld, wat de mate van achteruitgang is en of deze achteruitgang het gevolg is van het geweldsincident. Evenmin is duidelijk of medisch ingrijpen nodig is geweest.
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd en in de stukken die hij daarvoor heeft overgelegd ontbreekt nadere onderbouwing eveneens.
Medeplegen poging zware mishandeling
De rechtbank is wel van oordeel dat er sprake is van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, zoals onder feit 1 meer subsidiair ten laste is gelegd.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking sprake is, kan de rechtbank onder meer acht slaan op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het strafbare feit, hoe belangrijk de bijdrage van de verdachte was, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen, en vooral uit het proces-verbaal van de beschrijving van de camerabeelden, blijkt van zo’n nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten, dat sprake is van medeplegen. Hoewel er van tevoren geen concreet plan was, zijn de verdachten als groep te werk gegaan en zijn ze als groep om [slachtoffer 1] heen gaan staan. Iedere verdachte heeft een aandeel gehad in het geweld. Ze hebben allemaal geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1] . Ook heeft niemand zich uit de situatie teruggetrokken of geprobeerd de situatie te sussen. Dit betekent dat zowel [verdachte] als zijn medeverdachten samen verantwoordelijk zijn voor het geweld.
De rechtbank is van oordeel dat het door meerdere personen met kracht slaan, stompen, schoppen en trappen tegen het lichaam van [slachtoffer 1] en de trap tegen zijn hoofd een poging tot zware mishandeling opleveren. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de mogelijke ernstige gevolgen van dit geweld. Ook neemt de rechtbank in haar beslissing mee dat het geweld plaatsvond onder invloed van alcohol en dat de trappen en slagen niet steeds onder controle waren. De verdachten slaan en schoppen terwijl [slachtoffer 1] onvoorspelbare bewegingen maakt. De verdachten hebben hiermee het risico genomen dat hun slagen en schoppen ook op meer kwetsbare plekken van het lichaam, zoals het hoofd, terecht hadden kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van [verdachte] en zijn medeverdachten dat zij allemaal opzet hadden op het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot een bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair).
Openlijke geweldpleging met enig letsel ten gevolge
[verdachte] wordt ook verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer 1] , waarbij dit geweld enig letsel ten gevolge heeft gehad (feit 4 primair). De rechtbank oordeelt dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is.
Bij het openlijk in vereniging geweld plegen gaat het er in de kern om dat het geweld op zo’n manier en op zo’n plaats is gepleegd, dat de openbare orde is verstoord. Van het in vereniging plegen van geweld is sprake wanneer degene die betrokken is, een voldoende duidelijke (significante) of belangrijke (wezenlijke) bijdrage aan het geweld levert.
Het is in ieder geval duidelijk dat het hiervoor beschreven geweld op een openbare plek is gepleegd, namelijk in het centrum van Amsterdam, waar veel mensen getuige van zijn geweest. Hierdoor is de openbare orde verstoord. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] een voldoende duidelijke en belangrijk bijdrage heeft geleverd. [verdachte] en zijn medeverdachten hebben namelijk allemaal geweld gebruikt en niemand heeft zich onttrokken aan het gevecht.
Hoewel het dossier weinig informatie bevat over het soort letsel, volgt uit de aangifte van [slachtoffer 1] en wat de politie later beschrijft, dat hij veel pijn heeft gehad. Dat [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen, blijkt ook uit de letselfoto’s die in het dossier zitten en die kort na het gevecht zijn gemaakt.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1 meer subsidiair
op 14 september 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer 1] met kracht op het lichaam heeft gestampt
- die [slachtoffer 1] met kracht meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft getrapt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen tegen het hoofd, en tegen lichaam heeft (met de vuist) geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 14 september 2025 te Amsterdam
[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door met kracht te slaan tegen haar kaak;
feit 3
op 14 september 2025 te Amsterdam
[slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met kracht te slaan tegen haar gezicht;
feit 4 primair
op 14 september 2025 te Amsterdam
openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg ,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer 1] met kracht op het lichaam stampen
- die [slachtoffer 1] met kracht meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam trappen
- die [slachtoffer 1] met kracht meermalen tegen het hoofd en lichaam (met de vuist) slaan
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 meer subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;
Feit 2: mishandeling;
Feit 3: mishandeling;
Feit 4 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid van de feiten en verdachte
Standpunt van de verdediging
De advocaat benadrukt dat de aanleiding voor het gevecht vanuit [slachtoffer 1] komt. [verdachte] krijgt van [slachtoffer 1] , een grote man die professioneel kickbokser is, een flinke dreun in zijn gezicht. Er was sprake van een bedreigende situatie die zorgde voor angst en woede bij [verdachte] . Anders dan de officier van justitie vindt, kan geen knip worden gemaakt tussen twee periodes waarbij in de eerste periode sprake was van een noodweersituatie en in de tweede periode van noodweerexces. Voor de volledige periode waarin de gedragingen zijn gepleegd, kan [verdachte] een geslaagd beroep doen op noodweerexces en dat leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] voor een gedeelte van de gedragingen een geslaagd beroep op noodweer en noodweerexces kan doen.
