ECLI:NL:RBMNE:2026:6055

ECLI:NL:RBMNE:2026:6055

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer 16-242698-25; 16-266254-23 (vord. tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor medeplegen van poging tot zware mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen met letsel tot gevolg. Uitgaansgeweld. De verdachte heeft samen met vier medeverdachten geweld gepleegd tegen het slachtoffer. Hoewel het slachtoffer het geweld heeft geïnitieerd, komt de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer/noodweerexces toe. De rechtbank legt aan de verdachte een jeugddetentie op voor de duur van 30 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 26 dagen voorwaardelijk. Daarnaast oplegging van een leerstraf van 35 uur, waarbij de verdachte moet meewerken aan de leerstraf TACt Plus. Gedeeltelijke toewijzing vordering BP. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging eerder opgelegde straf.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16-242698-25; 16-266254-23 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 augustus 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2009] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

hierna: [verdachte] .

1. Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 18 augustus 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:

feit 1

primair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen gepoogd heeft om [slachtoffer] van het leven te beroven;

subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

meer subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam samen met anderen gepoogd heeft om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2

primair: op 14 september 2025 in Amsterdam openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , terwijl dit geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

subsidiair: op 14 september 2025 in Amsterdam openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de poging tot doodslag van [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) (feit 1 primair) en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, met enig letsel tot gevolg (feit 2 primair).

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om [verdachte] geheel vrij te spreken van feit 1. Ook verzoekt de verdediging om [verdachte] vrij te spreken van feit 2 primair. Ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken in paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair) en openlijke geweldpleging met letsel tot gevolg (feit 2 primair). De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De rechtbank komt tot een vrijspraak van het medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen zware mishandeling (feit 1 primair en subsidiair). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op 14 september 2025 gaan verschillende leden van de familie [familie] een avond uit in Amsterdam. De groep heeft een leuke avond gehad, maar wanneer ze onderweg naar huis in de Halvemaansteeg lopen, gaat het volledig mis.

[medeverdachte 1] , de minderjarige neef van de verdachte, ziet [getuige 1] lopen. Omdat zij een bekende Nederlander is besluit hij haar aan te spreken om een foto te vragen. Terwijl [medeverdachte 1] [getuige 1] aanspreekt krijgt hij uit het niets van een onbekende man een vuistslag in zijn gezicht. Deze vuistslag is het begin van een heftig gevecht. De onbekende man blijkt later [slachtoffer] te zijn.

Wie waren erbij betrokken?

Niet alleen [medeverdachte 1] was bij het gevecht betrokken, maar ook zijn medeverdachten met wie hij die avond uit was. Dat waren [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .

[verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben zelf gezegd dat zij bij het gevecht betrokken waren. Ook zijn zij te zien op de camerabeelden die van het gevecht zijn gemaakt. Op de camerabeelden is te zien zij geweld tegen [slachtoffer] hebben gebruikt.

Hoewel [medeverdachte 4] ontkent dat hij bij het gevecht was, is de rechtbank van oordeel dat ook [medeverdachte 4] bij het gevecht betrokken was.

Welke geweldshandelingen staan vast?

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] en zijn medeverdachten, nadat [medeverdachte 1] eerst een klap van [slachtoffer] had gekregen, vervolgens in gevecht zijn gegaan met [slachtoffer] en daarbij fors geweld hebben gebruikt.

Op grond van de camerabeelden en de getuigenverklaringen is het voor de rechtbank niet duidelijk geworden welk geweld precies is toegepast. Op de beelden is wel te zien dat de verdachten meerdere klappen uitdelen, waarna [slachtoffer] op de grond terechtkomt en vervolgens, terwijl hij op de grond blijft liggen, meerdere klappen en trappen krijgt.

Hoewel zichtbaar is dat ook getrapt wordt richting het hoofd van [slachtoffer] , is in de meeste gevallen op de beelden niet te zien of en waar deze trappen [slachtoffer] raken. Verschillende getuigen hebben verklaard dat zij niet de hele tijd hebben kunnen zien wat er precies gebeurde, wat begrijpelijk is in de hectiek. Ook kan aan de hand van de beelden niet worden vastgesteld met welke kracht tegen [slachtoffer] is getrapt.

Van één trap vindt de rechtbank wel bewezen dat deze [slachtoffer] op het hoofd heeft geraakt. Dat volgt zowel uit de camerabeelden als uit de verklaring van [getuige 1] , die naast het gevecht stond. Zij heeft verklaard dat zij zag dat [slachtoffer] op een bepaald moment met zijn hoofd in haar richting lag en een trap tegen zijn hoofd kreeg.

Vrijspraak medeplegen poging doodslag – geen aanmerkelijke kans

[verdachte] wordt verweten dat hij samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachten met hun handelen vol opzet hadden op de dood van [slachtoffer] .

De rechtbank is ook van oordeel dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat bewezen kan worden dat [slachtoffer] één keer tegen zijn hoofd is getrapt. Niet duidelijk is met welke kracht dit is gebeurd. Bovendien ontbreekt een letselbeschrijving waardoor niet duidelijk is wat het gevolg is geweest van deze trap. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de trap tegen het hoofd een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] met zich mee heeft gebracht. Ook van het overige geweld tegen [slachtoffer] kan dit niet worden vastgesteld. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het medeplegen van poging tot doodslag.

Vrijspraak medeplegen zware mishandeling – zwaar lichamelijk letsel?

Onder feit 1 is subsidiair ten laste gelegd dat [verdachte] zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verdachte] en zijn medeverdachten aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel hebben toegebracht.

De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer] later op de dag van het geweldsincident verklaart pijn te hebben aan zijn hoofd, nek en rug. En dat zijn gezicht pijn doet en blauw/ paars is, hetgeen ondersteund wordt met foto’s. Uit deze verklaring en foto’s kan echter niet worden opgemaakt dat deze pijn wordt veroorzaakt door toegebracht zwaar lichamelijk letsel.

[slachtoffer] verklaart verder dat een arts hem heeft verteld dat zijn zicht in beide ogen met 20 procent is achteruitgegaan, en dat hij de volgende maand weer terug moest komen voor controle. De achteruitgang van zijn gezichtsvermogen zou een indicatie kunnen zijn voor zwaar lichamelijk letsel, maar omdat verdere (medische) onderbouwing ontbreekt kan de rechtbank niet vaststellen of dat het geval is. Zo is niet duidelijk of een arts daadwerkelijk achteruitgang van gezichtsvermogen heeft vastgesteld, wat de mate van achteruitgang is en of deze achteruitgang het gevolg is van het geweldsincident. Evenmin is duidelijk of medisch ingrijpen nodig is geweest.

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd en in de stukken die hij daarvoor heeft overgelegd ontbreekt nadere onderbouwing eveneens.

Medeplegen poging zware mishandeling

De rechtbank is wel van oordeel dat er sprake is van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, zoals onder feit 1 meer subsidiair ten laste is gelegd.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking sprake is, kan de rechtbank onder meer acht slaan op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het strafbare feit, hoe belangrijk de bijdrage van de verdachte was, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen, en vooral uit het proces-verbaal van de beschrijving van de camerabeelden, blijkt van zo’n nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten, dat sprake is van medeplegen. Hoewel er van tevoren geen concreet plan was, zijn de verdachten als groep te werk gegaan en zijn ze als groep om [slachtoffer] heen gaan staan. Iedere verdachte heeft een aandeel gehad in het geweld. Ze hebben allemaal geweld gebruikt tegen [slachtoffer] . Ook heeft niemand zich uit de situatie teruggetrokken of geprobeerd de situatie te sussen. Dit betekent dat zowel [verdachte] als zijn medeverdachten samen verantwoordelijk zijn voor het geweld.