Er was sprake van een noodweersituatie op het moment dat [verdachte] van [slachtoffer 1] een vuistslag in zijn gezicht krijgt, [slachtoffer 1] een gevechtshouding aanneemt en blijft vechten. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] mochten zich hiertegen verdedigen. De slagen die vervolgens door [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] worden uitgedeeld zijn proportioneel en een alternatief was er niet.
De noodweersituatie eindigt op het moment dat [slachtoffer 1] op de grond komt te liggen. Door de plotselinge aanval van [slachtoffer 1] en het doorgaande geweld van ook [slachtoffer 1] is het voorstelbaar dat er sprake is van hevige emoties bij [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en dus van noodweerexces. Het meerdere malen trappen en slaan tegen [slachtoffer 1] gaat echter de grenzen van noodweerexces te buiten, voor die handelingen kan [verdachte] geen geslaagd beroep doen op noodweerexces en is [verdachte] dus ook strafbaar.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat [verdachte] een beroep op noodweer toekomt op het moment dat hij uit het niets van [slachtoffer 1] een vuistslag in zijn gezicht kreeg. Vanwege deze ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding mocht [verdachte] overgaan tot noodzakelijke verdediging toen hij door een onbekende, grote man uit het niets werd geslagen. [verdachte] probeert [slachtoffer 1] ook terug te slaan, maar slaat mis. De noodweersituatie blijft hierna doorgaan omdat [slachtoffer 1] in een gevechtshouding gaat staan en nog een tweede klap uitdeelt. De klappen die [verdachte] en zijn medeverdachten vervolgens uitdelen staan in verhouding tot de vuistslag en tweede klap van [slachtoffer 1] en de dreigende houding die hij aanneemt (proportionaliteit). Ook was er geen andere optie om te reageren (subsidiariteit). Voor deze gedragingen is [verdachte] dus niet strafbaar.
De noodweersituatie verandert snel naar noodweerexces nadat [slachtoffer 1] de tweede klap heeft gegeven. [verdachte] en zijn medeverdachten gaan dan door met vechten terwijl het niet meer nodig was om te verdedigen. [slachtoffer 1] gebruikte toen geen geweld meer. Ook zijn zij in de meerderheid waardoor [slachtoffer 1] geen gevaar meer vormde. Dat [verdachte] op dat moment toch doorgaat met vechten, is te begrijpen door de heftige emoties die zijn ontstaan door de plotselinge en acute dreiging die van [slachtoffer 1] uitging .
De rechtbank is van oordeel dat dat anders wordt op het moment dat [slachtoffer 1] op de grond valt en daar blijft liggen. Er ontstaat dan een nieuwe situatie waarbij het voor [verdachte] in ieder geval duidelijk had moeten zijn dat [slachtoffer 1] geen gevaar meer vormde omdat hij op de grond lag en [verdachte] met de medeverdachten in de meerderheid was. Het geweld dat [verdachte] en zijn medeverdachten vervolgens gebruiken komt niet door heftige emoties die het directe gevolg zijn van het geweld van [slachtoffer 1] . De rechtbank weegt daarin ook mee dat er inmiddels enige tijd is verstreken tussen de eerder uitgedeelde vuistslag en de tweede klap van [slachtoffer 1] en het doorgaande geweld dat nu door onder andere [verdachte] wordt gebruikt. Als er uit hevige emoties is gereageerd, dan zijn deze emoties door andere omstandigheden veroorzaakt zoals het ongeremde effect van alcohol en het handelen in groepsverband. Naar oordeel van de rechtbank is het geweld tegen [slachtoffer 1] vanaf dat moment dat hij op de grond viel bedoeld om [slachtoffer 1] een lesje te leren. [verdachte] kan voor dat geweld geen geslaagd beroep doen op noodweerexces en daarvoor strafbaar.
Ook voor de feiten 2, 3 en 4 geldt dat dit strafbare feiten zijn en dat [verdachte] daarvoor ook strafbaar is.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden waarvan een gedeelte van drie dagen onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaar;
een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed uitvoert.
Standpunt van de verdediging
De advocaat vindt dat er rekening mee moet worden gehouden dat [slachtoffer 1] het gevecht is begonnen en [verdachte] uit het niets een vuistslag in zijn gezicht heeft gegeven. Ook heeft de strafzaak grote impact gehad op [verdachte] en zijn familie. [verdachte] heeft veel spijt van wat er is gebeurd. [verdachte] heeft vanaf het begin aangegeven open te staan voor mediation of een herstelbemiddelingsgesprek. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat zij geen gevaar voor herhaling zien. Een voorwaardelijke jeugddetentie is daarom niet nodig. Het aantal uren van de werkstraf kan lager dan de officier van justitie nodig vindt omdat [verdachte] niet al het geweld heeft gebruikt waar de officier van justitie [verdachte] van verdenkt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank bepaalt dat [verdachte] een taakstraf krijgt in de vorm van een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze werkstraf niet of niet goed uitvoert. De taakstraf moet worden verminderd met de vier dagen die [verdachte] al heeft vastgezeten.
Bij het bepalen van deze straf kijkt de rechtbank naar hoe erg de gepleegde feiten zijn en naar de situatie waarin [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook houdt de rechtbank rekening met het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft ernstige strafbare feiten gepleegd. Hoewel [verdachte] door [slachtoffer 1] als eerste wordt geslagen, is [verdachte] veel te ver gegaan in zijn verdediging. [verdachte] heeft zelf ook gezegd dat het geweld tegen [slachtoffer 1] te ver ging en dat hij niet alleen uit angst maar ook uit woede reageerde. Het schoppen tegen het lichaam en zeker tegen het hoofd, kan nare gevolgen hebben. Gelukkig is dat niet gebeurd. Wel is duidelijk dat [slachtoffer 1] letsel heeft gehad. Dit is op de foto’s in het dossier te zien. Ook heeft [slachtoffer 1] gezegd dat hij veel pijn heeft gehad.
[verdachte] heeft ook [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] mishandeld. De rechtbank vindt het heel naar dat [verdachte] geweld heeft gebruikt tegen twee onschuldige mensen. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] hadden niks te maken met de vuistslag die [verdachte] van [slachtoffer 1] heeft gekregen. Zij stonden erbij en probeerden juist het gevecht te stoppen. [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij heel veel last heeft van wat er is gebeurd.
Het geweld is niet alleen erg voor [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , maar ook voor andere mensen. Het geweld gebeurde op straat. Daardoor hebben verschillende mensen het geweld gezien. Dit is erg bedreigend en zorgt ervoor dat zij en ook andere mensen zich onveilig voelen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar:
het strafblad van [verdachte] van 6 juli 2026;
een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 24 juli 2026.
Strafblad
Op het strafblad van [verdachte] is te zien dat [verdachte] niet eerder voor dit soort strafbare feiten is veroordeeld.
Het advies van de Raad
De Raad heeft met [verdachte] en zijn ouders gesproken. De Raad ziet weinig risico dat [verdachte] nog een keer dit soort strafbare feiten gaat plegen. [verdachte] werkt fulltime, en wordt goed ondersteund door zijn ouders en familie. [verdachte] heeft zich tijdens de schorsing goed gehouden aan de voorwaarden. De eerste maand had [verdachte] huisarrest en de zes maanden daarna had [verdachte] een avondklok die langzaam is uitgebreid. Tijdens deze periode hadden [verdachte] en zijn ouders goed contact met de jeugdreclassering en hebben zij zich aan de afspraken gehouden.