De rechtbank is van oordeel dat het door meerdere personen met kracht slaan, stompen, schoppen en trappen tegen het lichaam van [slachtoffer] en de trap tegen zijn hoofd een poging tot zware mishandeling opleveren. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de mogelijke ernstige gevolgen van dit geweld. Ook neemt de rechtbank in haar beslissing mee dat het geweld plaatsvond onder invloed van alcohol en dat de trappen en slagen niet steeds onder controle waren. De verdachten slaan en schoppen terwijl [slachtoffer] onvoorspelbare bewegingen maakt. De verdachten hebben hiermee het risico genomen dat hun slagen en schoppen ook op meer kwetsbare plekken van het lichaam, zoals het hoofd, terecht hadden kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van [verdachte] en zijn medeverdachten dat zij allemaal opzet hadden op het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot een bewezenverklaring van het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair).

Openlijke geweldpleging met enig letsel ten gevolge

[verdachte] wordt ook verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer] , waarbij dit geweld enig letsel ten gevolge heeft gehad (feit 2 primair). De rechtbank oordeelt dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is.

Bij het openlijk in vereniging geweld plegen gaat het er in de kern om dat het geweld op zo’n manier en op zo’n plaats is gepleegd, dat de openbare orde is verstoord. Van het in vereniging plegen van geweld is sprake wanneer degene die betrokken is, een voldoende duidelijke (significante) of belangrijke (wezenlijke) bijdrage aan het geweld levert.

Het is in ieder geval duidelijk dat het hiervoor beschreven geweld op een openbare plek is gepleegd, namelijk in het centrum van Amsterdam, waar veel mensen getuige van zijn geweest. Hierdoor is de openbare orde verstoord. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] een voldoende duidelijke en belangrijk bijdrage heeft geleverd. [verdachte] en zijn medeverdachten hebben namelijk allemaal geweld gebruikt en niemand heeft zich onttrokken aan het gevecht.

Hoewel het dossier weinig informatie bevat over het soort letsel, volgt uit de aangifte van [slachtoffer] en wat de politie later beschrijft, dat hij veel pijn heeft gehad. Dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, blijkt ook uit de letselfoto’s die in het dossier zitten en die kort na het gevecht zijn gemaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :

feit 1 meer subsidiair

op 14 september 2025 te Amsterdam

tezamen en in vereniging met anderen,

ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- die [slachtoffer] met kracht op het lichaam heeft gestampt

- die [slachtoffer] met kracht meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft getrapt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen tegen het hoofd, en tegen lichaam heeft (met de vuist) geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair

op 14 september 2025 te Amsterdam

openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg ,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]

welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- die [slachtoffer] met kracht op het lichaam stampen

- die [slachtoffer] met kracht meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam trappen

- die [slachtoffer] met kracht meermalen tegen het hoofd en lichaam (met de vuist) slaan

terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 meer subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;

Feit 2 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid feiten en verdachte

Het standpunt van de verdediging

De advocaat vindt dat [verdachte] een geslaagd beroep kan doen op noodweer. [verdachte] ziet hoe zijn neefje [medeverdachte 1] wordt geslagen. Er is dus sprake van een noodweersituatie waartegen hij zich mocht verdedigen. Als de rechtbank van oordeel is dat [verdachte] daarin te ver is gegaan, dan is sprake van noodweerexces. Bij een familie met een Roma achtergrond bestaat een groot gevoel van saamhorigheid waarbij het in de traditie zit om je familie te verdedigen en dat is in de familie van [verdachte] niet anders. Met die achtergrond moet rekening worden gehouden als naar het handelen van [verdachte] wordt gekeken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] geen beroep kan doen op noodweer of noodweerexces. [verdachte] staat erbij en doet niets wanneer [slachtoffer] slaat en met de anderen in gevecht is. Er was geen sprake van een noodweersituatie. Omdat er geen noodweersituatie was, kan [verdachte] ook niet zeggen dat sprake was van noodweerexces. Het is ook niet zo dat toen [slachtoffer] op de grond lag, een nieuwe noodweersituatie ontstond waar [verdachte] zich tegen moest verdedigen. Het geweld dat [verdachte] heeft gebruikt valt dus niet binnen een noodweer(exces) situatie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat [verdachte] zich niet kan beroepen op noodweer, en ook niet op noodweerexces. Op de camerabeelden is te zien dat als [medeverdachte 1] van [slachtoffer] een vuistslag in zijn gezicht krijgt, [verdachte] op enige afstand staat. Ook is te zien dat [verdachte] op een afstand blijft staan en toekijkt hoe er een gevecht ontstaat tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [slachtoffer] . [verdachte] beslist om zich met het gevecht te bemoeien wanneer [slachtoffer] op de grond valt. [verdachte] hoefde dat niet te doen. Het was niet meer nodig om [medeverdachte 1] te verdedigen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hadden [medeverdachte 1] al verdedigd. En toen [slachtoffer] op de grond lag, was [slachtoffer] ook niet meer gevaarlijk. Omdat de rechtbank vindt dat [verdachte] [medeverdachte 1] niet hoefde te verdedigen (geen noodweersituatie), kan [verdachte] ook geen geslaagd beroep doen op noodweerexces. [verdachte] is dus strafbaar voor het geweld dat hij heeft gebruikt.

Ook voor feit 2 geldt dat dit een strafbaar feit is en dat [verdachte] daarvoor ook strafbaar is.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:

een jeugddetentie van zes maanden waarvan een gedeelte van drie dagen onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en het overige gedeelte voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder de voorwaarde dat [verdachte] meewerkt aan hulpverlening geboden door Nova Forte Zorg;

een taakstraf in de vorm van een leerstraf van 50 uur, waarbij [verdachte] de leerstraf TACt Plus volgt, te vervangen door 25 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze leerstraf niet of niet goed uitvoert.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de strafmaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan [verdachte] een jeugddetentie op van 30 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 26 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, onder de voorwaarde dat [verdachte] meewerkt aan hulpverlening.

De rechtbank bepaalt ook dat aan [verdachte] een taakstraf wordt opgelegd in de vorm van een leerstraf van 35 uur, te vervangen door 17 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze leerstraf niet of niet goed uitvoert. De rechtbank bepaalt dat [verdachte] in het kader van deze leerstraf moet meewerken aan de gedragsinterventie TACt Plus.

Bij het bepalen van deze straf heeft de rechtbank gekeken naar de ernst van de gepleegde feiten en naar de situatie waarin [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden.

Ernst en omstandigheden van de feiten

[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan fors geweld. Dit is een ernstig strafbaar feit. Hoewel [slachtoffer] als eerste geweld heeft gebruikt, zijn [verdachte] en zijn medeverdachten veel te ver gegaan toen ze reageerden op de klappen van [slachtoffer] .

[verdachte] heeft zowel bij de politie als tijdens de zitting gezegd dat hij spijt heeft van wat er is gebeurd, en dat het niet had mogen gebeuren. [verdachte] heeft gezegd dat hij boos was omdat zijn neefje [medeverdachte 1] werd geslagen, en dat hij zich daarom ging bemoeien in het gevecht. Zoals hiervoor uitgelegd, vindt de rechtbank dat er voor [verdachte] geen reden was om zich met het gevecht te bemoeien en dat hij [medeverdachte 1] niet hoefde te verdedigen. Het geweld dat [verdachte] heeft gebruikt, is heel ernstig geweest. Het geweld had hele nare gevolgen kunnen hebben. Gelukkig is dat niet gebeurd.

Dit soort geweld is niet alleen erg voor [slachtoffer] , maar ook voor andere mensen. Meerdere mensen hebben het gevecht op straat zien gebeuren. Dit is erg bedreigend voor deze mensen en zorgt ervoor dat zij en ook andere mensen zich onveilig voelen. Ook dat rekent de rechtbank [verdachte] aan.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] van 6 juli 2026. Daaruit blijkt dat hij twee keer eerder is veroordeeld voor dit soort strafbare feiten. De rechtbank vindt dit strafverzwarend.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van de Raad van 14 juli 2026. Een onderzoeker van de Raad heeft met [verdachte] en zijn ouders gesproken. De Raad vindt het belangrijk dat [verdachte] leert hoe hij anders kan reageren in situaties waarin sprake is van ruzie of geweld. De Raad ziet de contacten van [verdachte] als een risicofactor, omdat hij volgens de Raad vaak met dezelfde groep familieleden in de problemen komt.