Omdat het nare strafbare feiten zijn, heeft de Raad ook nagedacht over een jeugddetentie. De Raad vindt het niet nodig dat [verdachte] naar de gevangenis gaat omdat het goed gaat met [verdachte] . Ook heeft [verdachte] gezegd dat het hem spijt en heeft hij zijn verantwoordelijkheid genomen door met het slachtoffer in gesprek te willen gaan. Een voorwaardelijke jeugddetentie vindt de Raad wel een goed idee.
Ook vindt de Raad het een goed idee als [verdachte] een taakstraf in de vorm van een werkstraf krijgt. Op deze manier voelt [verdachte] wat de gevolgen zijn van zijn gedrag. Daarna kan hij zich weer richten op zijn toekomst.
Omdat het zo goed gaat met [verdachte] vindt de Raad het niet nodig dat [verdachte] nog langer door de jeugdreclassering wordt begeleid. Ook denkt de Raad dat [verdachte] niet genoeg zal leren van een taakstraf want [verdachte] weet meestal hoe hij goed moet reageren.
De Raad geeft daarom aan de rechtbank het advies om te bepalen dat [verdachte] een werkstraf moet krijgen en een voorwaardelijke jeugddetentie.
Op te leggen straf
De rechtbank vindt dat [verdachte] straf verdient voor wat hij heeft gedaan.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat [verdachte] uit het niets van [slachtoffer 1] een vuistslag in zijn gezicht heeft gekregen. Ook heeft de rechtbank gezien dat [verdachte] een paar dagen in de gevangenis heeft gezeten, een maand huisarrest en zes maanden een avondklok heeft gehad. Daardoor heeft [verdachte] al kunnen voelen wat de gevolgen zijn als hij strafbare feiten pleegt.
Tijdens zijn schorsing heeft [verdachte] zich netjes aan alle afspraken gehouden en goed meegewerkt aan de gesprekken met de jeugdreclassering. Van de jeugdreclassering heeft [verdachte] tijdens de zitting hiervoor nog complimenten gekregen. Ook is [verdachte] nog jong en is hij niet eerder voor dezelfde feiten veroordeeld. [verdachte] heeft bij de politie en de rechtbank eerlijk verteld wat er volgens hem is gebeurd en [verdachte] heeft spijt van wat hij heeft gedaan. Ook op zitting heeft hij zijn excuses aangeboden aan [slachtoffer 2] en [verdachte] wil graag mediation of een herstelbemiddelingsgesprek.
Normaal gesproken is een voorwaardelijke jeugddetentie passend omdat de feiten zo ernstig zijn. Toch vindt de rechtbank dat in dit geval niet nodig en zal de rechtbank beslissen dat [verdachte] alleen een taakstraf krijgt in de vorm van een werkstraf van 80 uur. De rechtbank vindt dat alleen een taakstraf voldoende is omdat het zo goed met [verdachte] gaat. Ook staat in het advies van de Raad dat er weinig risico is dat [verdachte] nog een keer zoiets doet.
De rechtbank heeft er vertrouwen in dat [verdachte] zich op zijn toekomst blijft richten en dat wat er op 14 september 2025 is gebeurd, nooit meer zal gebeuren.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,- voor de feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bij de vordering rekening dient te worden gehouden met een mate van eigen schuld van de benadeelde en acht een bedrag van € 1.000,- billijk. De officier van justitie heeft gevorderd om dit bedrag bij iedere verdachte voor een eigen deel toe te wijzen, tot een bedrag van € 200,-, zonder toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (zonder gijzeling).
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering – die met name is gebaseerd op het verminderd zicht – onvoldoende is onderbouwd, omdat bij de vordering geen onafhankelijke onderbouwing van het letsel is gevoegd. Verder dient volgens de verdediging bij de vordering rekening te worden gehouden met een mate van eigen schuld.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schadevergoeding
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De vordering is grotendeels gebaseerd op het oogletsel dat de benadeelde partij zou hebben opgelopen. De vordering is echter niet onderbouwd met medische stukken waaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake is van het letsel zoals is gesteld. De vordering tot schadevergoeding zal daarom grotendeels worden afgewezen. Wel is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij enig lichamelijk letsel van tijdelijke aard heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Hiervoor is een vergoeding op zijn plaats.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 13c van de Rotterdamse schaal (licht letsel, herstelperiode van ongeveer twee maanden). De rechtbank neemt het in die categorie genoemde bedrag van € 1.100,- tot uitgangspunt.