De Raad vindt het positief dat [verdachte] vijf dagen per week werkt en daarmee een goede invulling van zijn dag heeft. Ook is [verdachte] eerlijk naar de hulpverlening, komt hij zijn afspraken na en doet hij wat van hem wordt gevraagd. Wel is volgens de Raad de kans dat dit nog een keer gebeurd groter door het lagere intelligentieniveau van [verdachte] .

De Raad adviseert om aan [verdachte] de leerstraf TACt Plus op te leggen. Tijdens deze leerstraf zal hij werken aan hoe hij op een andere manier kan reageren in ruzies. De Raad ziet geen toegevoegde waarde in een onvoorwaardelijke jeugddetentie, langer dan [verdachte] al heeft vastgezeten in voorarrest. Een voorwaardelijke jeugddetentie vindt de Raad wel passend, omdat het om erge strafbare feiten gaat. Een geldboete of werkstraf vindt de Raad niet passend. Volgens de Raad helpt een werkstraf [verdachte] niet om in de toekomst andere keuzes te maken. Een geldboete is te snel geregeld.

[verdachte] krijgt nu al begeleiding van Nova Forte Zorg. De Raad vindt het belangrijk dat [verdachte] deze begeleiding onder toezicht van de jeugdreclassering blijft krijgen. Het kan dan duidelijk worden hoe [verdachte] denkt en doet. Daarom adviseert de Raad om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat [verdachte] meewerkt aan hulpverlening van Nova Forte Zorg.

Strafkader

Wat [verdachte] heeft gedaan is ernstig. De rechtbank vindt dat [verdachte] daarvoor ook een straf moet krijgen.

[verdachte] heeft er bewust voor gekozen om mee te vechten terwijl dat niet nodig was.

De rechtbank heeft ook meegewogen dat [verdachte] al een paar dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Ook heeft [verdachte] een maand huisarrest en zes maanden lang een avondklok gehad. Daardoor heeft hij al kunnen voelen wat de gevolgen zijn van het plegen van strafbare feiten.

Strafverzwarend weegt de rechtbank mee dat [verdachte] al twee keer eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten. In strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met het lagere intelligentieniveau van [verdachte] en met het feit dat hij meer een meeloper lijkt te zijn binnen de groep.

De rechtbank vindt het vooral belangrijk dat [verdachte] niet opnieuw dit soort feiten pleegt. Daarom zal zij de door de Raad geadviseerde leerstraf TACt Plus opleggen. Omdat de Raad heeft aangegeven dat een werkstraf niet passend is voor [verdachte] , zal de rechtbank die ook niet opleggen. Wel vindt de rechtbank het passend dat er voor [verdachte] nog een straf boven zijn hoofd blijft hangen. Daarom legt de rechtbank een jeugddetentie op van 30 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 26 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit betekent dat [verdachte] niet meer terug hoeft naar de gevangenis. Aan die voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarde dat [verdachte] meewerkt aan hulpverlening van Nova Forte Zorg. Daar kan hij samen met een coach werken aan zijn verdere vaardigheden, zoals het anders reageren wanneer hij boos is.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,- voor de feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bij de vordering rekening dient te worden gehouden met een mate van eigen schuld van de benadeelde en acht een bedrag van € 1.000,- billijk. De officier van justitie heeft gevorderd om dit bedrag bij iedere verdachte voor een eigen deel toe te wijzen, tot een bedrag van € 200,-, zonder toepassing van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (zonder gijzeling).