Gelet op artikel 6:101 BW kan de schadevergoedingsverplichting van de verdachte worden verminderd als sprake is van medeschuld (of eigen schuld) van de benadeelde partij. Als sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij, kan de schade worden verdeeld over de benadeelde partij en de verdachte, evenredig aan de mate waarin zij hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De rechtbank gaat in dit geval uit van een percentage eigen schuld van 50%.
Gelet op de Rotterdamse Schaal, de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, en de eigen schuld van de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
Wettelijke rente
Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 14 september 2025, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Hoofdelijkheid
Omdat [verdachte] de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een pondspondsgewijze verdeling van de schade toe te wijzen. [verdachte] en zijn mededaders zijn voor het gehele bedrag aansprakelijk, en zij dienen onderling regres te nemen. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Veroordeling in kosten (nihil)
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel [verdachte] als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat [verdachte] aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2025 tot de dag dat het volledige bedrag is betaald.
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Omdat [verdachte] de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikel 36f, 45, 47, 55, 57, 77a, 77g, 77m, 77n, 141, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder feit 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen jeugddetentie;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uur taakstraf per dag;
vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1] (feit 1 en 4)
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter tevens kinderrechter, mr. S.C. Hagedoorn en mr. F.D.M. Osinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1]
van het leven te beroven, die [slachtoffer 1]
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen
het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht van 20% bij beide ogen heeft toegebracht, door
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen
het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen
het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen
feit 2
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal met kracht te slaan en/of
stompen tegen haar armen en/of kaak
feit 3
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
[slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met kracht eenmaal te slaan en/of een stomp te geven tegen haar gezicht
feit 4
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een
voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen
het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam
openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een
voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] door
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen
het lichaam heeft/hebben gestampt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt
- die [slachtoffer 1] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of
op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een beschrijving van camerabeelden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op de camerabeelden is te zien dat de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] omstreeks op 14 september 2025 om 05:11:34 uur samen met een voor mij, verbalisant, onbekende vrouw vanuit de richting van het Rembrandtplein aan komen lopen over de Halve Maansteeg in Amsterdam. De aangever [slachtoffer 1] loopt, in het bijzijn van een voor mij onbekende man, aan de linkerzijde (in beeld) gelijk met de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] op. Achter de aangeefster loopt, naar wat uit later camerabeelden blijkt, een groep van vijf (5) personen, waaronder de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .
De aangeefsters worden vermoedelijk aangesproken door [verdachte] . Deze gaat voor de aangeefsters staan. De overig genoemde verdachten voegen zich bij hem en gaan eveneens voor de aangeefsters staan, waardoor zij niet verder kunnen lopen. De aangever [slachtoffer 1] loopt op dat moment nog aan de linkerzijde van de Halve Maansteeg en is gesprek met een voor mij onbekende man.
De later aangever [slachtoffer 1] loopt vervolgens naar de groep toe en strekt zijn rechterarm en geeft de verdachte [verdachte] met zijn rechterhand/ vuist een vermoedelijk een duw of stoot op zijn hoofd en/of duwt hem bij het hoofd weg. Op de bewegende beelden is te zien dat het hoofd van de verdachte [verdachte] naar achteren beweegt.
[slachtoffer 1] beweegt daarna naar achteren en neemt een gevechtshouding aan. [verdachte] beweegt naar [slachtoffer 1] toe, waarbij het erop lijkt dat hij hem met zijn rechterarm/vuist een klap wil geven. [slachtoffer 1] beweegt zijn lichaam naar achteren en wordt op dat moment niet door [verdachte] geraakt. [verdachte] raakt hierop uit balans.
De aangever [slachtoffer 1] komt hierop tegenover de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en een derde onbekend gebleven verdachte te staan. De aangever [slachtoffer 1] raakt in eerste instantie in gevecht met de verdachte NN1, waarbij beide elkaar een stoot in het gezicht lijken te geven om vervolgens met elkaar in een worsteling terecht te komen. Tijdens de worsteling tussen de aangever [slachtoffer 1] en de verdachte NN1 is te zien dat de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beide met hun rechterarm en gebalde rechter- vuist naar de aangever [slachtoffer 1] toe bewegen. De verdachte [medeverdachte 1] lijkt vervolgens met zijn rechterarm en gebalde rechtervuist een slaande beweging naar het hoofd van de aangever [slachtoffer 1] .