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering – die met name is gebaseerd op het verminderd zicht – onvoldoende is onderbouwd, omdat bij de vordering geen onafhankelijke onderbouwing van het letsel is gevoegd. Verder dient volgens de verdediging bij de vordering rekening te worden gehouden met een mate van eigen schuld.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schadevergoeding

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. De vordering is grotendeels gebaseerd op het oogletsel dat de benadeelde partij zou hebben opgelopen. De vordering is echter niet onderbouwd met medische stukken waaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake is van het letsel zoals is gesteld. De vordering tot schadevergoeding zal daarom grotendeels worden afgewezen. Wel is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij enig lichamelijk letsel van tijdelijke aard heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Hiervoor is een vergoeding op zijn plaats.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 13c van de Rotterdamse schaal (licht letsel, herstelperiode van ongeveer twee maanden). De rechtbank neemt het in die categorie genoemde bedrag van € 1.100,- tot uitgangspunt.

Gelet op artikel 6:101 BW kan de schadevergoedingsverplichting van de verdachte worden verminderd als sprake is van medeschuld (of eigen schuld) van de benadeelde partij. Als sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij, kan de schade worden verdeeld over de benadeelde partij en de verdachte, evenredig aan de mate waarin zij hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De rechtbank gaat in dit geval uit van een percentage eigen schuld van 50%.

Gelet op de Rotterdamse Schaal, de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, en de eigen schuld van de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

Wettelijke rente

Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 14 september 2025, tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Hoofdelijkheid

Omdat [verdachte] de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een pondspondsgewijze verdeling van de schade toe te wijzen. [verdachte] en zijn mededaders zijn voor het gehele bedrag aansprakelijk, en zij dienen onderling regres te nemen. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Veroordeling in kosten (nihil)

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel [verdachte] als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat [verdachte] aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2025 tot de dag dat het volledige bedrag is betaald.

Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.

Omdat [verdachte] de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16-266254-23 op 14 maart 2024 een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 35 uur, subsidiair 17 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft zich ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel geeft de advocaat mee dat een eventuele leerstraf, in combinatie met deze werkstraf, mogelijk te veel van [verdachte] vraagt, mede gezien zijn intellect.

Oordeel van de rechtbank

[verdachte] heeft tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit gepleegd. Dit strafbaar feit is weer een geweldsfeit. [verdachte] wist dat hij geen strafbare feiten mocht plegen maar heeft dat toch gedaan. Daarom beslist de rechtbank dat de vordering van de officier van justitie wordt toegewezen en dat [verdachte] de werkstraf van 35 uur alsnog moet uitvoeren.

8. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikel 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

6. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf en/of maatregel

- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 26 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat [verdachte] :

* meewerkt aan hulpverlening, met als doel meer zicht te krijgen op zijn functioneren, geboden door Nova Forte Zorg,

- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam opdracht wordt gegeven om, voor de duur van 12 maanden, toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast;

- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een leerstraf van 35 uur, waarbij [verdachte] zal meewerken aan de gedragsinterventie TACt plus;

- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 17 dagen jeugddetentie;

vordering tot schadevergoeding [slachtoffer] (feit 1 en 4)

vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 14 maart 2024, parketnummer 16-266254-23, opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 35 uur, subsidiair 17 dagen jeugddetentie;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter tevens kinderrechter, mr. S.C. Hagedoorn en mr. F.D.M. Osinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.

De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer]

van het leven te beroven, die [slachtoffer]

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten verminderd zicht van 20% bij beide ogen heeft

toegebracht, door

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam

openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer]

welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen

terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 september 2025 te Amsterdam

openlijk, te weten, in de Halvemaansteeg , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer]

welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal op het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft/hebben gestampt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen het lichaam heeft getrapt/hebben getrapt

- die [slachtoffer] langere tijd met kracht meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd, en/of op/tegen lichaam heeft/hebben (met de vuist) geslagen.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een beschrijving van camerabeelden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op de camerabeelden is te zien dat de aangeefsters [getuige 1] en [getuige 2] omstreeks op 14 september 2025 om 05:11:34 uur samen met een voor mij, verbalisant, onbekende vrouw vanuit de richting van het Rembrandtplein aan komen lopen over de Halve Maansteeg in Amsterdam. De aangever [slachtoffer] loopt, in het bijzijn van een voor mij onbekende man, aan de linkerzijde (in beeld) gelijk met de aangeefsters [getuige 1] en [getuige 2] op. Achter de aangeefster loopt, naar wat uit later camerabeelden blijkt, een groep van vijf (5) personen, waaronder de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] .

De aangeefsters worden vermoedelijk aangesproken door [medeverdachte 1] . Deze gaat voor de aangeefsters staan. De overig genoemde verdachten voegen zich bij hem en gaan eveneens voor de aangeefsters staan, waardoor zij niet verder kunnen lopen. De aangever [slachtoffer] loopt op dat moment nog aan de linkerzijde van de Halve Maansteeg en is gesprek met een voor mij onbekende man.

De later aangever [slachtoffer] loopt vervolgens naar de groep toe en strekt zijn rechterarm en geeft de verdachte [medeverdachte 1] met zijn rechterhand/ vuist een vermoedelijk een duw of stoot op zijn hoofd en/of duwt hem bij het hoofd weg. Op de bewegende beelden is te zien dat het hoofd van de verdachte [medeverdachte 1] naar achteren beweegt.

[slachtoffer] beweegt daarna naar achteren en neemt een gevechtshouding aan. [medeverdachte 1] beweegt naar [slachtoffer] toe, waarbij het erop lijkt dat hij hem met zijn rechterarm/vuist een klap wil geven. [slachtoffer] beweegt zijn lichaam naar achteren en wordt op dat moment niet door [medeverdachte 1] geraakt. [medeverdachte 1] raakt hierop uit balans.

De aangever [slachtoffer] komt hierop tegenover de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en een derde onbekend gebleven verdachte te staan. De aangever [slachtoffer] raakt in eerste instantie in gevecht met de verdachte NN1, waarbij beide elkaar een stoot in het gezicht lijken te geven om vervolgens met elkaar in een worsteling terecht te komen. Tijdens de worsteling tussen de aangever [slachtoffer] en de verdachte NN1 is te zien dat de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] beide met hun rechterarm en gebalde rechter- vuist naar de aangever [slachtoffer] toe bewegen. De verdachte [medeverdachte 2] lijkt vervolgens met zijn rechterarm en gebalde rechtervuist een slaande beweging naar het hoofd van de aangever [slachtoffer] .

Tegelijkertijd is te zien dat de verdachte [medeverdachte 3] zijn rechterarm met gebalde rechtervuist naar achteren beweegt om deze vervolgens met kracht naar het hoofd van de aangever [slachtoffer] brengt en hem een slag/ stoot tegen het hoofd geeft. De aangever [slachtoffer] komt vervolgens tegenover, danwel wordt min of meer omsingeld door de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en NN1. Voor zover vast te stellen maken al deze verdachten slaande bewegingen naar het hoofd en lichaam van de aangever [slachtoffer] . De verdachte [verdachte] (rechts in beeld) is op dat moment nog niet actief betrokken bij het incident.

Nadat de aangever [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen, wordt hij direct omsingeld door alle verdachten. De verdachte [verdachte] geeft vervolgens met zijn linkerbeen een tweetal trappen tegen het lichaam van de aangever [slachtoffer] . Gezien de positie van de aangever [slachtoffer] lijkt hij hem op diens rug te raken. Hij beweegt hierbij zijn rechterarm naar achteren, waardoor het vermoeden ontstaat dat hij dit met kracht doet.

Vervolgens zet de verdachte NN1 enkele passen naar voren, brengt zijn rechterbeen naar achteren en schopt de aangever [slachtoffer] gezien diens positie, met kracht, vermoedelijk tegen het hoofd. Doordat er een persoon tussen de camera en de aangever [slachtoffer] staat is dit echter niet duidelijk te zien.

De verdachte [medeverdachte 3] loopt naar de aangever [slachtoffer] toe, heft zijn linkerbeen op en trapt de aangever [slachtoffer] , waarbij hij hem aan de bovenzijde van de rug, ter hoogte van de nek/ het hoofd raakt.