Tegelijkertijd is te zien dat de verdachte [medeverdachte 2] zijn rechterarm met gebalde rechtervuist naar achteren beweegt om deze vervolgens met kracht naar het hoofd van de aangever [slachtoffer 1] brengt en hem een slag/ stoot tegen het hoofd geeft. De aangever [slachtoffer 1] komt vervolgens tegenover, danwel wordt min of meer omsingeld door de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en NN1. Voor zover vast te stellen maken al deze verdachten slaande bewegingen naar het hoofd en lichaam van de aangever [slachtoffer 1] . De verdachte [medeverdachte 3] (rechts in beeld) is op dat moment nog niet actief betrokken bij het incident.
Nadat de aangever [slachtoffer 1] op de grond terecht is gekomen, wordt hij direct omsingeld door alle verdachten. De verdachte [medeverdachte 3] geeft vervolgens met zijn linkerbeen een tweetal trappen tegen het lichaam van de aangever [slachtoffer 1] . Gezien de positie van de aangever [slachtoffer 1] lijkt hij hem op diens rug te raken. Hij beweegt hierbij zijn rechterarm naar achteren, waardoor het vermoeden ontstaat dat hij dit met kracht doet.
Vervolgens zet de verdachte NN1 enkele passen naar voren, brengt zijn rechterbeen naar achteren en schopt de aangever [slachtoffer 1] gezien diens positie, met kracht, vermoedelijk tegen het hoofd. Doordat er een persoon tussen de camera en de aangever [slachtoffer 1] staat is dit echter niet duidelijk te zien.
De verdachte [medeverdachte 2] loopt naar de aangever [slachtoffer 1] toe, heft zijn linkerbeen op en trapt de aangever [slachtoffer 1] , waarbij hij hem aan de bovenzijde van de rug, ter hoogte van de nek/ het hoofd raakt.
De aangever [slachtoffer 1] probeert overeind te komen, waarop de verdachte [medeverdachte 2] hem opnieuw met zijn linkerbeen een trap geeft. Vermoedelijk raakt hij de aangever [slachtoffer 1] op het hoofd, al is dit op beeld is niet duidelijk te zien. Ondertussen staat de verdachte [verdachte] over de aangever [slachtoffer 1] . Doordat er meerdere personen tussen hem en de camera staan is niet duidelijk zichtbaar welke handelingen hij op dat moment uitvoert.
Wel is zichtbaar dat de verdachte NN1 weer naar aangever [slachtoffer 1] toeloopt, die half overeind is gekomen, en hem een opnieuw, met zijn rechterbeen, een trap geeft. Doordat er een persoon tussen de camera en de aangever [slachtoffer 1] staat is niet duidelijk waar deze precies geraakt wordt.
De aangever [slachtoffer 1] komt daarop half overeind. Terwijl hij dit doet wil de verdachte NN1 hem opnieuw een trap geven. Daarna is te zien dat de verdachte [medeverdachte 1] de aangever [slachtoffer 1] een trap met zijn rechterbeen geeft. Doordat er personen tussen de camera en de aangever [slachtoffer 1] staan is niet duidelijk te zien waar hij door de verdachte [medeverdachte 1] geraakt wordt.
Ondertussen staat de verdachte [verdachte] nog steeds over de aangever [slachtoffer 1] gebogen. Doordat er personen tussen de camera en de aangever [slachtoffer 1] staan is niet te zien welke handelingen hij precies uit- voert. Wel is zichtbaar dat de verdachte [verdachte] zowel zijn linker- als rechterarm omhoog brengt om deze daarna in de richting van de aangever van [slachtoffer 1] te bewegen.
Vervolgens is te zien dat de verdachte [medeverdachte 2] met zijn linkerbeen opnieuw een trappende beweging naar de aangever [slachtoffer 1] maakt, waarbij hij deze op het hoofd/ in het gezicht raakt. De aangever [slachtoffer 1] valt na de trap van de verdachte [medeverdachte 2] terug op de grond, waar hij enige tijd roerloos blijft liggen.
Er komen omstanders bij de aangever [slachtoffer 1] staan. De verdachte [verdachte] wordt vervolgens bij zijn jas/ bodywarmer vastgepakt door de aangeefster [slachtoffer 3] om hem weg te halen bij de aangever [slachtoffer 1] . Om los te komen geeft de verdachte [verdachte] de aangeefster met zijn rechterarm een duw/ stoot in het gezicht. Vermoedelijk gebeurt dit met enige kracht, aangezien te zien is dat het hoofd van de aangeefster [slachtoffer 3] naar achteren beweegt.
De verdachte [verdachte] loopt vervolgens in de richting van de verdachte [medeverdachte 2] die door de aangeefster [slachtoffer 2] bij de aangever [slachtoffer 1] weg wordt gehouden. Op het moment dat de verdachte [verdachte] voorbij de aangeefster [slachtoffer 2] loopt, geeft hij haar met zijn rechtervuist een slag in het gezicht. De aangeefster [slachtoffer 2] valt hierdoor achterover. Omdat zij de verdachte [medeverdachte 2] nog bij zijn jas/ bodywarmer vast heeft, valt deze boven op haar.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ze vielen mijn vriendin lastig. Ik heb hun geslagen en toen gingen ze allemaal op mij. Iemand zei dat ik op de grond beland ben en geschopt ben tegen mijn hoofd. Ik heb een snee in mijn hoofd en een klein beetje druk aan de linkerzijde van mijn hoofd. Ik kijk ook een beetje wazig.
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik kom net uit het ziekenhuis. Ik heb nu pijn aan mijn hoofd, nek, rug. Mijn gezicht doet vooral heel erg pijn en is paars/blauw. Ik zie ook wazig.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 september 2025, omstreeks 05.15 uur, was ik in Amsterdam met een groep collega's. Ik liep in de Halvemaansteeg toen ik plotseling een gevecht zag op het einde van die straat. Ik zag dat er een hele groep, ik denk ongeveer 5 personen, één persoon helemaal in elkaar aan het trappen was. Ze waren aan het schoppen en slaan tegen zijn hoofd terwijl hij op de grond lag. Ik sprong er dus tussen in een poging om het te doen stoppen. Ik werd op een gegeven moment naar achter getrokken uit die groep. Ik weet niet door wie. Daarna viel ik ineens op de grond. Ik weet niet meer hoe. Maar toen kreeg ik ook klappen tegen mijn gezicht en mijn armen. Ik heb erg veel pijn aan mijn kaak en rechter arm. Mijn kaak wordt ook steeds dikker.
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 1] werd op de grond geslagen. Ze waren [slachtoffer 1] op de grond aan het slaan en schoppen. Ik wilde hem helpen en werd toen geslagen. Hij was iets groter dan ik dus ik denk 1.70 lang. Hij draaide zich om en gaf met een stoot in me gezicht. Hij sloeg me met zijn vuist op mijn neus. Op de bovenkant van mijn neus. Ik voelde meteen pijn. Nu, tijdens de aangifte, voel ik nog steeds pijn.
Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Op een gegeven moment kregen zij ruzie met [slachtoffer 1] , dat ging allemaal heel snel. Op
een gegeven moment sloeg een van hen [slachtoffer 1] op de grond. Ik weet natuurlijk niet precies
wie. Daarna gingen ze met z’n allen op hem. Hij lag op de grond en ik zag dat. Ik had niet verwacht dat ze met z’n allen erop zouden gaan. Ik dacht dat ze zouden stoppen toen hij op de grond lag. Op een gegeven moment lag hij met zijn hoofd richting mij en werd hij tegen zijn hoofd geschopt.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Meneer [slachtoffer 1] heeft mij zomaar een klap verkocht. Toen is de chaos losgebroken. Ik herinner me er niet veel van, maar hij heeft een klap gegeven en ik heb een paar keer teruggeslagen. Ik heb op zijn lichaam geslagen met mijn vuisten, maar ik weet niet precies waar. Ik heb hem ook op zijn hoofd geraakt. Ook heb ik geschopt, op het lichaam. Ik was met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Er werd flink geduwd en getrokken.
Ik heb mevrouw [slachtoffer 3] met mijn hand in haar gezicht geduwd. Het klopt dat ik heb uitgehaald naar mevrouw [slachtoffer 2] .