De aangever [slachtoffer] probeert overeind te komen, waarop de verdachte [medeverdachte 3] hem opnieuw met zijn linkerbeen een trap geeft. Vermoedelijk raakt hij de aangever [slachtoffer] op het hoofd, al is dit op beeld is niet duidelijk te zien. Ondertussen staat de verdachte [medeverdachte 1] over de aangever [slachtoffer] . Doordat er meerdere personen tussen hem en de camera staan is niet duidelijk zichtbaar welke handelingen hij op dat moment uitvoert.

Wel is zichtbaar dat de verdachte NN1 weer naar aangever [slachtoffer] toeloopt, die half overeind is gekomen, en hem een opnieuw, met zijn rechterbeen, een trap geeft. Doordat er een persoon tussen de camera en de aangever [slachtoffer] staat is niet duidelijk waar deze precies geraakt wordt.

De aangever [slachtoffer] komt daarop half overeind. Terwijl hij dit doet wil de verdachte NN1 hem opnieuw een trap geven. Daarna is te zien dat de verdachte [medeverdachte 2] de aangever [slachtoffer] een trap met zijn rechterbeen geeft. Doordat er personen tussen de camera en de aangever [slachtoffer] staan is niet duidelijk te zien waar hij door de verdachte [medeverdachte 2] geraakt wordt.

Ondertussen staat de verdachte [medeverdachte 1] nog steeds over de aangever [slachtoffer] gebogen. Doordat er personen tussen de camera en de aangever [slachtoffer] staan is niet te zien welke handelingen hij precies uit- voert. Wel is zichtbaar dat de verdachte [medeverdachte 1] zowel zijn linker- als rechterarm omhoog brengt om deze daarna in de richting van de aangever van [slachtoffer] te bewegen.

Vervolgens is te zien dat de verdachte [medeverdachte 3] met zijn linkerbeen opnieuw een trappende beweging naar de aangever [slachtoffer] maakt, waarbij hij deze op het hoofd/ in het gezicht raakt. De aangever [slachtoffer] valt na de trap van de verdachte [medeverdachte 3] terug op de grond, waar hij enige tijd roerloos blijft liggen.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ze vielen mijn vriendin lastig. Ik heb hun geslagen en toen gingen ze allemaal op mij. Iemand zei dat ik op de grond beland ben en geschopt ben tegen mijn hoofd. Ik heb een snee in mijn hoofd en een klein beetje druk aan de linkerzijde van mijn hoofd. Ik kijk ook een beetje wazig.

Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik kom net uit het ziekenhuis. Ik heb nu pijn aan mijn hoofd, nek, rug. Mijn gezicht doet vooral heel erg pijn en is paars/blauw. Ik zie ook wazig.

Een proces-verbaal van aangifte door [getuige 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 14 september 2025, omstreeks 05.15 uur, was ik in Amsterdam met een groep collega's. Ik liep in de Halvemaansteeg toen ik plotseling een gevecht zag op het einde van die straat. Ik zag dat er een hele groep, ik denk ongeveer 5 personen, één persoon helemaal in elkaar aan het trappen was. Ze waren aan het schoppen en slaan tegen zijn hoofd terwijl hij op de grond lag.

Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op een gegeven moment kregen zij ruzie met [slachtoffer] , dat ging allemaal heel snel. Op

een gegeven moment sloeg een van hen [slachtoffer] op de grond. Ik weet natuurlijk niet precies

wie. Daarna gingen ze met z’n allen op hem. Hij lag op de grond en ik zag dat. Ik had niet verwacht dat ze met z’n allen erop zouden gaan. Ik dacht dat ze zouden stoppen toen hij op de grond lag. Op een gegeven moment lag hij met zijn hoofd richting mij en werd hij tegen zijn hoofd geschopt.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Mijn neef [medeverdachte 1] is geslagen. Vervolgens zag ik dat zij aan het vechten waren. Toen heb ik ook getrapt. Ik heb niet geslagen. Ik heb tegen zijn rug of buik getrapt, ik weet het niet meer precies.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand